Laatste wijziging: 2017-06-04 (technisch), 2017-04-24 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Himmelhoch"

[geloof, sex]

Dit verhaal speelt vóór “Heibel 2”, maar is erná geschreven. Wellicht is soms onduidelijk, of “wij” op twee of zes mensen slaat.

Zoete inval - Vrijdag 1 - Zaterdag 1 - Zondag - Maandag - Dinsdag - Woensdag - Donderdag - Vrijdag 2 - Zaterdag 2

Zoete inval

De tentoonstellingen in Eikenrode (zie Tablet 1 [sex]) hadden Wiesje en mij onze knopen doen tellen. Crisis of niet, wij hadden het goed. Daarentegen hadden Fred, Nelleke, Bob en Linda het zwaar: hoge lasten, amper inkomsten. En we zijn echt op hen gesteld geraakt. Ik ben hun bedrijfspand en vervolgens henzelf gaan aanduiden als Tin Roof, gedachtig de “Tin Roof blues” (onder jazzliefhebbers wellicht mede bekend als “Geef me nog een kusje voor het slapen gaan”).

Tijdens een ochtendritueel hadden wij een plannetje bedacht, en het die middag met Ab en Sophie besproken. Die avond waren wij vieren en Bob en Linda bij Fred en Nelleke thuis. Dit was het plan: Wiesje en ik zouden met Tin Roof een week naar dat chalet uit Himmelhoch betrübt [geloof, sex] gaan en hen vrijhouden. Ab en Sophie zouden die week Tin Roof bemannen, zonder daarvoor zelfs maar reiskosten te berekenen.

Het plan werd ontroerd en dankbaar aanvaard. Het bleek al eind september uitgevoerd te kunnen worden, dankzij heuglijke familie-omstandigheden van de verhuurders. Aart en Yvonne stelden hun bulli gratis ter beschikking. Voorts hadden we Gerben en Jitske ingelicht. Die hadden de mogelijkheid aangegrepen om die week naar hun adres van toen te gaan, en nu een overnachting in ons chalet ingepland in een wandeling. Tin Roof bleek slapende leden van Gerbens gemeente, dus dat zat wel goed.

Vrijdag 1

Nu vertrokken we al op vrijdagavond. De auto’s van Tin Roof werden bij Ab in de loods gestald, een rijke hoeveelheid leeftocht (die Wiesje en ik niet mochten betalen, zelfs niet bekijken) belandde in het busje, evenals uiteraard hun bagage en de onze. Nee, niet slechts in het busje, maar ook op het imperiaal. Wiesje en ik nestelden ons weer op de achterste bank, samen met onze eigen bagage, de andere stellen deelden weer het sturen en navigeren. Nu hadden we geen boodschappen te doen, en we tankten langs de snelweg. In reistijd maakte het niet veel uit. Wellicht remde die dakbagage ons af.

Afgezien van het pinnen bij tankstations deden Wiesje en ik maar alsof we in bed waren: avondritueel en slapen. Fred en Nelleke lieten zich ook aardig gaan als zij op de middelste bank zaten, Bob en Linda pasten zich snel aan. Zij vieren genoten echt van een weekje weg, met elkaar en met ons.

Zaterdag 1

Tegen de middag waren we ter plaatse. De omgeving was nog aan het nazomeren, binnen leek alles bij het oude. Wel hadden we nu betere mobiele ontvangst. Wiesje en ik namen de slaapkamer van destijds: ook nu gingen de anderen voor.

Bob en Linda ruimden de koelkast in. Fred ontdekte een radiootje, afgestemd op een streekzender, en liet het ding vrij luid de Holzhackerbuam en zo bezingen. Nog steeds vragen Wiesje en ik elkaar “Jodelahiti?” of zo, als we vermoeden dat iets de ander dwarszit. Maar dit was een Tin Roof feestje, en op hen werkte deze muziek op deze geluidssterkte zichtbaar goed uit.

