Laatste wijziging: 2022-06-25 (technisch), 2016-01-26 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Wiesje: "Paarden wagen"

[geloof, sex]

Boot - Polder 1 - Heide - Te paard - Bij Botje - Polder 2 - Bij Thor - Einde

Boot

Dat mooie weer lag achter ons. We hadden nu storm na storm, en regen na regen. Vorige herfst waren we veel bij de jaffa’s, na die narigheid van Himmelhoch betrübt [geloof]. (Ook Larie en ik denken nog vaak met warmte terug aan Chot en Google.) Nu waren Larie en ik weer meer op onszelf. Enerzijds veel in bed, anderzijds veel buiten. “Logeren bij Botje” bijvoorbeeld.

Larie heeft een bijzonder trekje: bij herfststormen verlangt hij naar zee. Niet naar een zonnig strand, maar naar een zeeschip dat stormen en huizenhoge golven trotseert voor de Schotse noord- en westkust.

Op een dinsdagochtend waren we onderweg naar Sophie en Ab voor onze boodschappen. Op de Bittenbrug stopten we. De storm woei bijna in de lengterichting van het kanaal. De “Ha-Ru 2” lag nog aan de loswal, en Ab was nog niet klaar met het wegrijden van de volle containers.

Ik zag Larie verlangend staren. Ik kneep in zijn hand: Rudy vragen? Hij knikte, dromerig en blij verrast tegelijk. We onderschepten Rudy, toen die van de kroeg naar zijn schip liep.

Knuffels, uiteraard, en ik vroeg hem, of we tot het eind van het kanaal mochten meevaren. Hij aarzelde. Ik noemde Laries heimwee. Rudy keek hem aan, glimlachte, en stemde toe, maar maande ons tot voortmaken.

Larie en ik hadden aan één wederzijdse blik genoeg. Hij beende met onze tassen en vuilniszak door naar Sopie en Ab, ik haastte me terug naar huis om spullen voor onderweg te verzamelen, waaronder uiteraard chocola en pleisters. We zouden terug lopen, en de kortste weg (over de dijk, misschien even bij Marie en Bob aan) spreekt bij ons niet vanzelf.

Weldra kwam Larie aangesloft met de boodschappen. Een kilometer snelsjouwen, hè! Geen diepvries, geen tijd voor die andere diepvries, wel spul voor in de koelkast. Even overleggen. Ah, ook hij voelde wel voor een omweg. Tentje ook mee, dus elk een rugzak. Is routine, alles ligt voor het grijpen. Alleen even water en bederflijke waar toevoegen.

Rudy leek verrast door de snelheid van onze komst. Maar hij had al nagedacht: “Luister. Dit stukje door het kanaal is uiteraard niets, vergeleken bij storm op de Atlantische Oceaan. Maar helemaal gevaarloos wordt het óók niet. Aan dek heb je een zwemvest aan, en in de stuurhut wordt het dan te vol. En steeds de deur open en dicht kan ik niet hebben. Zeker niet met dit weer. Dus ik laat jullie kiezen. Je bent of binnen zonder zwemvest of buiten met een zwemvest. Onderweg mag je één keer veranderen. Namelijk als we bij Bob zijn. Ik heb zijn boodschappen nu mee: dat scheelt hem veel moeite en brandstof. Dus… waar beginnen jullie?”

Zo streng kenden we Rudy niet, maar we begrepen zijn punt. Larie liet mij de keuze. Ik overwoog: “De golven zullen aan deze kant wel het hoogst zijn, dus als we buiten beginnen, dan heb jij wat het meeste lijkt op wat je mist.” Dat oogstte mij een knuffel van verdienste van Larie, maar ik zag ook een waarderend lichtje in Rudy’s blik.

