Laatste wijziging: 2010-06-13 (technisch), 2009-05-23 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Wiesje: "Heide 2"

Inleiding - Erheen - Ontmoeting - Terug

Inleiding

Sheila was op de leeftijd gekomen, dat het Witte Paard desnoods een ezel mocht zijn, maar dat het verlangen naar een Prins erop begon te groeien. Ze toonde dus steeds meer belangstelling voor goeie ouwe Chot, die uiteraard geen bezwaar had tegen woordjes, klontjes en roskammen. Ze wilde zelfs met hem de heide op.

Dat kon Yvonne zich best voorstellen, maar ze zag wat beren op de weg, vooral bijtjes die dit bloempje zouden willen steken. Maar als ik meeging, dan mocht het - bij daglicht. Slim bekeken, want ten eerste trekken dan alle bijen (darren, bedoel ik) naar mij toe, en ten tweede had ik ongetwijfeld Larie bij me. (Larie zit steeds mee te lezen, vandaar zijn woordkeus.)

Erheen

Dus daar gingen we dan, op een zondagmiddag eind januari of zo, in een zachte winter. Sheila in rijkleding op Chot, Larie en ik in regenkleding ernaast. Jawel, met mijn rugzakje vol "chocola en pleisters". (Zie Winter.)

Ik liet Sheila de weg kiezen, maar Larie had algauw door, dat ik haar eigenlijk mijn wil oplegde, en dat ik onbewust (echt waar, Larie!) naar dat zeil toe ging. (Zie Schaapjes [sex].) We keken elkaar aan, we keken naar de wolken, we keken elkaar aan. Nog net geen Laurel en Hardy.

We waren misschien tweehonderd meter van haar huis, toen Sheila zich al afvroeg, waar we zouden kunnen schuilen. Larie draaide zich af, en beet in zijn hand om een proest te verbergen. Ik zei, dat we er misschien verstandig aan deden om steeds bij een bos in de buurt te blijven. Sheila zag weinig beschutting in een groepje kale berken. Ik zei, dat dat best mee kon vallen.

Larie verslikte zich. Ik liet hem een reep chocola uit mijn rugzak halen. Sheila had daar wel trek in, maar Larie hoefde nog niet. Hij snapte niet, dat ik hem de mond wilde snoeren! Dus toen liep ik te proesten, met een mond vol chocola. Hij plaagde: "Wat heb jij erin?"

De hei zoog ontzettend aan je voeten, dus voor Chot was het ook zwaar. We zouden dat zeil niet eens kunnen halen en toch weer voor donker thuiskomen. Zouden er mr zeiltjes in bosjes liggen?

Sheila vond het inmiddels best mooi: zij was nu eens de jongste in het gezelschap (zonder haar broertjes en zusje), ze reed prinsheerlijk op een toch wel lieve ezel, en ze had een jonge "tante" en een oude "oom" als voetvolk, compleet met chocola. Als het nu maar niet...

Maar het ging wl regenen, en de rugwind werd sterker. We liepen langs een bosje dat dichter leek dan de rest, en dus misschien beschutting bood. Larie en mij kon de regen niet zoveel schelen (eigenlijk verlangde ik naar dat zeil, met alleen hem bij me), maar Sheila's kleding was er bepaald niet op berekend. We liepen dus naar de achterkant (lijzijde) van het bosje. Chot werd onrustig, oren achteruit.

Ontmoeting

We stonden amper min of meer tegen de bomenrand aan, toen bleek dat we niet de enigen waren. Ik hoorde een zacht geknars - jawel, daar stonden we zowat tegen twee Trojaanse paarden aan! Een merrie en een kanjer van een hengst. De hengst had de oren naar achteren, en ontblootte zijn tanden. De merrie snoof, rook speciaal aan mij, en hinnikte groetend.

Opeens herkende ik haar: de nachtmerrie uit Paard! Ik zei haar gedag, en streelde haar over de houten neus. Ik kreeg weer zo'n lik. Ik vroeg haar, hoe het nu met de kleine was. Ze richtte zich op, en hinnikte roepend. Om de hoek van het bosje verscheen "mijn" paard! Inmiddels bijna zo groot als moeder, en blij me te zien.

De hengst, die Larie had herkend als die van Ab uit Heide 1, begreep dat wij goed volk waren, en snoof belangstellend aan ons.

Larie moet een voorgevoel hebben gehad. Hij had klontjes paraat, en had zelfs een paar winterpenen in zijn rugzak. Je zg gewoon hoe de paarden ons (mensen en ezel) in hun geheugen opsloegen als vrienden. Chot leek het wel interessant te vinden, zulke grote vrienden.

Ik voelde nog even aan de voorpoot van het veulen, en kreeg een lik over mijn oor. Alles in orde, en bedankt voor de belangstelling!

Sheila was afgestegen, en mocht ook een rondje klontjes geven. Ze kreeg een stevige lik van de hengst, en viel bijna om. Ik meende een lach in zijn gehinnik te horen.

Hij ging door de knien. Larie hielp Sheila voorzichtig op zijn rug. De hengst kwam behoedzaam overeind, liep een klein rondje, en liet Sheila weer van zijn rug halen.

De paarden namen afscheid, en liepen de hei op, met de wind mee. Wij (mensen en ezel) keken elkaar verbluft aan. Toen hielp Larie Sheila weer opstijgen. We liepen met een boogje terug naar Sheila's huis, Larie en ik stevig hand in hand.

Terug

Chot leek veranderd, alsof de paarden hem hadden verteld dat hij goed was zoals hij was. Sheila hoefde hem niks te zeggen, hij wilde haar zelf netjes afleveren.

We waren net op tijd terug. Yvonne kwam benieuwd naar buiten. Sheila was als in een roes Chot aan het aftuigen en roskammen. Larie greep zijn mobieltje. Even later zagen we binnen op een computerscherm een best wel geslaagde foto van kleine Sheila op het grote Trojaanse Paard. Aart riep Ab erbij. Die keek Larie aan, en knikte herkennend.

Na een kop thee liep Ab met ons mee naar de kroeg. Bill zette verbluft de foto op de beamer, en riep Mina. Die keek verbaasd naar het voorwerp van haar schilderij (zie Heide 1).

Ze keek van de foto naar Larie, en mompelde "Hij gelooft in zijn eigen verzinsels". (Zie Begin.) Er trok een wolk over Laries gezicht, maar hij gaf ons vijven een rondje. Zodra hij zijn glas leeg had trok ik hem mee, en citeerde Mina's daaropvolgende woorden: "En als je ziet, hoe deze twee aan elkaar klitten... "

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).