Tin Roof was echt voornemens, deze week te genieten. Het beoogde ontbijt werd tot brunch: een rijke keus aan brood en aan beleg, zelfs aan het vegetarische. Maar eerst een kelkje naast de koffie. Ieks! Linda nam Baileys & Baileys, in mijn ogen even afstotelijk als advocaat. Wiesje gruwt er minder van, maar ook aan haar is het niet besteed. Wij wilden toch al naar buiten, dus sloegen wij ieder kelkje nu af. De koffie kwam uit een professioneel apparaat, in Freds garage opgevolgd door een nóg mooier. Bob had mooie keukenapparaten mee, ons al bekend door die rap van Linda (zie "Tablet 1"). Vandáár hun vele bagage! Na het eten ging Tin Roof naar bed: slaap inhalen, en hopelijk ook wat sex. Wiesje en ik meldden, dat we een eindje richting bergtop wilden.

Het pad omhoog voelde vertrouwd, maar “beter”. In de lucht overheerste nu het blauw, en de zon kon de wolken doorboren. Op de grond was de begroeiing nog fleurig, de koeienvlaaien nog geurig. Op andere bergweiden graasden en klingelden nog koeien. Ook het wandelseizoen liep nog. Ons paadje en vanaf het chalet het karrenspoor bleken een gewilde verbinding met het dal. Zo aan het begin van de middag waren wij de uitzonderingen die nog omhoog gingen. Bij het "stenen tentje” had zich een gezin met joelende kinderen genesteld. Ons “Grüß Gott!” verwerd weldra tot “Grr…”

We liepen door naar de top die we destijds bezocht hadden. Daar bleek het tij te verlopen: het werd tijd voor de afdaling als je bij daglicht het dal wilde bereiken. - Oef! Niet uit berekening, maar slechts uit gewoonte hadden wij hoofdlampjes mee. We zaten een tijdje terzijde van het kruis op de top van het uitzicht te genieten, en werden slim: opletten op de timing van de anderen, en dan de laatsten op flinke afstand volgen. Wij hoefden immers flink minder ver terug. We beseften nog iets: we droegen camouflagekleuren. Dat maakte ons, onervaren laaglanders, slecht vindbaar in geval van nood, maar ook onopvallend bij het lenigen van andere noden. We bekeken elkaar van wel twintig meter. Opgelucht vloeiden we samen.

We lagen na te knuffelen, toen we besnuffeld werden. Blij weerzien met de paardjes en even later de wolven. De inhoud van een rugzak blijkt soms wonderbaarlijk! Omwille van een offertje namen we zelf wat Grieks spul - gehaast, want de zon neeg ter kimme. Dat we zonder gebruik van de hoofdlampjes het chalet bereikten zei vooral iets over de hoge ligging ervan. Nog buiten hoorden we de radio marcheren.

Tin Roof zat in de huiskamer, de luiken (nog steeds) dicht, een schemerlampje aan. Een fles port en een fles sherry waren leeg. De schaamte bleek grotendeels overwonnen - en dan gaat bij Wiesje (en dus ook bij mij) àlle kleding uit. Het huis had nog genoeg warmte om dit draaglijk te maken.

De aanblik van blote Wiesje bezorgde Bob en Fred weer een stijve. Ze gingen ongeremd met hun vrouwen tekeer. Wiesje en ik moesten denken aan onze wedstrijdjes met vooral de herdertjes. En aan die opmerking van een bezoeker van die tentoonstelling van Geert, Ab en Mina over Wiesjes borsten: “Als je ze op de foto zet, wordt die spontaan 3D.” Uiteraard kon Wiesje niet nalaten, zich het opperkonijn te betonen. Weliswaar hadden wij van het bankstel slechts de fauteuil, maar ook zonder onze ervaring met het poseren voor Kama Sutra schilderijen komen we dan een heel eind. Himalaya in de Alpen…

Bob en Linda gingen het eten klaarmaken - en Wiesje moet dan scoren. Deze keer wilde ze de aardappels wel eens geil zien. Linda voelde het aan, en beschreef dromerig dat kaassausje over asperges. We moesten haar gelijk geven, en ze steeg voor mij merkbaar flink in Wiesjes achting. De maaltijd werd trouwens spaghetti, met voor ons een heel smakelijke vegetarische saus. Er was sla gepland, maar appelmoes opgediend: de groene blaadjes hadden de bokken immers voor vandaag al gehad. Alweer iets waarop Wiesje moet reageren. Ze bestelde op horeca-toon bij mij een himalaya met sur place toe. Die keer moest ze die begrippen nog uitleggen. Het gemak waarmee wij elkaar bevredigen dwong bewondering af, en aanhoudende pogingen tot navolging.