Rudy reikte ons zwemvesten aan, en vond een plaatsje voor onze rugzakken. Vervolgens pakte hij twee stevige lijnen (yes!) die je enerzijds aan die zwemvesten kon vastmaken en anderzijds aan relingen of ogen van de boot. Larie vond een half-passende rechtvaardiging: “Beter te hard geblazen dan de mond gebrand.”

We maakten ons vast bij de bolder bakboord (yes!) vóór. (Ter herinnering: dit schip heeft de stuurhut aan de voorkant.) Rudy keek de bevestiging eventjes grondig na, startte de motor, gooide achter en vóór los, en gaf gas. We hadden een beetje beschut gelegen. Nu kregen we (ja ja!) meteen de wind van voren. Net niet recht van voren, dus Rudy moest voortdurend een beetje bakboord sturen om ons rechtdoor te laten gaan, en het scheepje ging weldra eh… behalve stampen ook rollen. (Larie kent die termen, en ik leer ze.)

Het was maar goed, dat we onze regenkleding droegen: we kregen vaak bàkken water over ons heen. Ook die lijnen waren niet overbodig. De zwemvesten achteraf wèl, gelukkig.

Larie genoot: dit leek tenminste een beetje op echt varen, veel meer dan zelfs die tocht naar Amsterdam [sex]. Ik was echt blij dat ik dit bedacht had, en hij is me er nog steeds dankbaar voor!

We schoten niet echt op, ook al gaf Rudy vol gas. Niks Speedy! Toch viel het mee, want na ruim een uur legden we aan bij VCR. Even zwaaien naar Marie en Bob, maar ze kwamen niet aan boord. Rudy kwam ons vragen wat we wilden. Larie wilde buiten blijven, ikzelf inmiddels ook. Er zal wel een verband zijn tussen mijn zeiltjesgekte (samen buiten overnachten tijdens storm of onweer) en zijn verlangen naar de open zee, maar ik heb het nog niet gevonden.

Rudy leek het best te vinden. Hij liet zich meteen van ons weg blazen, maakte achter los, worstelde zich naar voren, maakte ook daar los, en haastte zich de stuurhut in.

We kwamen de luwte van de duwbak met aan boord de "Louis XIV" uit. Meteen greep de wind de boeg van ons bootje, en wilde ons dwars leggen. Rudy gebruikte de boegschroef, voelden we, en wel heel behoedzaam. Teveel naar bakboord zou ons alsnog dwars leggen, teveel naar stuurboord (yes!) zou ons tegen die duwbak drukken. Nou ja, we hadden aan weerszijden autobanden hangen.

Larie volgde de manoeuvre aandachtig. Hij stak een duim op naar Rudy toen we weer op koers lagen, besefte dat hij mij al die minuten helemaal genegeerd had, en haalde me alsnog aan. Later heeft Hanna me verteld, dat Rudy echt ontroerd was door dat gebaar. Eerlijk gezegd had ik zelf óók de manoeuvre gevolgd, en had pas door Laries knuffel gemerkt dat we even geen eenheid waren geweest. Larie had mijn afwezigheid uiteraard al bespeurd bij dat armgebaar. In zulke gevallen is hij altijd opgelucht dat hij niet tekort is geschoten. Zo klef zijn wij nu eenmaal.

Sinds ons avondritueel van die dag noemen wij zo’n ogenblik van elkaar even uit de gedachten hebben een boegschroef. Dat woord is inmiddels een eigen leven gaan leiden als vraag om aandacht, zo als sommigen zeggen “Ben ik in beeld?” Het antwoord op die vraag is uiteraard een knuffel, maar we mogen er graag een woordje bij zeggen ter verontschuldiging. Bijvoorbeeld “raga berendesi”, “boutjes en moertjes”, of een vondst die bij dat moment past.

Afijn, na weer ruim een uur uitwaaien bereikten we dan toch het eind van het kanaal, de “mond" zegt Larie. De storm gierde hier ongeremd over de breedte van het grote kanaal en over de polderdijk aan de overkant. Rudy liet het schip behoedzaam tegen de wal blazen, maakte vóór vast, en na een korte aarzeling ook achter.

