Laatste wijziging: 2022-06-20 (technisch), 2013-11-23 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Himmelhoch betrübt"

[geloof]

Ontwaken 1 - Inslapen 1 - Auto - Inslapen 2 - Ontwaken 2 - Omhoog - Muziek - Schemeren - Maandag - Dinsdag - Woensdag - Donderdag - Vrijdag

Ontwaken 1

Wiesje en ik werden gewekt door een klop op de slaapkamerdeur: of we een eitje bij het ontbijt beliefden. Maar het was niet Diana, doch Mina, en klop noch stem hadden de kracht van Diana. Ons antwoord was hetzelfde: "Nee, dank je." We begonnen aan een aangepast ochtendritueel.

We waren niet in Us Net, niet in Waterland, zelfs niet in Nederland. We waren in Tirol, in een chaletje op een alm (zomerverblijf op een bergweide), en de koeien waren nog te ruiken. Het was de eerste zondag van de herfstvacantie (althans bij Wiki Wiki), en de buiige regen zou weldra overgaan in sneeuw. Treffend!

Inslapen 1

Eergisteravond, vrijdag, bereidde Us Net zich voor op een optreden van Our Country in de kroeg. Wiesje en ik zaten met de jaffa's aan 'n tafeltje vlak voor het podium, eigenlijk met de bedoeling om te gaan keten. Plotseling hoorden Wiesje en ik de ons bekende Stem in onze hoofden: "Ga nu met Bill en Mina naar privé." Zij gaven verbaasd gehoor. In hun huiskamer verscheen Hermes aan ons vieren, in Jules Deelder uitmonstering. Hij keek vooral Wiesje aan: "Hebben wij jullie vertrouwen, dat wij uiteindelijk het beste van een situatie maken?" We knikten allevier schoorvoetend. Hermes knikte bevestigend, liet Google vanuit de gelagkamer binnen, en sprak zacht: "Dan gaan we nu naar Chot." Met groeiend onbehagen volgden mensen en hond hem door de privé-buitendeur naar buiten.

Chot stond aan het hek van zijn perkje. In de gevorderde avondschemering riep zijn aanblik allerlei gedachten op. Hermes keek Wiesje aan: "Vraag of ze allemaal naar buiten komen." Wiesje greep mijn hand, en leidde mij trillend het huis van bout en moer binnen. Daar zaten ze gezessen nog aan het toetje: Sheila en Dennis waren net terug uit Amsterdam (vanaf het station op OV-Fietsen die ze morgen zouden terugbrengen). Blij weerzien, maar de sfeer verkilde snel toen Wiesje de vraag overbracht.

Buiten nam Hermes het woord: "Vrienden, de tijd is gekomen voor jullie dierbare huisdieren. Neem vlug afscheid." Bibberend en huilend gaven we een laatste aai, kregen een laatste lik. Chot ging met een verbaasde gedempte balk door de knieën, Google vleide zich met een gedempte jank tegen hem aan. Ze verstijfden, bleven enkele tellen als een beeldhouwwerk liggen, en waren toen op slag spoorloos. Hermes gaf ons allen zwijgend een hand, veranderde in het (Wiesje en mij inmiddels vertrouwde) blauwe licht, en verdween. Zijn gehele optreden had misschien tien minuten geduurd.

We wankelden het huis van Aart en Yvonne weer binnen. Daar brak het besef en vervolgens het verdriet los. Ik was de minst-geraakte, dacht aan de mensen in de kroeg, en wierp me op als boodschapper. Nu leidde ik Wiesje. We gingen door de gewone buitendeur de gelagkamer binnen.

Binnen was het inderdaad onrustig: waar waren Bill en Mina opeens? Ik spoedde me met Wiesje naar het podium, naar een zangmicrofoon, en verklaarde: "Vrienden, zojuist zijn Chot en Google ons ontvallen. Wij hebben Bill en Mina bij Aart en Yvonne achtergelaten. Gun hen de tijd om tot zichzelf te komen." Verbaasd geroezemoes. Ik weerde vragen af. De girls hervatten hun bardienst. Het kwartet begon dan maar met muziek die zij gevieren konden brengen: "Have Thine own way, Lord". Wiesje en ik dronken staande ons gezamenlijke grote glas vruchtenwijn leeg, en gingen terug naar Aart en Yvonne.

Daar hadden de kinderen zich met hun verdriet boven teruggetrokken. In de huiskamer zaten de volwassenen op de driezits: Mina en Yvonne in elkaars armen in het midden, Bill en Aart met een arm om hun vrouw en met ietwat radeloos onderling oogcontact. Ik plofte neer op de fauteuil, met Wiesje op schoot. Achter ons kwamen Ab en Sophie binnen, streelden delen van de kluwen, en ploften op de tweezits.

De band tussen Mina en Yvonne had ik nog nooit zo sterk gevoeld als nu. Ik moest denken aan de schreeuwtherapie die ik zelf ooit geprobeerd had, maar dan wel heel onderdrukt (dus mislukt). Uiteindelijk keek Yvonne de kamer rond: "We moeten er even tussenuit, wij tweeën, wij vieren...", ze peilde Wiesje, en vervolgde: "... en jullie ook?" Wiesje knikte, terecht zonder mijn mening te vragen.

Sophie vroeg: "Waarheen wil je?" Yvonne sprak blijkbaar ook namens Mina: "Even helemaal onder ons zijn, even kunnen bekomen zonder te hoeven uitleggen, even helemaal weg!" Ze bloosde, en vulde aan: "Zelfs van de kinderen..." Sophie knikte begrijpend: "Op ons kun je rekenen voor de kroeg. Voor de kinderen vinden we vàst iets: Marie en Bob, of de boys..." Yvonne knikte dankbaar.

Sophie vervolgde: "Vrienden hebben een huisje in de bergen. Zal ik hen vragen of jullie erin kunnen voor een week?" Yvonne knikte, vermoeid dankbaar. Ab vroeg: "Hoe willen jullie reizen: zelf achter het stuur of juist niet?" Aart leek even te blozen: "Toevallig hadden we de auto net klaar. Die zou ik graag willen inwijden." Ab vervolgde: "Hebben jullie voldoende proviand, of moeten wij iets regelen?" Bill wisselde een blik met Mina, en meende: "We hebben waarschijnlijk genoeg, en anders stoppen we onderweg even." Hij keek Wiesje en mij aan, en opperde: "Als jullie nou óók wat meenemen, chocola en pleisters, berekend op insneeuwen, dan moet het lukken." Wiesje en ik hoorden de Stem in onze hoofden, oplevend: "Vergeet je muziekinstrumenten niet!"

Sophie belde haar vrienden, en bevond het huisje beschikbaar.

Auto

Na slechte nachtrust stonden Wiesje en ik met onze rugzakken die zaterdagochtend om zeven uur bij Aart en Yvonne voor de deur. Chots perkje was bedekt met een dichte laag grondmist. Wiesje en ik moeten dan altijd denken aan dat bosvijvertje (eigenlijk een ven, bedenk ik nu), zie Zeil 2 [geloof, sex]. We liepen naar de kroeg om wat muziekinstrumenten: Wiesjes accordeonnetje en een akoestische gitaar. Wij droegen ook Bills banjo en Mina's viool, zij hun weekendtassen.