We speelden drie bomen klaverjassen (beurtelings één paar toekijken), een fles wijn per boom. Voor bovennatuurlijkheden moet je niet bij Tin Roof zijn, maar het neerzetten van offertjes leidde tot vaag schouders ophalen.

Zondag

Ook zonder wekker was Tin Roof vroeg uit de veren. Verrassing: Fred had een sterke dompelaar mee om het bad te verwarmen. Ik had een helder ogenblik, en toonde Fred de meterkast. We keken elkaar hoofdschuddend aan: de stoppen van 10 Ampère leken ons nog te zwaar voor de gebrekkige bedrading. Dan het fornuis maar gebruiken. Na het ontbijt gingen we gezamenlijk naar die top. Vervolgens vonden we aan de overzijde (helling op het zuiden) een mooi en rustig plekje om te zonnebaden. Wij hadden Grieks spul mee. Gek genoeg viel de onuitputtelijkheid ervan Tin Roof niet op. De terugweg verliep moeizaam. De derde kotsbui van Nelleke was al in het donker. Wiesje en ik hielpen dan maar met het bereiden van de sla. Het kaarten werd hartenjagen.

Maandag

Nu sliep iedereen door de denkbeeldige wekker heen. Helaas moest Sophie van Linda weten, of zeker product te bestellen was. Even later belde Gerben mij: of ze vanavond bij ons terechtkonden. Linda tetterde, dat ze hier vanavond en morgenochtend konden eten, en dat ze van ons brood konden krijgen voor de terugtocht.

Wiesje vond onder het afdak aan de bergzijde een opgeklapte tennistafel, batjes en ballen in een plastic tas. De rest van de dag waren zij en ik en soms anderen aan het spelen. Buiten, want Wiesjes smashes zijn eerder onbeheerst dan hard, en binnen zou veel stuk kunnen. Buiten betekende helaas ook: gekleed - al hebben we dat begrip nogal uitgekleed.

We hebben nog gespeeld tegen een jong stel uit de vele voorbijgangers. Uiteindelijk bleken ze spionnen van de verhuurders - en ze zagen, dat het goed was. Zo’n koffiemachine wilden zij ook kopen! Toen ze het chalet later weer passeerden, hadden ze die op een veilingsite gekocht.

Bij het laatste rechtstreekse zonlicht bereikten Gerben en Jitske ons. Ze gaven ons een fles kruidenlikeur uit het naastliggende dal. Onder het eten vertelde Jitske over die brilsmurf van een ouderling - en weldra liep Bob en Fred de mond over bij het verhalen van hùn ervaringen met deze snuiter. Mede dankzij een getroffen kaasplankje en verdienstelijke chianti (“Prachtig spul, voor een leuke prijs ingekocht, maar iedereen laat het nu stáán. Dan wijzelf maar…”) werd het een lange en gezellige maaltijd. Vervolgens scheidden zich de geesten, want Gerben en Jitske wilden graag een robbertje bridgen. Wij met hen en chianti aan de keukentafel, Tin Roof met de kruidenlikeur en nu eens “Zillertal, du bist mein Freud” en dergelijk muzikaal suikergoed aan de salontafel klaverjassen.

Het geven der kaarten duurde steeds langer, want we wilden ook bijpraten. Egbert en Monica leken verzoend met de dood van Jantje. Oh ja, het neerzetten van een offertje was ook voor Gerben en Jitske vanzelfsprekend geworden. (“Wij zijn christenen, maar ook andere krachten zijn welkom.”)