Voorzichtig maakten Larie en ik onze lijnen los, gingen de stuurhut in, en deden de zwemvesten af. Rudy pakte onze bagage. Bij gebrek aan beter haalde ik twee repen chocola uit mijn rugzak, en gaf hem die als dank. Rudy kende sommige van onze uitdrukkingen al, en moest best hard lachen toen Larie toelichtte, dat we de pleisters voor onszelf hielden. Knuffels, en we sprongen behoedzaam de wal op. Hand in hand keken we toe, hoe Rudy losmaakte en wegvoer.

Polder 1

We gingen eerst maar eens de dijk over naar de luwte. Niet dat dat veel uitmaakte. Eerst maar even in het gras liggen, in de regen, in onze regenpakken, ik bovenop Larie. Oh, we hebben echt overwogen om daar even ons tentje op te zetten en daarin te gaan vrijen. Maar ik vond deze storm niet eh… spannend genoeg.

We kozen een route. Nou ja, Larie heeft vaker wensen of voorstellen voor routes, en ik breng dan soms plekjes in. De verre weide is een verwilderde polder, minder verwilderd dan de rimboe aan de overkant. Larie denkt dan in de namen die de polderwegen gehad zouden kunnen hebben. Zo stelde hij nu voor: langs de dijk van het grote kanaal naar de Zuiderweg, die volgen tot de Westerweg, die volgen tot de Hoofdvaart, en dan die volgen tot het sluisje in de dijk van onze rimboe, daar opnieuw kijken. Mij best. We leegden de blazen, en gingen.

Ik wilde eerst schrijven “We leegden gezellig de blazen”. We droegen regenpakken en kaplaarzen. Dat was voor Larie onder zijn regenbroek grabbelen naar de gulp van zijn spijkerbroek, achter die gulp graaien naar zijn string, en daarachter graaien naar mijn speeltje. Het was voor mij proberen om regenbroek, spijkerbroek en string zo ver neer te stropen op die laarzen, dat ik voldoende ruimte zou hebben om te hurken. Noem dat maar gezellig! Inmiddels zijn we andere dingen aan het oefenen: dat ik dan in Laries armen hang te plassen, of dat hij behoedzaam een rietje in mijn plasgaatje wriemelt, zo dat ik als een man kan richten. Maar zelfs bij een halfvolle blaas gaat er al veel buitenlangs. Het is wèl opwindend.

We gingen dus. Aan de voet van de dijk was de grond uiteraard kletsnat, maar we konden er lopen zonder weg te zakken. Het viel ons niet meteen op, en toen we later op die wegen (van overwoekerd puin, dus van vóór het asfalt) liepen uiteraard al helemaal niet. We beseften het láter.

Op de betreffende kruising vonden we inderdaad een scheefgezakte paal met straatnaambordjes “Westerweg" en “Hoofdvaart”. Knuffel van verdienste voor Larie.

Ja, nogmaals, wij zijn nu eenmaal klef met elkaar. Vroeger zou ik gegriezeld hebben van een man die zo klef doet (en ook bij de gedachte aan “gezellig plassen”). Maar alle kans is het die zelfbevestiging, die maakt dat ik met Larie bij de hand alles durf. Die bus vol voetballers is nog steeds ons vaste voorbeeld, al is het niet het beste. Omgekeerd heeft Larie knuffels nog veel harder nodig dan ik. Heel grof en overdreven gezegd ervaar ik iedere knuffel van verdienste zijnerzijds als een aanmaning om minstens een gelegenheid te zoeken om hem er een terug te geven.

Ook die Hoofdvaart herinnerde Larie aan de Haarlemmermeer (net zoals die Machinetocht en Hoofddorp aan de andere kant van het Televisiekanaal). Allebei worden we kriegelig van die weidse rechtlijnigheid, maar vinden we voldoening in hoe de natuur het gebied herovert. Deze Hoofdvaart was al meer een rietkraag tussen twee puinwegen met elk twee rijen bomen dan een vaarweg.