Aart reed zijn auto tevoorschijn vanuit de schuur. Het bleek een Volkswagen busje, uit de eerste tijd met richtingaanwijzerlichten, psychedelisch geschilderd door Mina naar een ontwerp van Yvonne. (Zie bijvoorbeeld Wikipedia (Engels).) Drie banken voor zes mensen, Wiesje en ik kregen als niet-bestuurders de achterste toebedeeld. We stouwden onze spullen, namen warm afscheid van Sheila (die mee wilde), Dennis, Wouter en Maaike, en stapten in. Aart startte de motor, liep een controle-rondje om de auto, en nam achter het stuur plaats. WC? Paspoorten mee? We vertrokken.

Het werd stevig doorrijden, toen we eenmaal op de snelweg zaten. Het busje kon iets van 90 km/h, en dat reden we dus ook. Een genot! Aart had weldra inzicht in het brandstofverbruik, liet Bill steeds op een tablet computer een tankstation op zekere afstand plannen, niet aan de snelweg. Tweemaal deden we in Duitsland ook een supermarkt nabij zo'n tankstation aan.

Beurtelings hadden Aart en Yvonne danwel Bill en Mina twee uur de voorbank, en desgewenst wisselden rijder en bijrijder. Het stel op de middenbank hing dan wat tegen elkaar, huilend, zwijgend, slapend. Wiesje en ik voelden ons minder bezwaard. We hadden weldra ons slaaptekort ingehaald, en keken nu in allerlei houdingen naar buiten. Wiesje was eigenlijk amper in het buitenland geweest, en keek dus ook figuurlijk haar ogen uit. Ik had van ons Griekse spul een offertje klaargezet (gestouwd) achter ons, en dat leek zelfs de prestaties van de auto te baten. Zelf hielden we het op koffie.

Inslapen 2

Rond tien uur die avond bereikten we het chaletje aan het eind van een karrenspoor, hoog boven wolken die meestal de lichtjes van het dal verborgen. We ploften rond de keukentafel neer voor een kop soep en een slaapmutsje van Kees, betrokken de drie slaapkamertjes op de bovenverdieping, en werden weer van één reisgezelschap drie stellen. We lieten wel de kamerdeuren open.

Yvonne belde met Sophie, vervolgens met Sheila. Tijdens dat gesprek kwam ze bloot onze kamer binnen, en gaf de telefoon over aan Wiesje. Wiesje moest algauw glimlachen, en antwoordde Sheila: "Zolang je geen dingen doet die we je een volgende keer zouden verbieden, is het goed." Ik begreep de vraag, kreeg Yvonnes mobieltje van Wiesje, en vulde aan: "Hoi Sheila. Als je bij ons bent, denk dan ook even om een vers offertje, beneden of boven, en geef de wol..." Ik brak geschrokken af: koekjes voor wolven en penen voor paarden leken me zout in de wond voor wie treurt om het verlies van ezel en hond. Gelukkig zei Sheila: "Ik begrijp wat je wilt zeggen. Misschien is het een heel goed idee." Ik gaf met een afstandskusje voor Sheila de telefoon terug aan Yvonne. Wiesje riep "Kusje!", en Yvonne liep het gesprek afrondend terug naar haar kamer.

Sheila had een grote plaats in ons avondritueel. Ik had ons offertje uit de auto op een nachtkastje gezet. Daarvandaan verscheen Aphrodite op de rand van ons bed. Ze dronk ons toe met een nip uit het glas, en toonde geestdrift: "Wat lief, dat jullie de hele reis ook aan ons blijven denken. Weest gerust: we zullen over de kinderen waken." Ze verdween.

Voorts betoonde ik mij aangenaam verrast door het gemak waarmee Wiesje het verlies leek te dragen. Ze lachte kort en bitter, gaf me een likje op de neus, en meldde: "Ik heb zó vaak degene van wie ik op dat moment het meeste hield verloren, dat de dood van Chot en Google, hoe naar ook, me naar verhouding weinig doet. Ik heb nu alleen nog die ene grote onvermijdelijkheid..." Ze brak alsnog in tranen uit, en klemde zich aan mij vast. Het werd een van onze betere vrijpartijen.

Ontwaken 2

We begonnen dus aan een aangepast ochtendritueel, met dank aan een nachtspiegel en een lampetstel met koud water. Kamertemperatuur, maar dan met lichte nachtvorst aan de andere kant van het enkel-glas: een watjes-vorm van Winter 2 [geloof]. Voor ons doen dik gekleed gingen we onze neuzen achterna, de trap af naar de woonkeuken. Daar werden eieren en ham (of toch kaantjes, weten wij vegetariërs veel!) gebakken op een fornuis. Mina stond te bakken, Yvonne zocht en vond eetgerei, Bill zocht en vond beleg, en Aart stond in een zodanige houding bij dat fornuis, dat ik nadrukkelijk het Stoomlied begon te neuriën. Bij nader inzien was hij koffiewater aan het opschenken, maar hij tuurde intussen over de rechterrand van het fornuis alsof hij een stoomlocomotief bestuurde.

We wensten ieder met een knuffel goedemorgen, en gingen nieuwsgierig naar buiten. De regen ging dus bijna over in sneeuw. We gingen ijlings naar binnen, trokken snel onze regenjacks aan, en gingen weer naar buiten.

We zagen de bovenste haarspeldbochten van het karrenspoor, we zagen zowaar een stuk van de bodem van het dal, we zagen (al of nog) besneeuwde toppen boven ons. Om ons huis heen lag een keur van rotsblokken op een bedje van grassen en mossen. We zaten niet boven de boomgrens, maar we hadden zelfs geen struik binnen honderd meter om ons heen. Een begin van een beekje liep op tien meter van het huis, en vormde op dit terrasje een moerasje. Zelfs in dit jaargetijde leek dit mij een prachtig oord. We gingen weer naar binnen. De koffie was klaar.

Wiesje en ik zijn toch al geen ontbijters, de anderen aten met lange tanden. Het werd vooral koffiedrinken, wel gezellig uit één mok per stel. We konden erom grimlachen. Aart keek vooral Wiesje en mij aan bij een vermaning over de gevaren die loerden bij wandelingen in de bergen in dit jaargetijde. Inderdaad, wij wilden niet een week binnenzitten, maar ook Aart weet, dat wij gevaren mijden. Wiesje citeerde parmantig een Marokkaans gezegde dat ik ooit geleerd had: "De moskee waar jij dat geleerd hebt, heb ik helpen bouwen." Bill grijnsde breed, greep zijn tablet computer, en noteerde het "voor de conference". Yvonne verkoos een jij-bak boven haar verdriet, en vroeg zich af, in welke kledij Wiesje een moskee had helpen bouwen. Ik bespeurde de gelijkenis tussen de woorden haram en harem. Wiesje ervoer dat als voorzet, en scoorde: "Ik heb met andere vrouwen het vrouwendeel helpen voltooien, buiten het zicht van mannen. - Poeh, als Afra erbij was geweest..." (Ter herinnering: vóór de komst van Janneke was Afra nogal zoekende.)