Tegen enen meldde Nelleke, op weg naar het toilet, dat ze uitgekaart waren. Vervolgens besefte ze, dat ze helemaal bloot was, en zelfs wij niet. Jitske lachte gul: “Dan komen wij na dit spel naar jullie toe, en dan kleden wij ons ook uit.” Inderdaad, Wiesje haastte zich de kleren uit, ik dus ook. Met lichte spijt gingen de kaarten het pak in, want de robber was heel spannend. De huiskamer was een sauna, de fles likeur was leeg. De zoveelste fles chianti ook. Wiesje en ik beliefden nu nane, en zowaar vond iedereen dat een goed idee. De andere zes waren geen schootzitters, behoefden dus zes zitplaatsen, dus het hele bankstel. Wiesje en ik zaten op een stevige stoel uit de keuken. Allen bloot, dus Gerben lachte zenuwachtig: “Houd dit alsjeblieft vóór je.” (Achteraf mag ik het toch wel melden.)

Een echt gesprek kwam er niet. Het was afbouwen naar de nacht. De aanblik van Wiesje (op schoot, zo strak als een bakvis) veroorzaakte beslist verlangen, maar ook moedeloosheid (“Ik wil wel, maar het wordt straks niks.”), en dus ook milde afgunst. Want iedereen weet, dat Wiesje altijd haar himalaya’s krijgt, en dat ik afgebeuld word. Met onze aanpak is alcohol geen spelbreker, al voorzag ik voor straks geen sur place. Afijn, weldra hadden Gerben en Jitske de huiskamer voor zich - met onze luchtbedden. (We hadden zelfs ons tentje mee.)

Dinsdag

Met aller medeweten had Gerben een wekker gezet, om hun vorm van ochtendritueel te kunnen doen, rustig te ontbijten, en dan de terugtocht te aanvaarden. Die wekker ging niet af, maar niet alle wijn verdampt door poriën. Jitske moest naar de WC (in de badkamer op de slaapverdieping). Dat zette alsnog alles in gang, met geringe vertraging.

Bob bediende zijn koffiemachine als een oudtijdse lokettist die voor de gewenste treinkaartjes de Edmondson bediende, niet te vergelijken met Aart destijds als stoomtreinmachinist. Engels ontbijt? Linda stond klaar met bacon and eggs. Gerben en Jitske bunkerden, beslist mede in de vergeefse hoop om aldus hun kater te verminderen, en smeerden brood voor onderweg. Bij het afscheid, halverwege de ochtend, vroeg Wiesje spottend, of zij weer vervoer moest regelen. Ze namen waardig afscheid, en mengden zich onder het opgaande verkeer. Wij waren bloot, snelden naar onze slaapkamer, schoten minimale kleding aan, en betraden de omloop. Wiesje en ik knepen elkaar in de hand: zouden ze het redden?

De rest van dinsdag ging op aan aller kater. Voordeel: de radio bleef uit. Bovendien mocht Wiesje weer eens uitleggen, hoe opperkonijnen aan hun vele gerief komen.

Aan het begin van de avond trok een koufront over. We kregen een flinke plens regen, totdat de wolken langs ons heen gezakt waren. Terwijl Fred en Nelleke hun (onder intimi beroemde) lasagna bereidden, ontving ik een SMSje van Gerben: “Gehaald. Hoera!!!” We dronken thee bij het klaverjassen.

Woensdag

De biologische wekkers liepen weer af. Ongeveer tegelijkertijd zelfs, maar voor Wiesje en mij is dat minder reden om uit bed te springen dan voor Tin Roof. Twee van hen maanden de eerste om op te schieten op die plee. De vierde stookte eerst het fornuis op, en hoefde daarna niet meer te wachten. Ieder stel ging samen in bad, en blijkbaar zonder meer. Ook wij, want wij hadden ons ochtendritueel nog in bed gedaan. We kwamen na nòg kortere tijd de woonkeuken in.