Deze hoofdvaart had een dwarsvaart, met daarlangs dus een "Kruisweg". Op die kruising van Hoofd- en Kruisvaart lag dus weer een “hoofddorp”. Larie verzon ter onderscheiding de naam “Middendorp”. Geen originele naam natuurlijk, maar misschien wel de oorspronkelijke. Tenslotte is dit geen topografisch Repelsteeltje. Ook dit dorp was eerder een groepje sporen van bebouwing.

We vonden de vloer van een kroeg, met een luik achter de verdwenen tap. Larie kreeg het open, en nieuwsgierig daalden we de kelder in. Larie liet het luik voorzichtig boven zich dichtvallen. Uiteraard was de kelder donker, maar wij hebben nu eenmaal altijd hoofdlampjes bij de hand. Er stonden plassen op de vloer. In deze ruimte slingerden nog wat spullen die het verhuizen niet waard waren. Het pronkstuk daarvan was een pluchen driezitsbank.

We schoven twee kratten bij, legden er een plank op, en hadden een salontafel. Daarop legden we onze rugzakken neer. We gingen op de bank zitten, maar onderbraken onze tongzoen weldra om onze kleren uit te trekken en op die salontafel te gooien, dat gooien behalve onze laarzen natuurlijk. Voor hoofdlampjes hebben wij een (Larie is allergisch voor dat woord) protocol. Ze gaan uit, ze gaan af, maar ze blijven bij de hand. Licht hebben wij niet nodig voor een vrijpartij.

Net zo als onweer maakte deze ruimte mij opgewonden. Larie had dus een makkie aan mijn himalaya, en daarna was zijn sur place een vluggerdje. De kou bekortte ons naspel. We kleedden ons weldra weer aan, en namen de rugzakken op. Larie bespeurde in een hoek een waterkraantje boven een rooster. Er stond zowaar druk op het water, en de afvoer onder het rooster liep door. We vonden zelfs achter een verdwenen deur een WC met fonteintje. Ook die werkten naar behoren. We knepen elkaar in de hand: weer een steunpunt (zoals Larie dat noemt) erbij!

Buiten was het inmiddels bijna donker. Donkere dagen voor Kerstmis, hè… We overlegden, bijna zonder woorden: in de kelder overnachten, hier ons tentje opzetten, of in het donker doorlopen naar bijvoorbeeld Botje (of desnoods Marie en Bob)?

Het werd Botje: we waren eigenlijk pas kort op weg, we hadden de wind in de rug, de polder leek voorspelbaar, en we hadden wel zin in die plek. Zonder verrassingen bereikten we het dijkje, daarna de afslag naar Botje.

Daar bleven we staan, want ik voelde iets. Ik werd geroepen. Vanaf de hei. Aan Larie hoef ik dan niets uit te leggen. We liepen het dijkje af naar de spoorbaan, vandaar naar het station.

Heide

Het station lag als een doodskist in de storm. Waarschijnlijk zou ik het, evenals onze hele reis van vandaag, vroeger eng gevonden hebben. Nu niet: ik ken de plek en de omgeving, ik had Larie bij me, en ik voelde me geroepen. Zoekend liepen we het perron op.

We voelden gedreun aanzwellen. Weldra zagen we in de duisternis (geen pikkedonker) langs het spoor een paard naderbij galopperen. We gingen het tegemoet. Warempel, het was (wat wij nog steeds noemen) het veulen. Geen tijd voor aaien of klontjes! Het verzocht ons, hem te volgen.

We struinden soppend achter hem door de heide en pollen, ongeveer in de richting van het schuine ven. Hij hinnikte. Er kwam antwoord, en we kregen een idee van de afstand die we nog te gaan hadden. We zijn nog steeds verbaasd, hoe lang en snel we in die kleding met de rugzakken in het donker hebben kunnen snellen over die hobbelige en zuigend natte hei.