Omhoog

Wiesje en ik wilden na dat ontbijt inderdaad eropuit. Warm en waterdicht gekleed, kleine rugzak mee, met zowaar ondermeer werkelijk chocola en pleisters (een allang zo plat cliché, dat het soms raakt aan raga berendesi, zie Schnabbel 2 [geloof, sex]). We wilden het stuk dal boven de hut verkennen, en hadden dat dus netjes gemeld. We kozen iets wat een zigzaggend paadje zou kunnen zijn.

Ik had toen meer overgewicht dan nu, en ik bleek enkele maanden later terecht te hebben beredeneerd dat ik bloedarmoede had (en teveel suiker in mijn bloed). Kortom, deze wandeling was geen Dokter Vogel huppel (zoals in Speedy [geloof, sex]), hoewel dit nu juist de geëigende omgeving was. (Ik had die huppel ontleend aan een foto van een stereotypisch gezin op een alm, mogelijk de voorplaat van Vogels boek "de Kleine dokter".)

Afgezien van de hoogte en de rotsgrond voelden we ons hier thuis: heide-anders. Wel was het kolken van de wolken verwarrend. Ik nam mijn oude analoge kompas in de hand. We klommen ongeveer zuidwaarts. Ongeveer tweehonderd meter hoger dan het chalet (dus best een eind gaans) vonden we een schuilhutje, een stenen tentje. We konden er net rechtop in zitten. Ik ging tegen de rugzak zitten, Wiesje op schoot, je kent dat onderhand van ons, maar we hielden onze regenkleding aan.

Eigenlijk wilden we liever elkaar aankijken, dus we begonnen langzaam te "ontzitten" ("opstaan" kon immers niet). Plots werd de toegang verduisterd door gesnuffel dat naar binnen wilde. Warempel - twee wolven, zo te zien gewone (niet onze geldwolven), maar ze gedroegen zich overeenkomstig. Wij ook: Wiesje liet hen aan zich ruiken, aaide hen, en beloofde: "Als wij naar buiten mogen, dan kunnen we jullie een koekje geven." De boodschap kwam onmiskenbaar over. Na Wiesje werkte ik mezelf naar voren, maakte kennis, en trok de rugzak bij. Gepiep van opwinding. Wiesje nam de rugzak aan, en graaide in het buitenvak. Ik kwam ook in de benen. Gehurkt gaven we elk aan elke wolf een koekje. Ze leken even te overleggen over een wederdienst. Wiesje wees naar het chalet: "We wonen deze week dáár." De reu gaf een proest van begrip.

Wiesje klom verder omhoog, bij gebreke aan zelfs maar de schijn van voortzetting van het pad dan maar rechtstandig. Ik beschreef haar het nut van paden met haarspeldbochten. We gingen nu met een "amplitude" van enkele tientallen meters en een geringe "golflengte" verder, Wiesje steeds boven mij, hand in hand, bij iedere haarspeldbocht een tedere wisseling van hand.

We gingen zitten op een stuk rots dat oogde als een bank zonder rugleuning, zelfs een bed. Zelfs de schuilhut was achter de helling verdwenen, maar als de wolken het toelieten was het uitzicht weidser. Ik voelde bij Wiesje verdriet opkomen. Ze liet mij op mijn rug op de rots liggen, en kwam op haar buik bovenop me liggen - wat in die schuilhut niet kon. Ze begon schokkend te huilen, met steeds dat riedeltje "Chot weg, Google weg, als jij gaat ben ik zo alléén..." Ja, die angst om ons leeftijdsverschil zit diep, zit haar hoog. Ik moet haar altijd gewoon laten begaan, haar intussen wel strelen. Dan wordt het besef van wat ze vreest te gaan missen eerst groter, maar neemt ook sneller weer af. En hoe zou ik mijn lief kunnen laten lijden zonder in te grijpen? Ik wil haar gelukkig hebben, knok-tik-zon!

Nu viel me opeens een gedachte in. Uiteindelijk durfde ik die te opperen: "Misschien... misschien zouden zij ons ook tegelijk laten gaan. Zij weten hoe het zit..." Wiesje overwoog het: "Ja... misschien... ja, misschien..." De wind leek haar geprevel in versterkte vorm tegen de hellingen te smijten. Ik moest opeens aan Ötzi denken, gestorven en bewaard gebleven verderop in deze bergketen. Wiesje voelde dat ik iets dacht, en wilde weten wat. Ik vertelde het, onverwijld maar aarzelend. Haar reactie was een mooie verbloeming van gevoelens: "Maar niet nu, anders hebben zij [ze wees in de richting van het chalet] ook hier een probleem: vijfduizend jaar zoeken..." Ze grimlachte: "Zul je zien, dat de wetenschap net na onze dood het eeuwige leven ontdekt." Ik zag er troost in: "Gelukkig ga jij mij nooit vervelen." Inderdaad, ik reageerde op vijfduizend jaar samen levend zoek zijn. Foutje! Ze vervolgde: "Hopelijk gaat die klimaatverandering door, en hoeven we later niet meer zo veel kleren aan. We hadden verdikke zelfs in die sneeuwjacht (Winter 2 [geloof, sex]) meer gelegenheid om te vrijen dan hier." Ik meende: "Toen bleven we meestentijds in de tent. Nu zijn we juist uit dat chalet weggegaan." Wiesje gaf me een likje over mijn neuspunt: "Dan gaan we nu terug."

Muziek

Halverwege de middag betraden we het chalet. Doornroosje: ze zaten nog net zo, wel iets behuilder. Aart vermande zich, en keek ons flets aan: "En, hoe was het daarboven?" Wiesje keek mij aan voor het antwoord. Ik meende: "In één woord: vertrouwd. Zo anders als het is." Mina keek ons nu ook aan, terwijl wij onze buitenkleding uittrokken: "Hebben jullie ook dieren gezien?" Wiesje greep mijn hand, en schoorvoette: "Wolven. Gewone. Ze lusten koekjes." Mina kreet. Zij en Yvonne hervielen in geluidloos geween. Aart keek alsof hij een technisch probleem zag ("Hoe krijg ik dit aangesloten op dat?"), en Bill leek te smachten naar influistering voor zoiets als de Gijsbrecht.

Gek genoeg bracht mij dat op een gedachte: "Zullen we muziek maken?" Wiesje keek me peinzend aan, terwijl de anderen in vijf frames van verontwaardiging naar hoop kleurden. Wiesje sleurde me de trap op om onze instrumenten en vervolgens die van de anderen. Ook Aart had een akoestische gitaar bij zich, Yvonne zowaar een oude Melodica. Wiesje kende dat instrument niet, wij beiden hadden Yvonne nog nooit muziek horen maken. Zowaar, er brak een glimlach door haar tranen. Ze zag en begreep onze verbazingen: "Ik heb dit ooit van mijn oma gekregen. Ik heb nooit gelegenheid gehad om iets met muziek te doen." Ze zette het ding (nog met dat korte rechte mondstuk en met de zwarte toetsjes naar links) aan de mond, blies, en probeerde enkele toetsjes. Wiesje had een Aha-Erlebnis.

Mina maande Yvonne: "Blijf nu eens op de witte toetsen." Yvonne vingerde onwennig. Aart controleerde de stemming van zijn gitaar, en probeerde met C- en G7-akkoorden Yvonnes tonen te harmoniseren. Ze keek hem aan met een blik die mij herinnerde aan de zekerheid die ik aan een zwembandje (gordeltje drijvertjes) ontleende toen ik voor het eerst in het diepe zwom. (Nog op de lagere school, dus voordat ik Mart leerde kennen, Wiesje!) Ze probeerde "Vader Jacob" vanaf de "g", hoorde Aart overgaan op doelbewuste G- en D7-akkoorden, en kwam tot haar verrukking foutloos uit. Dikke knuf van Aart, kus van Mina, die inmiddels de strijkstok van haar viool spande.