Wij allen besloten, nu eens naar het naaste dorp af te dalen. Flink brood smeren voor de klim terug, want we wisten niet wat we beneden konden verwachten. Fred merkte op, dat we nu omlaag zwaardere bagage hadden dan omhoog. Wat voor weer hadden we? Koel en bewolkt, maar waarschijnlijk droog. We daalden het karrenspoor, later een asfaltweggetje,af, en prevelden onze grüßgottis.

Het naaste dorp lag duidelijk boven het dal. Slechts enkele boerderijtjes en hotelletjes. Ik besefte, dat onze verhuurders hier moesten wonen. Vervolgens, dat die waarschijnlijk niet thuis waren: daardoor hadden wij immers dat chalet kunnen huren. Ons korte beraad en onze looprichting waren opgemerkt, en buren van die verhuurders noodden ons op de koffie. Hartverwarmend, maar de kaastaart stond Wiesje en mij niet aan, terwijl vooral Bob zich afvroeg, hoe het mogelijk was om koffie zo weinig naar koffie te laten smaken.

Het dorp beneden was ook saai. Paar huizen, paar hotelletjes met restaurant (of omgekeerd), paar prullenwinkeltjes, eindhalte van een bus die je een keer of drie per dag het dal uit kon brengen. Het boeiendste leek ons nog, hoe de gezwollen beek tegen het bruggetje in de uitweg stuwde. Tin Roof keek speurend rond. Fred verklaarde: “Bestáát niet! Die lui gaan voor hun boodschappen niet nog verder het dal in.”

Bij het bruggetje lag een uitspanning. Het terras was leeg. Bob liep naar binnen, en kwam merkbaar gerustgesteld terug. Linda koos een tafeltje. Een vrouw die ons aan Toos herinnerde kwam ietwat argwanend de bestellingen opnemen. Bob noemde het merk van de koffiemachine binnen. Vier spontane bestellingen koffie, twee aarzelende. Een ontlading van begrip bij de serveerster. Of we er iets bij wilden? Nu trok Wiesje mij naar binnen. We hoorden Fred nog schertsen: “Die wollen die Marke Ihrer Kuchen sehen.” Even later zaten we aan koffie en verschillende smaken gebak. De zon stond op doorbreken. We hoorden een stevige vrachtwagen naderen, afremmen, optrekken en weldra stoppen. Tin Roof keek elkaar aan. We hoorden zacht het gerinkel en geratel van rolcontainers.

De koffie was goed geweest, het gebak lekker. Wiesje had Tin Roof het afrekenen uit handen weten te houden. Wel een leermoment: niet pinnen. We slenterden verder de hoofdstraat op, een zijstraatje in. Ik herkende het geluid van een hydraulische laadklep. Even later moesten we plaatsmaken voor de inderdaad stevige vrachtwagen. Nog enkele tellen later hadden we beet: we stonden op het parkeerplaatsje van een supermarktje. De golfplaten pasten niet in het waarschijnlijk beschermde landschap. Tin Roof wandelde doelbewust op de ingang af.

Na een kwartiertje rondkijken hadden we het binnen gezien, na nog vijf minuten zaten we in het kantoortje van het bedrijf aan de koffie (ouderwetse filterkoffie) met appeltaart, Tin Roof in levendig gesprek met hun eveneens twee stel tegenhangers. Wiesjes Duits is iets minder dan het mijne, zéker bij streektaal of tongval, dus soms vatte ik het maar even voor haar samen. Die inhoud sprak voor zich: ook hier crisis, geen droog brood te verdienen. Wel grote klantentrouw en onderlinge solidariteit.

De verwachte golf aan informatie-uitwisseling ebde weg. Wie waren wij (Wiesje en ik) nu eigenlijk? Nelleke greep het woord: wij waren van klanten tot vrienden geworden, de weldoeners die hen deze vacantie schonken - terwijl anderen de winkel bemanden. Ontroerde blikken.