We bereikten de plaats des onheils. Daar was de hei blijkbaar extra moerassig. Daar was een groot paard (nou ja, die Trojaanse paarden zijn allemaal vrij groot) in de blubber vastgeraakt. Enkele geldwolven cirkelden ongeduldig rond, een tweede paard joeg ze steeds op als ze dichtbij kwamen. Vanuit de richting Us Net kwam nòg een paard aangegaloppeerd. Het ging ook wolven afweren.

Ja, ik zag het probleem, maar wat konden wij doen? Tijd voor verrassing door Larie. Hij rukte zijn rugzak af, gooide het tentje en zijn luchtbed ervanaf, en graaide in de rugzak zelf.

Zijn hand kwam terug met een zoiets als een sleepkabel, bijna lichtgevend wit. En langer dan in die rugzak zou passen. Hij beende op het benarde paard af, liet het even aan zijn hand ruiken, en maakte toen een lus van de kabel achter de oksels van het paard, de kabel tussen de voorpoten door. Vervolgens riep hij het veulen bij zich, en maakte daar een soort tuig om diens schouders.

Het veulen snapte de bedoeling, ging in de looprichting van het wegzinkende paard staan, en begon te trekken. Het lukte niet, en Larie zag het probleem. Hij ontdeed het veulen van de kabel, liep weer op het paard af, en begon  een voorpoot omhoog te trekken. Hielp niet. Hij vroeg me, of ik toevallig een plank of zo zag.

Niet te geloven! Een meter rechts van mij zag ik een deur liggen. Een gewone huisdeur, alsof die was komen aanwaaien! Samen sleepten we de deur tot vlak voor het paard. We gingen erop staan, en gingen samen aan beurtelings de beide voorpoten van het paard sjorren. Heel langzaam kregen we het omhoog.

Vervolgens blies Larie zijn luchtbed op, en legde het in de plaats van de deur. Het paard had nu beide voorpoten vrij, en zette ze op het luchtbed. Larie sleepte de deur naar achter het paard.

We hoefden niet te sjorren. Het paard wrikte zelf beide achterpoten uit de blubber, en zette ze op de deur. Het keek naar mij, en ik maakte de kabel los.

Het paard steigerde op de deur, draaide een halve slag, en sprong naar wat blijkbaar de rand van de modderpoel was. Larie borg de kabel op, en liet zijn luchtbed weer leeglopen. Hij wees naar mijn rugzak. Nee, het buitenvak!

Alweer ongelooflijk! Ik vond er de ene peen na de andere. En klontjes. En koekjes. En repen chocola.

De wolven schikten zich in geen rosbief. Koekjes waren ook lekker. - Oh ja, dat we nu een paar verhalen gezwegen hebben over wolven en koekjes wil niet zeggen dat we geen koekjes aan wolven hebben uitgedeeld!

Nu was het dus een soort nachtelijke picknick van twee mensen, vier Trojaanse paarden en vier geldwolven. Zelfs gezellig, ondanks de storm en regen. De wolven waren bekenden, het veulen ook. Het paard dat ons achteropkwam bleek de merrie van dat veulen. Ze was naar ons huis gegaan om ons te halen. Het benarde paard bleek haar vader, het verdedigende paard “dus” haar moeder.

Moeder paard wilde eigenlijk wel even vaste grond onder de hoeven, in plaats van deze veenblubber. Of wij iets wisten? Larie en ik keken elkaar aan: jazeker: daar kwamen we net vandaan! We wisten alleen niet, waar de paarden het best van de spoorbaan de verre weide in zouden kunnen.

De vier paarden leken even te overleggen. De wolven deden alsof ze geen belangstelling hadden, maar hun oren speelden niet mee.