Yvonne begon overnieuw, Mina speelde unisono mee, Bill tokkelde op zijn banjo behoedzaam de bovenstem. Wiesje ontgrendelde haar accordeon, en begon in de herhaling met de rechterhand te spelen, een maat te laat. Ik begon op mijn gitaar monofoon een maat na haar, en voegde zodoende een derde partij aan de canon toe. We volgden de toename van Yvonnes zelfvertrouwen door steeds harder te gaan spelen en door opzettelijke verstorinkjes. Daarna gingen we het zingen: Yvonne met onderstem van Aart, een maat later Bill met bovenstem van Mina, nog een maat later ik met bovenstem van Wiesje. Na herhaald zingen rolden we per stel tegen elkaar van het lachen, betraand van het lachen zelfs. Verbijsterd keken we de kring rond. In die stilte vernamen we zachtjes de klokken van het kerkje in het gehucht halverwege de helling. Ik keek op een denkbeeldig polshorloge, en verwees naar de Franse tekst van ons lied: "Matines??? Vespers!" Wiesje nam de koffiekopjes in, spoelde ze om, en zette ze terug: "Wat willen jullie drinken? Wat hebben we eigenlijk?"

Schemeren

Even later stond ik koffie op te schenken. In die houding van Aart. Ik besefte het, en proestte. De stemming van de anderen was snel teruggevallen naar bijna nul, dus die proest bleef hangen als een misplaatste grap. Wiesje had de Melodica zitten onderzoeken. Ze keek naar mij op: "Iets leuks?" Ik meende van wel: "Ik vond Aart hier vanmorgen staan als een machinist op een stoomloc. Nu sta ik zelf hier, en ik zie zelfs een geel sein in de verte." Ik liet de spanning even oplopen, en hernam: "Het is de weerkaatsing van die lamp in de lak van die lambrizering, dat weet ik ook wel. Maar ik vind het grappig..." Ja, wat moest je daarop terugzeggen?

Het was een toch al donkere keuken, op het noorden, op een herfstmiddag. "Die lamp" was een sierlampje aan de muur naast de schouw dat blijkbaar ook als pottenkijker moest dienen. Boven de keukentafel hing een luchter uit drie geweihelften, met daarin dan wel gloeilampen van (schat ik) 75 W elk. Bij mijn ene oma hing zoiets boven de huiskamertafel. We schemerden verder bij het licht van die pottenkijker. Opeens moest ik denken aan dat donkere hoekje in de gelagkamer, de lol met dat teddybeertjes-slipje. Blijkbaar verried mijn ademhaling een leuke herinnering. Wiesje, op schoot, draaide haar hoofd een beetje: "Vertel!" Ik vertelde. Men zuchtte. Bill herinnerde zich: "Ja, dat was leuk. Ik had die avond trouwens kunnen volkletsen met avonturen van Google..." Hij en Mina omhelsden elkaar kreunend.

Wiesje sloeg aan: "Ik hoor iets bij de deur." Stilte. Ze stond langzaam op, trok mij mee, luisterde aan de buitendeur, duwde de klink behoedzaam neer, dan de deur open. Het was buiten al aardig afgekoeld. Het schijnsel van de pottenkijker weerkaatste in twee natte neuzen. Wiesje opende de deur gastvrij verder. De twee wolven van de schuilhut trippelden binnen, maakten in tegengestelde richting een kennismakingsrondje om de tafel, en gingen ongeveer onder de pottenkijker liggen, koppen op de voorpoten. Twee wolven in deze houding geleken Google in haar mand. Mina begon jammerend te huilen. Na enkele tellen stond één wolf op, steunde met de nagels van de voorpoten op het tafelblad, likte Mina in het gezicht, en ging weer liggen.

Yvonne meende: "Dit is niet normaal." Wiesje zette een bakje water bij de wolven, en gaf elk een koekje. Bill keek mij aan, voordat Wiesje mij weer aan zijn blik onttrok: "Dit is te toevallig. Dit houdt verband met toen. Maar hoe zit het dan?"

Ik wilde mijn mening geven, en besefte, dat Aart en Yvonne het begin waarschijnlijk niet wisten. Ik begon dus bij het begin, terwijl Wiesje dan maar van mijn schoot gleed en naast me ging zitten: "Hermes vroeg Wiesje en mij om meteen naar jullie privé te gaan. Daar vroeg hij ons vieren, of zij ons vertrouwen hadden dat ze het beste van een situatie maken. Dat vertrouwen gaven we. Toen leidde hij ons naar Chot, en vroeg ons om jullie naar buiten te halen." Aart en Yvonne knikten betraand en begrijpend.

Ik hernam: "Blijkbaar wisten zij, dat Chot en Google beiden ongeveer aan het begin van een lijdensweg stonden, en hebben ze jullie (ons) en die dieren dat lijden willen besparen door eh... euthanasie. En dan ook nog op een tijdstip dat ook de kinderen afscheid konden nemen, en dat jullie allevier gemist kunnen worden. En zij letten nu op de kinderen, en wellicht wilden ze met het zenden van deze wolven tonen, dat ze ook met ons begaan zijn. Trouwens, die muziekinstrumenten waren óók niet onze eigen inval. En we hèbben daarnet al even gelachen."

Terwijl de andere stellen bedachtzaam knikten, meende Wiesje: "Ik vind dieren ook gewoon leuk. En ik schijn er goed mee te kunnen praten, met of zonder hogere hulp. Des te beter, toch?" Haar woorden verstierven. Ze aarzelde licht, greep mijn neerhangende hand, en vervolgde: "Larie vroeg me, waarom ik niet zo verdrietig was. Ben ik heus wel, maar ik heb al zoveel erger verlies geleden (vriendjes van wie ik dacht dat ze de ware waren) en een zo groot verlies voor de boeg (omdat Larie zóveel ouder is), dat het verlies van déze twee lieverds voor mij slechts een bijkomstigheid is." Ze nam haar detective-houding aan: "Jullie gaan vast óók niet tegelijk dood, en van de kinderen mag je maar hopen dat ze... Ik bedoel: zo erg als dit is, het is niet de volle honderd procent van wat je een keer voor je kiezen krijgt." Ze aarzelde weer, kroop op schoot, en maakte zich klein. Weer die snelle overgang van Tiger on the tiles naar the Kitten that never grew up.

Mina peinsde: "Ja, het is hard, maar het is wèl zo." Aart stamelde: "Ja, dat is waar. Als ik weer terugdenk aan dat vuur, dat gegil..." Zonder Yvonne op schoot zou hij met zijn neus op tafel geklapt zijn, nu was het alsof de stoel onder Yvonne leegliep. Ze haastte zich om op te staan, legde zich op de vloer, en trok hem over zich heen. Niet voor sex, wel gelegenheid tot schreeuwtherapie. Maar Aart heeft een stevige muur rondom zijn verdriet opgetrokken, hij kan dat gevoel niet van zich af schreeuwen of huilen. Hij ging weer op de stoel zitten, en hees Yvonne weer op schoot.

