Laatste wijziging: 2017-04-24 (technisch), 2017-04-12 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Heibel 2"

[geloof]

Was het de zomer van twee of van drie jaar geleden? De lucht boven Spamerica trilde weer eens van de hitte, de luchtvochtigheidsgraad was weer eens tropisch, maar nu bleef onweer uit. Wat je ook droeg, je had weldra geen droge draad meer aan je lijf, dus kleedde je je zo spaarzaam mogelijk. Het herinnerde mij aan de oversteek van West-Afrika naar Venezuela, toen de koelste plek van de machinekamer 47 graden was (in de stuurmachinekamer), en de warmste 94 (nabij een stoomlekje). Dan kwam ik er om 16:00 in een schoon ketelpak binnen, en liet om 18:00 een druipspoor na, omdat het pak niet meer zweet kon vasthouden dan een paar kilo. Eigenlijk was het geen weer om de betrekkelijke koelte van huis of kroeg te verlaten, maar Wiesje en ik wilden toch eens zien, hoe het schuine ven erbijlag.

We lieten ons door de zonsopkomst wekken, hielden ons ochtendritueel kort, maar verloren tijd met de vraag of we zouden fietsen of lopen. Die vraag bleek eigenlijk te gaan over het meenemen van ons tentje. Samen zijn we een geweldige denkmachine. Onze slotsom was: we nemen de tent mee op de fiets, maar we zetten waarschijnlijk de hele zwik bij Sans Perail in de loods (waarvan ik tegenwoordig een sleutel heb), en steken te voet door. Dus wel stevig schoeisel en beenbedekking aantrekken!

We bereikten het station zo puffend als de plaatselijke locomotieven. We troffen er niemand, want heel Sans Perail (behalve wij) was met een honderdjarige sneltreinlocomotief, de stoomkraan, het slaaprijtuig en een grote voorraad steenkool (van Bob, weet je nog uit Karla 2 [sex]) duizend kilometer van hier bij een stoomfestival. Iets van een week rijden per richting, en dan drie dagen show. We hebben het overwogen, maar wij bleven toch maar hier. We zetten de fietsen in de loods, deden een bewakingsronde, maakten een wip op de oude zachte bank in het koffiehoekje, en vertrokken te voet met slechts chocola en pleisters als inhoud van de kleine rugzak.

We verwachtten, de plek te zien waar we dat paard uit de blubber geholpen hadden (zie Paarden wagen [geloof, sex]), maar beseften tot onze verbazing, dat die plek mogelijk voorbij het schuine ven lag.

Het schuine ven zelf oogde zo als verwacht: stil en sterk gekrompen. We liepen door naar dat andere ven (van Wiesjes foto's vanaf de watertoren), en toevallig van daar naar het mogelijke petgat waar we met Hector over stoppen met werken hadden gepraat. (Nu ik dit schrijf is hij dood, maar hij heeft bij Frans en Cisca een heerlijke oude dag gehad.)

Er glinsterde iets tussen de planten (heide, biezen, weet ik veel). We moesten denken aan al dat glas dat we eens met bovennatuurlijke schildpadjes hadden opgeruimd (zie Eindelijk 1 [geloof, sex]), en liepen op de glinstering af. Een stapel lege patroonhulzen! Nou, geen opgetaste stapel, maar een plek waar blijkbaar veel schoten afgevuurd waren. Dus met een machinegeweer? Wij hebben daarvan geen verstand.

We keken rond. We zagen verder niets ongewoons, maar toen we in de richting keken van de schaapskooi waar Jan had gewoond, klikte het. We herinnerden ons de waarschuwing, de cliffhanger van "Paarden wagen". Ik stuurde een foto met GPS van de hulzen naar David en naar Ton. Vervolgens besloten we, dan maar naar het natuurvriendenhuis te lopen.

Nauwelijks hadden we een paar stappen gedaan, of van rechts (richting bosrand) klonk een gesmoorde gil van een man. We tuurden, maar zagen niemand.

Vlakbij ons klonk geritsel. Een stel geldwolven (wij herkenden ze, maar hoe duid je ze aan?) kwam op ons toe. Nee, ze hoefden nu geen koekje, ze kwamen ons duidelijk begeleiden. Wiesje wees: "We hoorden daar ergens een gil. Kunnen jullie ons erheen brengen?" Zo te zien was juist dat hun oogmerk. Ze liepen doelgericht en waakzaam voor ons uit.

Na één of twee minuten hielden zij stil, maar zodanig, dat wij begrepen dat wij nog een stukje verder moesten. Dat deden we.

We vonden weer zo'n vermeend petgat. Op de bodem lag iemand te krimpen van de pijn, met haat in zijn ogen. Wiesje nam het woord: "Moeten we je eruit helpen?" Geen antwoord, maar de ogen flikkerden. Wiesje probeerde: "Kun je er zelf uit komen?" De man gromde. Aan zijn bewegingen te zien had hij minstens één enkel verstuikt. Aan zijn gezicht kon je weinig aflezen, want dat was grotendeels bedekt door beharing. Hij bleef liggen. Dat wil zeggen, hij ging verliggen. Daarbij werd onder hem eventjes de loop van een vuurwapen zichtbaar. Hij besefte dat, overwoog blijkbaar even om het wapen te trekken, maar bevond dat onmogelijk. Hij grauwde: "Ga weg!"

Wiesje deed enkele stappen terug, en belde Esther. Ze noemde geen namen, maar verwees naar de foto. De man in de kuil kon het gesprek niet volgen, maar begreep, dat anderen ingeschakeld werden. Kreunend kwam hij tot zitten, greep nu het machinepistool, en dreigde ons ermee.