Te paard

Even later zat Larie op vader paard, ik op moeder paard. De deur was nergens meer te zien. De jonge paarden gingen ons stapvoets voor, recht op het station af. De wolven leken te doen alsof ze ons niet achterna wilden.

Vanaf het station ging de vaart erin. In draf, zelfs galop langs de spoorbaan. Best spannend, zeker zonder zadel of tuig, en we vroegen ons af, of we bij Trojaanse paarden niet beter in de bagagebak hadden gekund. Maar ja, waar zit de klep? Bovendien moesten wij de weg wijzen.

Bij het dijkje liet ik hen stoppen. Ik wees langs onze rimboe, en zei, me omdraaiend: "Dit stuk van het station tot hier is te drassig voor paarden, maar wij komen er graag. Van hier tot aan het water dáár en dáár was weiland. Volgens ons woont er niemand, en je zakt er waarschijnlijk niet weg. We hebben alleen nog niet ontdekt, waar je vanaf de spoorbaan dat gebied in kunt. Misschien is er prikkeldraad, maar wij hebben het niet gezien.”

Larie en ik lieten ons op de grond zakken. Dochter paard vond een doorgang. Met nog wat klontjes namen we afscheid. Even later hoorden we vanuit de polder een tevreden hinnik. Larie had zich omgedraaid. Langs de rand van de spoorbaan kwamen de wolven op rij, in het donker slechts zichtbaar door die rode gloed op hun rug. Ze bleven aarzelend bij ons staan. Larie en ik hadden weer aan een enkele blik genoeg, ook in het donker. Ik wees de wolven: “Wij gaan dáár slapen.” Gezessen wandelden we naar Botje.

Bij Botje

In het hutje bouwden Larie en ik ons liefdesnestje op. Zo ver mogelijk naar achteren, luchtbedden dwars over het opgevulde gangpad, en we lieten de deur open. We namen nog wat koekjes en water, gaven de wolven nachtknuffels, en kropen bloot onze aaneengeritste slaapzakken in. De wolven nestelden zich tussen ons en de open deur.

Ons avondritueel was lang, want we hadden elkaar veel te vertellen. Ook te vragen, want Larie kon evenmin die kabel en die deur en de grote inhoud van het voorvak van mijn rugzak verklaren. Weldra ging het praten over in vrijen. We besloten, dat knuffels van verdienste in regenpak voortaan bloot moesten worden overgedaan.

Wat ben ik toch een bofkont! Als ik bevrediging of bevestiging wil, nog meer dan ik al krijg, dan is het kleinste teken al genoeg. Als ik trek heb in iets wat we niet bij de hand hebben, dan is het uiterlijk een halve week later wèl bij de hand. Enzovoorts. En voor Larie geldt datzelfde. Ik moet het hem vaak voorhouden, want er zit zo veel oud verdriet bij hem vast. Natuurlijk kunnen we niet de hele wereld kopen, maar die behoefte hebben we totaal niet! Hmm… laat Larie dan maar eens een verhaal over Het Geld schrijven, nu hij ze heeft voorgesteld.

In de vroege ochtendschemer werd ik wakker van gekraak. De wolven lagen voor de deur te eten, waarschijnlijk een ree. Mijn beweging wekte Larie, en zo begon een nieuwe dag.

Polder 2

We waren benieuwd naar de paarden. Met dank aan het seizoen konden we ons aan de verre kant van het dijkje door de kwijnende plantengroei wringen, en met een gewaagde sprong over het slootje onderlangs het dijkje vonden we het overwoekerde plaveisel van wat dan de Noorderweg moest zijn. We zwoegden bijna klimmend tegen wind en regen in, vooral zijwaarts kijkend om de elementen minder te voelen en om een blik van de paarden op te vangen.