Opeens zag ik Aart als de ketel van een stoomlocomotief: heet, onder hoge druk, maar beheerst. Ook degene, die het machtige kolenvuur in zo'n ketel bedwingt met degelijk ijzerwerk, die de hoge druk van de stoom weerstaat met volmaakt zittende pakkingen aan de flenzen van de stoomleidingen. Nu zag ik ook Bob zo, met de vage aanwijzingen van diens verdriet. Wiesje voelde weer dàt ik iets dacht, de anderen zágen het. Ik bekende: "Ik zag Aart opeens als ketel onder stoom, en moest daardoor ook aan Bob denken." Nu kreeg Aart aller ogen op zich. Die aarzelde: "We voelen ons verwant, soort vader en zoon, maar volgens mij zit zijn verdriet in iets anders, kleiner maar nabijer."

Wiesje had haar eigen gedachten: "Ik moet opeens aan Sheila denken. Zij heeft ongeveer mijn soort verdriet: het zoeken naar de ware. Ze neemt de liefdesband luchtiger dan ik, maar ze maakt zich zulke grote zorgen over de tijd die ze nog heeft voordat ze over zou blijven. Eigenlijk zou zij dus ook niet zó verdrietig moeten zijn als jij." Yvonne wikte: "Ja... je kon best gelijk hebben. Zij zou best al zo veel liefdesverdriet kunnen hebben geleden, dat dit voor haar veel minder dan honderd procent verdriet is."

We vervielen in gepeins. De wolven kwamen langzaam overeind. Ze leken rond te kijken naar een versnapering, en slenterden naar de deur. Wiesje bespeurde het verlangen, zocht ijlings waar ze de rol koekjes had gelegd, en gaf er elk een. Ik vulde het drinkbakje bij, en zette het voor hen neer, bij de buitendeur dus. De reu keek mij onder het slobberen aan met zo'n blik van een kaartspeler die achteraf de hele tijd al wist dat ik die laatste troef had. Vervolgens wilden ze echt naar buiten. Wiesje opende hen de deur, en wenste: "Tot ziens!" Opnieuw trof mij de oprechte hartelijkheid van haar toon, van de vanzelfsprekendheid waarmee zij tot (en met?) dieren spreekt. Uiteraard gaf ik haar een stevige knuffel van verdienste. Ze begreep de aanleiding, en glimlachte: "Gewóón...!"

Mina wilde daadkracht betonen en verstandig zijn: "Zullen we maar eens eten gaan koken?" Bijna eenstemmig "Hm. Moet maar." Wat hàdden we eigenlijk? Vooral weinig bederfelijks, en dan in Duitsland gekocht: appelen, aardappelen, eieren, salami, spitskool, spruitjes, oude kaas, pak halvarine. Voorts rijst, couscous, wat peulvruchten in blik en gedroogd, blikjes tomatenpuree. Aart en Yvonne bleken hun broodmachine mee te hebben met uiteraard de bestanddelen voor brood. (Ter herinnering: in Us Net hebben bijna alle huishoudens een broodmachine. Wij gebruiken de onze bij vlagen.)

Wiesje en ik hadden weinig levensmiddelen kunnen meenemen: voornamelijk de verse groente die we vrijdag afgehaald hadden, en die ons tot dinsdag had moeten reiken. Die hadden we dan maar meegenomen, en die moest dan maar met voorrang op. Daaronder zes komkommers, Zowaar twinkelden veler ogen. Wiesje onttrok (slechts) twee komkommers aan de gezamenlijke voorraad. Ik maakte voor de vorm bezwaar tegen deze grootmoed. Mina en Yvonne trachtten elkaar op te monteren door de overige vier nauwgezet in twee kavels van twee in te brengen, en die door het lot te laten toewijzen.

Het huis bleek in een bijkeuken een grote oude koelkast te hebben, bij aankomst leeg en met de stekker los. Dit was immers de zomerwoning van een gezin dat nu weer in het dal verbleef, in een huis met mooiere spullen, en met de koeien waarschijnlijk op stal. 's Zomers ging wellicht (denk ik zelf) eens in de week iemand omlaag, post van de mat halen, moestuin bijhouden, brandhout hakken (of kopen) voor dit fornuis, boodschappen doen, en dan weer omhoog. Voor Wiesje ging een wereld open, toen ik haar dit later in bed vertelde: in Us Net hebben we toch maar mooi gas - en we hebben nog nooit een meter-opnemer of een rekening gezien.

Mina en Yvonne gingen samen andijviestamppot maken. Ik ben in mijn eentje goed voor een hele krop, dus hadden we er twee gekocht, dus hadden we nu eenderde krop per persoon. Gemiddeld. Zij (vieren) namen er dan ook een gekookt ei bij, zodat Wiesje en ik ons weer bij Diana en Mart in Waterland waanden. Hmm, ook dit huis was dus donker, dus ergens met de aan ons (tweeën) vertrouwde sfeer. Onder het koken belde Bill met Ab. Alles thuis kits, maar ze misten ons.

Ook onder dat koken gingen Wiesje en ik het huis verkennen. Het had aan de dalzijde naast de keuken een zitkamer met (jawel!) een bankstel en een vrij grote beeldbuis-televisie, waarschijnlijk in de woning in het dal verdrongen door een nog grotere flat-screen. Met zes man was die kamer wel gevuld. Aan de bergzijde achter woonkeuken en zitkamer was genoemde bijkeuken, voorts een niet als windbestendig bedoelde berging, met daarin veel brandhout, wat tuingerei en mogelijk het wrak van een ooit bespannen wagen. Vanuit de keuken leidde een open trap naar de verdieping met aan een overloop de drie slaapkamers en een ouderwetse badkamer: geen douche, wel een vrijstaand metalen ligbad met stromend water dat warm was als het fornuis brandde. Koud water gooide je maar bij vanuit een emmer. Ook de plee in de hoek moest je doorspoelen met die emmer. De emmer kon je vullen aan een kraantje boven een afvoerroostertje naast de plee. Alle stromend water in dit huis kwam waarschijnlijk rechstreeks van de helling boven ons. (Later ontwaarden we op de helling een grote betonnen opvangbak: om droge tijden te overbruggen.) Wiesje en ik hadden de slaapkamer aan de bergzijde, een raam op het westen. Naast dat raam ook een deur naar de omgang, die hier op de berghelling aansloot.

We aten andijviestamp. Ik vond die lekker, en at uiteindelijk zowat mijn gewone hoeveelheid. Wiesje liet zich meeslepen, en at ongeveer de hare. Dat zegt niet echt iets over de eetlust van de anderen, want ik heb niets gezegd over de hoeveelheid aardappelen in de stamppot, maar ik zou er terwille van mijn lichaamsgewicht een voorbeeld aan hebben moeten nemen.

Na het eten wasten Wiesje en ik af, en zetten intussen koffie. Tijd voor de anderen om zich enkele meters buiten de voordeur te wagen. We ploften neer in die zitkamer, verkenden het aanbod van de televisie, maar zaten weldra stilletjes te zitten. Voor mijzelf lag het verdriet al achter de horizon, al voel ik het ook nu nog, en Wiesje leek zich daaraan op te trekken. (Ja lief, en andersom zou ik me erop afgetrokken hebben.) Ze betoonde zich vooral de vrouw die haar dagelijkse dosis lichamelijke aandacht nog niet binnenheeft. We wilden het bankstel niet bevlekken, en gingen dus maar naar bed.