Wiesje en ik voegden ons bij de geldwolven. Ik belde (ook zonder namen te noemen) Ton, want zijn vele gasten zouden hier gevaar lopen. Ton meldde, dat Hermans auto zojuist bij hem voor de ingang was gestopt. Ik vroeg het aantal inzittenden. Vier. Ik vroeg Ton, hen even te laten wachten. Wiesje begreep het, en belde Esther met dat verzoek. Zelf belde ik nu de politie, en vroeg onder verwijzing naar de vindplaats van de lijken van Jan en Jantje en vuurwapengevaar om een helicopter.

Wiesje en ik zaten gespannen te wachten. De man in de kuil leek herhaaldelijk en vergeefs te proberen om eruit te klimmen. Dan waren de wolven (die hij niet kon zien) steeds meteen klaar om hem dat te beletten. Maar steeds eindigden die pogingen met gekreun en een verwensing.

De helicopter kwam, maar zag ons blijkbaar niet. Ach ja, we waren half-toevallig in camouflagekleuren. Wiesje wist van de nood een deugd te maken: ze trok haar T-shirt uit, en ging half-bloot dansen. Het herinnerde mij aan verdedigen bij basketbal. De helicopter daalde van misschien honderd naar misschien twintig meter. Toen kwam er een lichtflits van de bosrand. Een projectiel trof de helicopter op de rotor-as. De heli stortte vanaf wellicht tien meter hoogte met een klap neer, en vloog in brand. Wiesje trok haar T-shirt weer aan, rende erheen, hielp de vier inzittenden los te komen, en geleidde hen vooreerst een veilig stukje verder weg van de bosrand. Zelf kon ze later die prijzenswaardige ingreep niet verklaren.

Vanaf de afvuurplaats klonk een gil. Ik zag een tweede paar wolven een tweede man naar de kuil slepen. De ene wolf liet los, de andere slingerde de man de kuil in, bovenop de andere. Het eerste stel wolven bleef de kuil bewaken, het tweede repte zich naar de bosrand, een eind naar de schaapskooi toe, en sleurde een derde man naar de kuil. Vervolgens namen beide paren wolven samen waakzaam rust, vlakbij de kuil.

De politie-agenten doofden de beginnende heidebrand, en kwamen op mij af wankelen, Wiesje achter hen. Ze haalde ons drinkwater en bekertjes tevoorschijn, en liet hen drinken.

De agent die ik voor de leider aanzag nam het woord: "Wa... wat is er gebeurd?" Ik aarzelde bij mijn antwoord: "U was onderweg naar een vuurwapen-gevaarlijke man in die kuil. Uw toestel werd neergeschoten door een andere man, nu ook in die kuil. Een derde man ligt daar nu ook." De leider stelde verbaasd de verwachte vraag: "Hoe komen die twee in die kuil?" Ik speelde open kaart: "Hier gebeuren bovennatuurlijke dingen. Bestaat niet, maar toch. Die twee mannen zijn naar die kuil gesleurd door dieren die u niet kunt zien, en wij wel. Ze bewaken nu de kuil." Uiteraard bleven alle agenten ongelovig kijken. Wiesje opperde: "Vraag maar aan uw collega Alfred, uit Eikenrode."

De leider haalde zijn schouders op, greep een mobieltje uit een borstzak, en ging bellen. Nog tijdens het gesprek verscheen zo'n grotere helicopter, een Chinook. Hij daalde ver van de bosrand tot twee meter, naderde ons op die hoogte ergerlijk dicht, en landde. De leider (van de eerste heli) liet mij de kuil aanwijzen.

De nieuwe lichting was beter beveiligd en bewapend. Ze omsingelden de kuil, zonder te bemerken dat de vier wolven buiten het strijdtoneel onder een struik op een nolletje gingen liggen.

De leider van deze groep sommeerde de mannen in de kuil, hun wapens op de rand te leggen en zich over te geven. Geen reactie. Bij de derde aanmaning legde een hand iets kleins op de rand. Het ontplofte. De leider gaf een bevel, een manschap lobde iets de kuil in. Waarschijnlijk een traangasgranaat. Weer een aanmaning, weer geen reactie. Een manschap lanceerde een kleine drone (toen nog een nieuwerwets speeltje), en vloog die snel over de kuil. Bij de tweede overvlucht klonken twee knallen in de kuil. De drone werd een struik in geblazen, maar bleek nog te werken. Hij bleef nu een minuut of zo boven de kuil hangen, alvorens aan de grond gezet te worden. Het arrestatieteam (of zo) benaderde nu geleidelijk de kuil van vier kanten. Vervolgens begon een manschap verwoed te fotograferen. Een ander haalde lijkenzakken uit hun toestel.

Ik werd ondervraagd door de leider van de eerste heli, terwijl de mannen van de tweede behoedzaam naar de schaapskooi trokken. Wiesje treuzelde bij onze bagage. Natuurlijk: koekjes en water voor de wolven. Daarna kwam ook haar beurt.

Daarna vertrokken allen met de tweede heli en wat spullen uit de schaapskooi. Het wrak is nog niet opgeruimd. We hebben niets over de zaak vernomen. Wel hebben Hassan en Aïcha bezoek gehad van de politie. Het heeft hen verbitterd.

Wiesje en ik hebben spoedig na dit voorval alle geldwolven uitgenodigd om bij Thor iets lekkers te nuttigen. Uiteraard niet slechts die viervoeters. Het werd weer zo'n bovennatuurlijk feestje dat Wiesje en mij ons zo bevoorrecht doet voelen.

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).