Ik heb een neiging tot makelen, mi nich vom toenpoal an’oard. Ik vertelde dan maar, dat wij juist hier beland waren omdat degenen die nu voor Tin Roof op de winkel pasten bevriend waren met onze verhuurders, een stuk de berg op. Ach so! De puzzelstukjes vereenden zich. Uiteraard waren dat klanten, vrienden ook. Ik vroeg me hardop af, of er kans was voor onderlinge handel: Tiroler waren naar Eikenrode, of omgekeerd. Oh, dááraan hadden deze acht nog niet gedacht. Wiesje besefte mijn doelpunt, en kneep me in de hand. Maar nee, ze zagen geen kansen - en anders was Abs “Het onmogelijke wordt direct gedaan, wonderen duren iets langer” waarschijnlijk bruikbaarder dan de ingesleten handelsrelaties van Tin Roof. (Later heeft Fred een zendinkje zaaigoed naar Tirol bemiddeld. Much ado about nothing.)

Het gesprek verwerd tot verzuchtingen over de slechtheid der tijden en de onwil van politici om nou gewoon die mooie praatjes wáár te maken. Wiesje liet beheerst haar verveling merken. Ik probeerde te berekenen, hoe laat we hier weg zouden moeten om bij daglicht boven te zijn. Hoofdlampjes? Oh ja, gelukkig: die vallen bij Wiesje onder chocola en pleisters.

Ik greep het wegsterven van een verzuchting aan voor het opperen van de terugtocht. Ja, dat moest dan maar… Eerst alle zes na elkaar de pot op, koffie afgieten. Dan afscheid nemen van de nieuwe zakenvrienden. Bij het bruggetje ontvouwde zich de weg omhoog. Oeps…Wiesje en ik zijn wandelaars, maar geen berggeiten. Tin Roof bestaat uit mensen voor wie de auto even vanzelfsprekend is als schoenen of een jas. Schoenen - ik keek omlaag, en Wiesje volgde mijn blik. Hadden wij genoeg pleisters naast de chocola?

Het eerste uur hadden we nog tegenliggers, met veerkrachtige tred, in onverslijtbare schoenen, een opgeruimde glimlach (of slecht verholen leedvermaak?) in de begroeting. Daarna viel de schemer in van een zinkende zon achter hoge bergen. Het werd stil. Er kwam motregen.

Het dorp van onze verhuurders oogde verlaten, luiken voor de ramen. We sloften voort. Oh, waarschijnlijk hadden Wiesje en ik in onze uiteindelijke reistijd een keer extra heen en weer gekund: zó ver was het eigenlijk niet, horizontaal noch verticaal. Maar Tin Roof leek vastgeraakt in het zelfmedelijden waarin het gesprek was verzand, en zuchtte luid bij elk stapje.

We waren nog op het asfalt, en de nacht was inmiddels gevallen. De motregen was overgegaan in gewone regen, het soort dat maar voortduurt. Wiesje en ik namen de best zware rugzakken van Bob en Fred over, en droegen die ene eigenlijk best lichte van ons als een tas tussen ons in. Wij liepen voorop, met soms een hoofdlampje aan, maar moesten ons steeds weer laten inhalen.

Pas ver in de avond bereikten we het chalet. Bob zette de radio aan, deed daarmee een opgeruimde mars schallen, en zette de radio meteen weer uit. Voor de rest van ons verblijf. Zwijgzaam gingen allen meteen naar bed. Eindelijk weer onder ons! Wiesje en ik waren eigenlijk eerder verveeld dan vermoeid. Het bracht ons wellicht ons langste avondritueel ooit: veel napraten, veel knuffelen, veel sex inhalen.

Donderdag

Donderdag was een rustdag, eigenlijk meer een verloren dag. Tin Roof was nog aan het bekomen van de klim. Wiesje en ik waren vrij monter, en bewogen ons bloot door het huis - maar dat verstoorde de anderen. We gingen maar weer naar bed. Die avond werd er wel weer gekookt, maar de maaltijd was in verschillende opzichten een dieptepunt. Wiesje en ik deden de afwas, en gingen maar weer naar bed.

Vrijdag 2

Het ontbijt was vonken onder de as. Buiten zou de zon kunnen gaan doorbreken. Wiesje en ik gingen maar weer omhoog.