We noodden de anderen mee voor een Grieks slaapmutsje. Op ons bed hebben we gezessen een kaartspel gedaan waarvan naam en regels me meteen weer ontschoten zijn. Geleidelijk gingen ondanks de enkel-glas kamertemperatuur steeds meer kledingstukken uit, en de drank geilde vooral Yvonne op. Nou, Aart kent zijn genoeglijke plicht, dus weldra zaten we met Bill en Mina te klaverjassen. Een vage herinnering aan onze eerste maanden in Us Net. Opvallend vaak maakte een stel het spel nèt: met 82-80 of zo. Het woord flinterdun hing als een ingestorte hemel boven de lits jumeaux. Lits jumeaux - wat een kwelling! (Ter herinnering: ik lig doorgaans in het midden, en Wiesje draait over mij heen mee naar mijn voorkant.)

Maandag

Maandagochtend (nog net...) stond de zon op doorbreken. We bezochten nu gezessen de schuilhut. In de verte zagen we overal fel gekleurde jacks tegen de bergwanden. We klommen door tot aan de sneeuw, maar toen had Yvonne zich hélemaal gegeven. Pleisters en chocola bleken welkome bagage.

De sfeer was veel beter. "Thuis" gingen we pannenkoeken bakken, en de herinneringen aan "Flinterdun" en "Week 52" waren niet van de lucht. Die avond hebben we heel gedreven in de zitkamer geklaverjast, Bill en Mina gescheiden tegen beide andere stellen. Moedig!

Dinsdag

Dinsdag leek een dag van buiten een beetje zon, maar toch vooral binnen rondhangen, een soort kentering (uitbodemen) in de sfeer. Mina had zich aan scones bakken gewaagd, en die nuttigden we bij de thee. We bespeurden binnen wel dat het donker werd, maar niet zozeer dat buiten de wolken tot mist werden.

We zaten in de keuken te schemeren, zwijgend bij gebrek aan openbaringen, en wegens de koude niet bloot. Plots werd op de buitendeur geklopt. "Herein!" noodde Bill gevat, en de deur ging open.

De wereld bleek klein: het waren Gerben en Jitske, deze week in een vergelijkbaar chalet één dal verder, maar al wandelend onbedoeld hier beland. Niet zozeer verdwaald, als wel te ver van huis om vóór het invallen van de duisternis naar hun chalet terug te keren. De aanblik van een hip beschilderd busje met zelfs een Nederlands nummerbord hadden ze als een vingerwijzing ervaren. Vanzelfsprekend konden ze meeëten en overnachten! Mina en Yvonne leken kracht te putten uit het samen koken, en maakten er iets moois van. Gerben en Jitske grepen de kans om nader met Wiesje en mij te praten, dus begonnen Aart en Bill dan maar over iets in de orde van "boutjes en moertjes".

Gerben en Jitske waren "gewoon" een weekje weg, eventjes onbereikbaar - vooral voor die ene ouderling, die Brilsmurf. Nu even alle aandacht voor elkaar, en alvast nadenken over de preken rond Kerstmis. Wiesje en ik deden de Laurel & Hardy: Bill dacht na over zijn Oudejaarsconference. Gerben nam zich voor, om aanstonds met Bill te gaan sparren. Maar eerst waren zij toch wel benieuwd naar de aanwezigheid hier van drie stel van die honkvaste Usnetters.

Ik veronderstelde terecht Chot en Google bekend, meldde dat die ons plotseling ontvallen waren, en dat de andere vier daarom even weg wilden, en dat ze ons mee hadden genood. Jitske miste de kinderen van Yvonne en Aart hier. Wiesje meldde, dat die ginds in goede handen waren. Ze zwegen ongelovig(!).

Ik vroeg naar Egbert en diens gezin. Gerben keek mij sluw aan: "Heeft het geholpen?" Ik verwees bevestigend naar Jan 2 [geloof, sex]. Gerben knikte, zijn vermoeden bevestigd: "Ze zijn Jantje niet vergeten, uiteraard niet, zeker niet, maar ze aanvaarden dat de Heer hem zo jong tot zich geroepen heeft." Mijn slotsom: "Dan hebben Bill en jij alvast één onderwerp..." Gerben knikte, en wendde zich tot Bill. Jitske was wel benieuwd naar de kinderen en de goede handen, en praaide Aart. Wiesje keek het even aan, en trok mij overeind, de kamer uit.

In de keuken viel weinig te helpen. Wiesje trok me de trap op, naar onze slaapkamer. Toen pan-getrommel ons aan tafel riep, wenste ik ook hier een traplift. Wiesje schamperde "Ouwe bok!", maar moest meteen getroost worden. Daarna leidde ik haar hoofs de trap af, een goede smoes om met mijn andere hand de trapleuning vast te houden. Mina glimlachte: "Valt niet op!" Geproest alom. Wiesje peilde Jitske, maar die keek weg. Ik moest denken aan de kennismaking met Hanna in Speedy [geloof, sex], de eerste keer dat ik naar die documentaire van Desmond Morris verwees. Wiesje had aan een half woord genoeg, en knikte. Yvonne bewees de juistheid van haar meedenken: "Krijgen zij huiswerk?" Jitske keek verschrikt naar Yvonne. Die tuitte sussend haar lippen. (Wiesje, ik heb het over de lippen die ik kon zien!)

De maaltijd was veelzijdig en heerlijk. Ik proefde dingen die ik niet in onze gezamenlijke bagage had gezien - en dan proefde ik slechts het vegetarische deel van dit maal. Het toppunt vond ik toch wel, dat er rijkelijk Griekse wijn bij vloeide. Wiesje en ik wasten weer af, terwijl de rest in de (onverwarmde) zitkamer plaatsnam. De koffie hadden we in de keuken genoten, dus in die zitkamer werd het nog meer Griekse wijn en ouzo. Achteraf op de schouw boven het niet-brandende haardvuur plaatsten we een vers offertje. (Wiesje en ik hebben inmiddels de twijfelachtige gewoonte om een "oud" offertje zelf te nuttigen.) Dankzij het schootzitten hadden we theoretisch zelfs nog een zitplaats over: midden op de driezits.

Gerben en Jitske bezaten de tweezits bank. Wiesje en ik zaten op de fauteuil, en Wiesje zat weer lekker uit te dagen. De voldoening over de maaltijd had blijkbaar de droefenis van Mina en Yvonne merendeels weggedrukt, dus lieten ze zich graag door Wiesje opjutten. Blijkbaar heeft Jitske ook van binnen iets van Wiesje weg, want voor iemand van haar (en mijn) leeftijd liet ze zich aardig gaan. Wiesje glom. Mina miste haar spreadsheet op een beamer, en struikelde in haar opleven over de score van Google (met de naamloze hond van de herdertjes). Van het ene kwam het andere, en even later kwamen ongeveer alle gezamenlijke bekenden ter sprake.