Wat een oord! Het moet hier ooit hebben geleken op Waterland, waar mijn ouders en de herdertjes tegenwoordig wonen, maar dan weidser en rechthoekiger. (Groningser, denkt Larie.) Nu waren bijna alle gebouwen tot de vloer afgebroken, maar de bomen waren nog niet zo talrijk en groot als in de rimboe aan de overkant van het Televisiekanaal.

Ik zag gelukkig ook weinig sporen van prikkeldraad. Larie had een verklaring: “Of ze hebben het prikkeldraad bij vertrek opgerold en meegenomen, of dit waren akkers, geen weiden met vee.” We stapten net voorbij de oprit van een verdwenen boerderij. Larie wees naar iets roestigs: “Kijk maar: een eg.” - ”Ja, en dus…?” - “Een eg hoort bij akkers, niet bij weiden.”

We naderden de Kruisvaart: we herkenden schuin links in de verte twee bomen bij onze schuilplaats van gisteren. Rechts van ons was de begroeiing dichter: een verwilderde boomgaard. Van daar klonk gebries.

Inderdaad, daar stonden de paarden te kleumen. We namen het naaste bruggetje over de sloot langs de weg, en liepen op de paarden af. Ze leken blij verrast, al voordat Larie mij klontjes uit het voorvak van zijn rugzak liet halen. Ze leken mij ook te vertellen, dat ze het hier naar hun zin hadden.

Maar hoe veilig was die weg terug naar de heide? Larie legde wijzend uit: “Tussen de rails is het soms gevaarlijk, verder op de spoorbaan niet. Dat stuk [onze rimboe] is drassig, en de wolven voelen zich er thuis. Dat bos [aan de overkant] kennen wij nog niet, maar het lijkt ons veilig.” Hij vulde aan: “Desnoods kun je dáár [hij wees naar het Televisiekanaal] om deze rimboe heen. Dan kom je langs een paar huizen van mensen die jullie niet zien bij ons huis uit.“ De paarden begrepen het onmiskenbaar. We namen afscheid van hen.

Larie en ik overlegden: waarheen nu? Geleidelijk op huis aan. We kozen de kortste, maar niet gemakkelijkste weg: eerst die paar stappen tot de Kruisvaart, dan langs de Hoofdvaart naar het sluisje, onze rimboe in naar Thor, dan naar huis.

In Middendorp aarzelden we: nog even de bank op? Toch maar niet. Bij het sluisje in de dijk ontmoetten we twee van de wolven. Ze trippelden met ons mee als honden die genieten van het uitgelaten worden.

Bij Thor

De plantengroei in onze rimboe herstelt onwaarschijnlijk snel van de gebeurtenissen in Onze rimboe [geloof, sex]. Komende zomer zouden we de steen waarschijnlijk niet terugvinden. Larie maakte dus een foto met mijn mobieltje: dan hadden we meteen de plek.

De andere twee wolven lagen er onder een lage dennentak. De meelopers voegden zich bij hen. Larie en ik stonden even stil bij de steen. Dat is een gewoonte geworden, want deze plek voelt als iets heiligs, nou ja, als een grafsteen of zo. Larie toverde Grieks spul en plastic servies uit het voorvak van zijn rugzak. Hij vulde een bakje, schonk een glaasje in, en plantte ze voorzichtig bij de steen. Ook ik vulde een bakje en een glaasje. Larie bedacht zich, spreidde ons zeiltje uit, noodde mij naar de loefzijde (yes!), strooide wat van de olijven en nootjes op de lijzijde (yes!), en noodde de wolven daarheen. Hij kwam naast mij zitten, en samen toostten we met ons glaasje naar de regen. Een bliksemschichtje sloeg in bij ons offertje, en maakte het weg. De wolven liepen ootmoedig naar hun hapje, en leken elk precies hun deel te nemen. Daarna kwamen ze ons bedanken, eerder plechtig dan blij, en gingen weer onder die tak liggen.