Ja, uiteraard waren er ook een links- en rechtsaf. Maar beide richtingen leken geen verandering te brengen. We zagen wel bos, maar lager, en vrij ver van ons af. Het chalet lag beslist beneden de boomgrens, maar wellicht was hier ooit veel gekapt.

We vonden het stenen tentje nu verlaten. We namen er afscheid van allerlei dieren, liepen over de kam naar een volgende top, en vervolgens onverwijld terug naar het chalet. De zon verdween er net achter de bergwand.

Tin Roof zat rond de keukentafel, blijkbaar in afwachting van ons. Nelleke nam aarzelend het woord: “Wij voelen ons lullig, ondankbaar. We zijn jullie (hier en thuis) heus erg dankbaar. Maar vooral die ontmoeting met onze collega’s heeft ons doen voelen, hoe diep wij in de shit zitten. En ons verkeerde schoeisel is óók een geldkwestie. Er zal heus licht zijn aan het eind van de tunnel, en we zullen dan alsnog van onze ervaringen nu kunnen genieten. En ook onze welvaart van dan des te beter kunnen appreciëren door de herinnering aan nu. We hebben leuke spullen meegenomen, we hebben allerlei lekkers aan de handelsvoorraad onttrokken - soms omdat blijkbaar niemand het nog wil of kan kopen. Het heeft wel degelijk geholpen, maar niet genoeg. Dat geldt ook voor deze reis. Dank je wel, lieverds!” Ze stortte in.

Wiesje nam het antwoord: “Ja, dit kon gebeuren. Wij hebben hier geen spijt van. Hoogstens vragen wij ons af, of we méér voor jullie hadden moeten doen. Wij voelen ons zo bevoorrecht. Je weet, dat ik nooit aan geld heb willen denken, hoeven denken. Het Geld en jullie hebben me doen beseffen, hoe belangrijk geld is als je het niet voldoende hebt. Eigenlijk had ik Larie ook wel meer mogen waarderen om zijn zorg voor ons beider geld, maar dan heb ik nu gelukkig iets goed te maken. Trouwens, door zijn omgang met mijn erfenis van Doekje hebben wij jullie ontmoet.” Wat kon ik anders doen, dan haar vurig aan te halen! Het werd een groepsknuffel.

Er was een krat abdijbier, inmiddels hopelijk bezonken. Dat werd ons aperitief voor een maaltijd van pannenkoeken, met vullingen die konden uiteenlopen van verse vruchten tot kliekjes, met name van donderdag. Het smaakte heerlijk, en de stemming verbeterde zienderogen. Nog vóór het toetje zat ook heel Tin Roof weer bloot te vozen. We gingen allen vroeg naar bed, zowel om elkaar als omdat we vroeg in de ochtend wilden vertrekken. In ons avondritueel besloten we, dat Wiesje de eerste helft van de nacht van ons geld mocht dromen, ik de tweede. Hikkend van de lach bedachten we het sprookje van de Prinses op de Pinpas.

Zaterdag 2

We werden wakker van een wekker bij anderen. Vervolgens glipten wij als eersten naar de plee, maar doken opgelucht ons bed weer in. Wiesje had in haar droom een kastekort van € 0,99 opgebouwd, en wilde daarvoor gestraft worden. Vervolgens hadden wij een snel koud wordend bad, omdat Tin Roof het fornuis niet meer voerde.

Tegen tienen lieten we het chalet netjes achter. Het hoosde, en Bob liet de bulli langzaam rijden, uit angst voor verlies aan grip op het wegdek. Hij keek naar het wegdek dichtbij, Linda tuurde naar bochten en naar tegenliggers. We zagen helemaal geen andere mensen tot ver in het dal.

Rond middernacht waren we in Us Net. Hier was de regen al een paar uur voorbij. We ontruimden Aarts bulli, stouwden de betreffende vrachten in de auto’s van Tin Roof, en namen samen met de andere betrokkenen een afzakkertje in de kroeg.

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).