Gerben keek ons (Wiesje en mij) aan: "Jullie kennen Angela?" We knikten. Hij hernam: "Die heb ik toen met haar fiets in de auto naar huis gebracht: ze was na haar bezoek aan Egbert en Monica te aangeslagen. Sindsdien zien wij haar vaker in onze buurt. Ze lijkt wel een levende dode." We huiverden. "Zelfs de hond van die nieuwe herders is bang voor haar." Nieuw huiveren beperkte Mina's verdriet tot één uithaal.

Ik keek achter Wiesje vandaan Gerben aan: "Geloof jij, dat er méér is dan Schepping en Schepper?" Je zou zelfs een pluisje hebben kunnen horen vallen. Deed Jitske me aan tafel aan Hanna denken, nu deed Gerben me aan Rudy denken, bij diezelfde gelegenheid: dat hevige spartelen. Hij verslikte zich in een te grote slok ouzo, leek te voelen dat zijn gehoest opgevat leek te worden als bedenktijd, en peinsde: "... Nou... Laat ik het zó zeggen... Het zou veel verklaren..." Jitske keek bezorgd, hoe hij zijn borrelglaasje hervulde. Wiesje snelde naar de keuken om met een doekje de lak van het tafeltje te redden. Ze keek mij onderzoekend aan voordat ze weer op schoot kroop. Ik schudde bedachtzaam van nee: ik wilde het samenzijn niet nodeloos moeilijk maken. De andere schootzitters gingen er evenmin op door. Yvonne vroeg Mina's aandacht voor het (in mijn ogen kitsch) patroon van de gordijntjes.

Toch bleef ik zelf op gevaarlijk terrein: "Gerben, hoe zit dat nou eigenlijk? Jij hebt theologie gestudeerd, jij kent beter dan ik de tegenstrijdigheden in de Bijbel, maar je weerhoudt bijvoorbeeld Egbert niet van een geloof in de letter van het Woord." Nu nam Jitske een gevaarlijk grote teug wijn. Gerbens "rugkloppen" bevatte beslist een heimelijke liefkozing. Hij hernam: "Ik ben geen geschiedenisleraar: dit en dat is toen gebeurd. Ik ben iemand die gestudeerd heeft op hoe dingen gebeurd zouden kunnen zijn, en ik kan mensen van nu aan de hand van die verhalen uit dat Boek dat wij allen kennen, althans in huis hebben, voorstellen hoe ze met zekere omstandigheden om zouden kunnen gaan. Het ene verhaal kan een weg linksom bieden, een ander een weg rechtsom. Ik laat de mensen liefst de keus die hen het beste past." Zijn beurt voor een slok, wel een beheerste. Iedereen ontspande.

Allen vonden het mooi geweest. We stonden op, de zes schootzitters om naar boven te gaan , Gerben en Jitske om te zien, hoe ze hier zouden gaan slapen, hoogstwaarschijnlijk op de driezits. Daarbij viel Jitskes oog op het offertje: "Hee, wat is dit???" Vijf, even later zeven, paar ogen op mij gericht. We gingen weer zitten. Ik richtte me tot Gerben en Jitske, en Wiesje ging dwars onderuit op schoot zitten terwille van de zichtlijnen.

Ik wilde het kort houden: "Dat is een offer." Jitske was verbaasd: "Van wie? Voor wie?" Best. Ik hernam: "Wij zijn bevriend geraakt met de Griekse goden, van de Olympus. Maar inmiddels is dat uitgebreid met Jezus en Thor. Middels zulke offertjes betonen wij hen onze vriendschap."

Gerben bleef in zijn bedachtzaamheid voorbijgestreefd worden door de gevoelens van Jitske. Ze riep uit: "Jezus??? Maar... Hoe...?" Wiesje greep in: "Gewoon... Hij weet, dat hij altijd welkom is. Maar we kunnen hem ook vragen. Als vriend." Nu was Gerben eerder: "Je vraagt Hem of Hij komt?" Wiesje knikte: "Je moet wel een vraag voor hem hebben: hij heeft het stervensdruk." (Zit ik weer met dat liedje in mijn kop: Always look on the bright side of life...)

Gerben keek op met een krachtige beweging, als wilde hij die bluf dan wel eens onderbouwd zien. Wiesje vroeg kalm, maar volgens mij bezorgd: "Wou je hem iets vragen?" Gerben liet zich terugzakken: "Nee, laat ik niet met een dronken kop domme dingen gaan doen. Moet het wijn zijn, of mag het ook thee zijn?" Wiesje en ik dachten aan Kwartet [geloof, sex]. Ze zei: "Zelfs liever thee, denk ik."

Dat bleek het einde van de rondvraag. We namen alle servies, het offer inbegrepen, mee naar de keuken, en wensten Gerben en Jitske een goede nacht. Deur dicht. In de keuken zette Bill het offertje op een keukenkastje. Bij nader inzien namen we onze glazen en bakjes, karaf en voorraadpot en uiteindelijk ook het offertje mee naar boven, naar onze kamer. Het werd weer zo'n slaapmutsje als soms bij ons thuis, maar wegens de kou wel gekleed. De sfeer was nu boven nul.

We zaten eigenlijk vooral te zitten, zij het inmiddels met mannenhanden bij vrouwentepels. Opeens klonk een bescheiden klopje op onze open kamerdeur. Aan zijn glimlach herkenden Wiesje en ik Jezus. We maakten zo'n gastvrij zwaaigebaar dat zowel "Dit zijn onze vrienden: ..." als "Tast toe!" kon betekenen. Jezus bedankte tactvol voor drank en knabbels, en sprak: "Ik ben net beneden langsgeweest. Het is mij een eer om zulke dienaren te hebben. Ik weet jullie in goede handen. Tot ziens!" Hij verdween door de gesloten buitendeur. Opgewekt legden wij schootzitters ons te ruste. Oh ja, hik, avondritueel. (Begrijpend-lezen vraag: op wie slaat "goede handen"? Antwoord (in wit-op-wit): de Olympiërs.)

Woensdag

De geur van verse koffie lokte ons zes gastheren (m/v) onze bedden uit. Jitske stond aan het fornuis koffie op te schenken, en had tussen alle schenkbewegingen door huidcontact met Gerben. Die zat aan de keukentafel. In het licht van de pottenkijker leken de schakeringen van zijn houding en gelaatsuitdrukking op de veranderende regenbogen van een dun laagje olie op water dat langzaam door een vernauwing stroomt.

Toen Jitske zich naar de trap wendde en zich verontschuldigde voor de vrijpostigheid, pendelde haar gelaatsuitdrukking tussen slaapgebrek en onthutsing.

In dergelijke gevallen (van "Wie begint waarover het gesprek?") is Wiesje de onovertroffen ijsbreker. Ze wenste Jitske en Gerben met een knuffel goedemorgen, deed mij en de anderen aldus haar voorbeeld volgen, wees mij de stoel naast Gerben, ging zonder klefheid op schoot zitten, keek zo te zien beurtelings Jitske en Gerben aan, en meldde: "Hij is trots op jullie."

Gerben hapte naar adem: "Het... het... het is... onbeschrijfelijk...!" Wiesje knikte: "Uiteraard. Dan is slapen moeilijk, hè! Lief, dat jullie ook voor ons koffie hebben gezet!" Jitske zette zich op Gerbens schoot, zo te zien vooral uit moeheid. Mina nam het opschenken over, Yvonne zette de kopjes klaar. Eerst acht ietwat grove mokken, toen in een opwelling ook een fijn kopje. Mina schonk dat kopje als eerste vol, zette het weg als offertje, en verdeelde de koffie over de mokken. Die raakten hoogstens halfvol. Yvonne lachte: "Dan zetten we gewoon bij!"