Over het pad (de bijna overgroeide brandgang) kwam energiek maar onhoorbaar iemand aanlopen. Een goedgebouwde lichtblonde man van mijn leeftijd, gekleed in een mosgroen spijkerpak. De regendruppels schenen het niet eens te ráken! Hij kwam op ons zeil zitten, gaf elk een hand, en zei: "Leuk, dat jullie weer eens langskomen!" Larie schonk hem een nieuw glaasje in. Thor nam het dankbaar aan. Hij nam een slok die het glaasje half leegde, en bekende: "Ik had graag met jullie mee gevaren. Larie, wat doet het mij goed, dat jij verlangt naar de zeeën rond Schotland. En Wiesje, wat doet het mij goed, dat jij dit bootreisje bedacht hebt! En dan zijn jullie ook nog eens twee dagen door de storm aan het wandelen, in plaats van de kortste weg terug te nemen."

Larie dacht aan iets anders: "Die paarden en die wolven vannacht, dat ging wel heel bovennatuurlijk." Thor sloeg zijn glaasje achterover: "Mja... wat zal ik ervan zeggen... die paarden zijn van de Grieken, en die wolven zijn van mij. - Bijna, hoop ik. Noem het een schaakspel."

Thor keek naar de vier wolven. Ze keken hem aan, alsof hij een stok ging weggooien om te apporteren. Thor zette het glaasje neer, stond op, en deed twee passen in hun richting: "Pak me dan!" De wolven waren in twee sprongen bij hem. Ze genoten geweldig van de ongeremde worsteling, ze gaven zich helemaal, maar ze hadden geen kans. Ook niet als ze twee aan twee met hun tanden aan zijn armen hingen. Ze probeerden echt vanalles, met onverwacht listige trucjes, maar het baatte niet.

"Komt dat, omdat ze net Grieks spul gehad hebben?" probeerde ik. Thor lachte: " Nee hoor! Blijf hen maar verwennen. Wij genieten van hoe jullie met hen omgaan, en de Grieken ook!" Hij liet ze nog even begaan, zei "Zit!", en kwam meteen ongehinderd weer bij ons zitten. De wolven kwamen fiepend om ons heen liggen uithijgen. Larie deelde koekjes rond. Ik vulde de glazen.

Thor knipte met zijn vingers alsof hem iets te binnen schoot. Vervolgens keek hij naar het pad waarlangs wij gekomen waren. Daar verscheen Jezus in onderhemd en boxershort op sportschoenen, kletsnat van de regen, ruikbaar bezweet en puffend als een toeschouwer die besloten heeft om nu eens zelf een city marathon te lopen. Hij plofte bij ons neer, kreeg van Larie een bekertje water, en veranderde het in een blikje energiedrank, dat hij achteroversloeg. Vervolgens lachte hij schaapachtig: "Deze verschijning wilde ik op jullie uitproberen..."

Thor keek de kring rond. "Dat huis van die doden, die man en die jongen, heeft de aandacht van mensen die iets verkeerds willen. Die omgeving zal voor mensen gevaarlijk worden. De wolven en de paarden kunnen zij niet zien." Hij keek naar Jezus. Die keek schattend naar Larie en mij, en legde uit:

"Mijn positie is een andere dan die van Thor en de zijnen en Hermes en de zijnen. Er zijn vele miljoenen mensen die aan mijn Vader geloven, maar sommigen erkennen mij niet, en anderen erkennen juist dat mijn Vader in de eeuwen na mijn tijd op Aarde Zijn leer aan andere mensen ingefluisterd heeft. Op volgelingen van die mensen heb ik weinig invloed. Welnu, de mensen voor wie Thor nu waarschuwt zijn mensen die een onverdraagzame uitleg geven aan de woorden waarin zo iemand de boodschap van mijn Vader heeft vervat."

Einde

Sorry voor de cliffhanger, maar dit verhaal heeft ruim een jaar liggen wachten. We wisten niet, waar we de grens zouden trekken met een volgend verhaal.

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).