Laatste wijziging: 2018-07-23 (technisch), 2018-07-22 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Fusion"

[sex]

Noot: ik lijk de woorden luchtbed en -matras doorelkaar te gebruiken. Ik bedoel steeds die dingen die je met riemen tot een stoel kunt vouwen.

Waterkant 1 - Denkpauze - Waterkant 2 - Fietstocht - Kamp 1 - Kantine (terugblik) - Kamp 2 - Vrijdagavond - Zaterdagochtend - Inkopen 1 (uiterlijkheden) - Kamp 3 - Zondagochtend - Inkopen 2 - Kamp 4 - Maandag

 

Waterkant 1

Waar vroeger de “Klaas Vaak” lag (bij VCR), ligt nu een paar kuub zand (jawel!) in het kanaal. Daarop is riet gegroeid, vervolgens ook ander kruid. Kortom, het is een smal schiereilandje van misschien vijf meter lang, evenwijdig aan de oever, en daarmee min of meer verbonden door een net-wel of net-niet dwarsstuk. Het biedt in groene jaargetijden naar vele zijden beschutting. Bovendien probeert ernaast op de wal wat opschot ooit boom te worden. Onder water verdringen zich de larven van muggen en libellen. Decameters verder naar de mond van het kanaal ligt dat kettingpontje van Wouter.

Het was zomer. Wiesje en ik zaten met Sheila en Dennis voorbij het dwarsstuk op de wal. Bloot, onze voeten in het water van het kanaal. Wij knabbelden dorstigmakende rijstcrackers, en dronken ongekoelde zoete witte wijn. We overlegden.

Sheila had zin om weer eens projectjes te organiseren. (Wiesje en ik noemen ze schnabbels, evenals die modeshows, maar dat is onze eigen invalshoek.) Mijn verhaal over die barbecue en daarbinnen haar eigen verhaal over Thuis deden haar zoeken naar iets culinairs. Los daarvan had ze op vrijmarkten (vooral in het Vondelpark, bij de kinderen) leuke dingetjes gekocht om modeshows mee te doen. Oh, Wiesje en ik wilden in beginsel wel weer met schnabbels meedoen. Dennis wilde wel, maar hij had belet. Hij ging weldra voor weken of zelfs maanden naar de States. Logeren bij een vriend (van vrienden van de boys) in de Rocky’s, en hopelijk wat ontmoetingen hebben in Hollywood. Een agent was dat aan het regelen. Vorig jaar had hij in Aazicht ook ontbroken wegens Hollywood.

Had die schnabbel met nasleep [sex] voor Sheila en de andere deelnemers eigenlijk iets opgeleverd? Niets concreets, behalve voor Bram: die had nu een exclusief contract met een Chinese maker van sportkleding die nu onder eigen merk de Europese markt op wilde. “Met een marketing budget van twee porties bami”, misprees Dennis. Hij voegde er bedachtzaam aan toe: “En jij hebt je naam als sexkoningin versterkt, Sheil’.” Sheila knikte bedachtzaam: “Ja, voor mijzelf is het vooral marketing gebleken. Maar het heeft mij een paar porties bami opgeleverd. Een páár.” Ik voelde bij Wiesje die kenmerkende samenloop van verslappen uit verveling en verstijving uit ergernis, behorende bij “boutjes en moertjes”. De resultante was nu: “Je wilde iets met koken…” Sheila’s knikken leek nu ook bevestigend: “Inderdaad. Een weekend lang koken en eten. Allerlei lekkere dingen ontdekken en maken, en tussendoor sexen met verschillende mensen - zonder dat het eten eronder lijdt,” Wiesje opperde: “Laat ze leuke dingen inkopen èn koken èn eten.” Sheila kaatste: “Ja, dàt moet gebeuren. Maar hoe maak je dat leuk?”

Ik dacht aan twee dingen uit mijn jeugd. Allereerst het Advertentiespel (wellicht uit mijn moeders jeugd), al weet ik niet meer wat het spel-element was: je trok van drie stapels kaarten de bovenste, en kreeg dan zinnen als “Gezocht tegen elk aannemelijk bod - een houten hobbelpaard - van goede getuigschriften voorzien.” (Volgens bronnen op het Web ontbrak inderdaad het spel-element.) Voorts de workshops Free Jazz in het BIM-Huis, waarin iemand uit de groep een idee begon, en anderen konden meedoen (opbouwend, niet domweg erdoorheen pielen). Ik zei dus: “We kunnen met de hele ploeg naar Tin Roof gaan. Iedereen koopt voor een bepaald bedrag spullen die hem (of haar) lekker of uitdagend lijken. Dat is fase inkoop. Vervolgens mag ieder één ding uit de grote hoop kiezen (dingen als aardappels of rijst buiten beschouwing gelaten), en tenslotte ga je paarsgewijs andere paren zoeken om van die toevallige spullen iets leuks te maken. Dus één stel heeft bijvoorbeeld Nutella en Maggi, een ander stel heeft andijvie en spinazie, en een derde stel heeft kip en kruidenboter. Laat ze maar proberen om er samen iets van te maken. Dat is fase koken. Nu nog fase eten.” Wiesje proestte: “Laat de stellen elkaar de resultaten maar voeren. Wie wil er een bordje kip met andijvie en Nutella?” Ik hernam: “Inderdaad, het moet iets gestructureerder. Splitsen naar vlees of -vervanger, aardappelen of vervanger, groente, en saus of smaakmaker. En misschien weer naar voor-, hoofd- en nagerecht, zoals toen bij die kookwedstrijd.” Wiesje knikte beamend, Sheila en Dennis knikten peinzend.