Niemand had trek in ontbijt, en het gesprek was weinig meer dan een "asjemenou.." dat bovendien meer in de lucht hing dan door Gerben werd uitgesproken.

De zon klom over de rand van de helling, voelden we. Het moest dus al een eind in de ochtend zijn. Aart keek Gerben aan: "En nu?" Jitske zuchtte diep. Gerben antwoordde: "We moeten gaan, we willen gaan. Maar we voelen ons krachteloos. Lichamelijk krachteloos, ofschoon we ons geestelijk juist gesterkt weten."

Wiesje hield haar hoofd een beetje schuin. Dat is niet de detective-houding, maar wel een teken dat zij een oplossing klaar heeft. Ze gleed van mijn schoot, verdween doelbewust naar boven, en was enkele tellen later weer beneden met een bos penen. Ze schonk mij een vluchtige "ja, inderdaad" blik, schoot haar jack aan, en glipte naar buiten. We hoorden haar iets roepen. De anderen keken mij vragend aan. Ik wist het inmiddels: "Gerben, Jitske, maak je klaar voor vertrek: Wiesje heeft vervoer." Verbijsterd gaven ze gehoor.

Wiesje kwam weer binnen, zag Jitske de trap af komen en naar haar jas koersen, en zei: "Goed zo!" Ze keek Mina en Yvonne aan, en zei zacht: "Misschien kunnen jullie beter niet kijken." Ook Gerben kwam weer beneden, en trok zijn jas aan. Met een houding van "Het zal wel goed zijn, maar ik begrijp er niets van!" namen Jitske en hij vlug afscheid. Ook ik trok mijn jas aan, en glipte na hen naar buiten.

Voor de deur stond Wiesje, met over elke schouder het hoofd van een klein paard of een grote pony. Van die donkerbruine met lange lichtbruine manen. Wiesje stelde Gerben en Jitske aan de paarden voor, en vroeg, ondersteund door een armgebaar: "Willen jullie hen naar huis brengen? Ze zijn moe!" De paarden snoven, keken elkaar even aan, en knikten. Wiesje en ik namen afscheid van Gerben en Jitske, hielpen hen te paard, en namen dankbaar afscheid van de paarden. Die briesten ingehouden, en zigzagden gestadig de helling op. Wiesje en ik zwaaiden nog eens, ik gaf Wiesje een knuffel van verdienste, en we glipten weer naar binnen.

Yvonne lachte betraand naar Wiesje: "Ik weet het: paarden. Waar heb jij die nou weer vandaan?" Wiesje gaf haar van achteren een knuffel die mij opwond, betastte mijn kruis voordat ze erop ging zitten, en verklaarde losjes: "Gewoon! Ik heb geroepen, en deze twee kwamen. Volgens mij waren ze al in de buurt." Aart vermande zich, en vroeg nieuwsgierig: "Trojaanse?" Wiesje schudde: "Nee, van die halfhoge. Zo groot als ..." Ze brak blozend af, en maakte zich klein.

Toch overheerste een gevoel van opluchting of voldaanheid. We gingen gezessen naar de schuilhut, speelden er loom met een frisbee totdat de zon achter de bergrug verdween, en besloten aan tafel dat we vrijdag al terug zouden rijden. Bill meldde dat aan Ab. We besloten voorts, dat we donderdag zouden proberen om de top van de berg (de naaste top in de bergrug) zouden trachten te beklimmen. Vroeg naar bed, maar eigenlijk waren we ook al vroeg opgestaan.

Donderdag

De wekker van Aart en Yvonne wekte allen. Tijd voor de (ietwat) verschillende vormen van ochtendritueel, koffie drinken en intussen brood smeren. Nog vóór zonsopgang (die wij niet konden zien) waren we op pad. Al vrij spoedig in de mist, later ook in de sneeuw, en omstreeks twee uur bij het kruis dat blijkbaar de top aangaf. Zicht hoogstens honderd meter, doordringende koude. We haastten ons terug, uiteindelijk blij met onze hoofdlampjes. We aten rijst en witte bonen in tomatensaus, en pakten onder het koken danwel afwassen alvast zoveel mogelijk in.

Na het eten gingen we klaverjassen: Aart, Bill, Mina met Yvonne, Wiesje en ik. Aart en Bill hielden zich merkbaar in met alcohol.

Vrijdag

We begonnen zoals donderdag. Daarna gingen Wiesje en ik naar buiten, nog in het donker. Ze riep de paarden, had die bijna terstond bij zich, en gaf ze opnieuw penen. Nu had ik ook suikerklontjes. Prachtig! Wiesje vroeg, of Gerben en Jitske goed thuisgekomen waren. De bries en het sprongetje waren eenduidig: "Wat dacht je dán!" Knuffel, weg paarden. Wiesje riep de wolven. Die kwamen ook niet van ver! Bedankt voor de koekjes, tot genoegen, tot ziens! Binnen kreeg Wiesje nu zelfs glimlachende knuffels. Het leed was geleden!

We stouwden onze spullen in het busje, Aart keek na ons of alles was afgesloten (deuren, ramen, gas, electriciteit, water), liet mij (als minst slecht Duits spreker) de eigenaar van het chalet bellen om te bedanken voor de (vooraf betaalde) gastvrijheid en om ons vertrek te melden, en deed ons instappen. In de ochtendschemer zakte het busje de berg af.

Er hoefde niets gekocht te worden dan benzine, dus we joegen voort. Aart leek node na twee uur het stuur over te dragen, maar Bill en Mina deelden hùn wacht. Alweer tegen tien uur 's avonds bereikten we Us Net. Uitladen, auto de schuur in, iedereen met "Tot zo!" naar huis.

Wiesje en ik vonden ons huis, onze slaapkamer bewoond door Sheila (klaarwakker) en Maaike (bereid om wakker te worden). Trio met Sheila, met meer belangstelling dan misprijzen van Maaike. Gevieren gingen we naar de kroeg.

In de kroeg was het druk. Steel Strings deed een set zonder Aart, maar met de boys, Herman als Jimi. Het klonk goed! Na alle begroetingen deed Steel Strings ook een set gewoon met Aart en zonder de boys. Daarna deed Our Country twee sets. Wiesje en ik zaten met Sheila, Maaike en de jaffa's vooraan, te rozig om te keten.

Na genoemde sets hield het op. Toen kwam Yvonne naar voren met haar Melodica. Zoveelstemmig zal "Vader Jacob" zelden geklonken hebben. Toen de muzikale koek bijna op was, deed Maaike zichzelf (van vroeger) na, en brulde: "Wat doen jullie nou?" De tientallen nog aanwezigen sloegen dubbel van de slappe lach. Toen het gebulder bijna was weggeëbd, keek Maaike mij aan, en verklaarde ingehouden: "Ach ja, ik word ouder, hè..." Op weg naar huis leunde ik zwaar en nahikkend op Wiesje.

Sheila heeft zelf het volgende verhaal geschreven over deze dagen zonder ons.

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).