Denkpauze

Tijd voor een denkpauze. Eh… een pauze in het denken. Dan voel je ‘m al aankomen: “Wies, mag ik Larie effe lenen?” Dier antwoord ken je: een gastvrij armgebaar. Dan geef ik Wiesje een afscheidsknuffel, en wijd me aan Sheila.

Die wil wat Wiesje altijd krijgt; een himalaya en een sur place. Eigenlijk is Sheila niet bedreven in het aan zijn gerief helpen van een man. Het komt domweg nooit aan de orde, want iedere man wil klaarkomen in Sheila, en ziet de himalaya die zij inmiddels vooraf wil als de zoete prijs voor de eer die hem te beurt valt. Ik zou het zelf ook zo gezien hebben, maar Wiesje bekommert zich nu eenmaal ook om mijn genot, wil dat ik even hartgrondig geniet als zij. (Daarnaast helpt zij mij graag terloops van een stijve af.) Afijn, het kostte mij weer geen enkele moeite om Sheila te geven wat zij wilde.

Wiesje keek Dennis aan: “Moet ik jou helpen?’ Tja, misschien zou Dennis eigenlijk liever een beurt van mij gehad hebben, maar ik ben nu eenmaal dead straight. Wiesje haar gang laten gaan betekent trekken en pijpen, net wat hij wilde, maar hij heeft wèl die drang tot wederkerigheid. Hij weet, wat hij zou moeten doen, maar vingeren en beffen is niet zijn ding. Zijn uitweg is dus een sur place zonder voorspel “van onderen” (wel een beetje “van boven”), in de hoop dat de vrouw voldoende geniet. Hij is er open over, die enkele keer dat het staat te gebeuren omdat de vrouw naar hem smacht. Maar Wiesje smachtte niet naar hem, ze wilde hem helpen (en wellicht afleiding van hoe ik Sheila hielp). En zo geschiedde het, dat een jaar na Wouter ook Dennis Wiesje besteeg.

Ongelooflijk: de (in hun omgeving) zo fel begeerde Sheila en Dennis als de vragende partij. Dennis dan tenminste nog van onder vrouwminnaars fel begeerde Wiesje, maar Sheila van de tot Wiesjes “Ik blijf” versmade Larie. Ook pijnlijk, voor wie met Dennis meevoelt: na beider sur place wilde ik Wiesje de himalaya geven die zij (in ons beider ogen) achterliep, maar ik wil bij het beffen zelfs mijn eigen kwakkie niet ontmoeten, laat staan dat van een ander. Je zou kunnen zeggen, dat onze theorie over het centraal stellen van het genot van de vrouw in relaties een smoes is voor het vermijden van die ontmoeting. De uitweg is gelukkig geen probleem: alle beffen vervangen door vingeren (theoretisch ook door sur place), totdat Wiesjes rijkelijk vloeiende sappen alles hebben uitgewassen. (Thuis gebruiken we zonodig een knijp-zuigfles met water. Een kleinere behoort bij de chocola en pleisters.) Gelukkig kan Dennis zich goed voorstellen, dat een straight guy vies is van kwakkies in een vrouw.

Ja, tegenover iedere enkele keer klaarkomen van mij behoort een himalaya van Wiesje te staan. Een hoogtepunt van mij tegenover ieder hoogtepunt van Wiesje zou het afbeulen verre te boven gaan. Voor mij is het geven van die himalaya’s zowat mijn levenswerk, een ketting-bezigheid (zoals in “kettingroken”), maar geen sleur: iedere keer opnieuw de bewuste en onbewuste aanwijzingen volgen. Bedenk, dat Wiesje vijftien jaar ouder is dan Sheila, en ik nog eens vierentwintig, en dat ook Sheila en Dennis “genoeg” mensen van Wiesjes leeftijd zien die nauwelijks een sexleven hebben, en je begrijpt dat het onze ontzag wekt. En dat Sheila weet, wat ze in een man zoekt. Ze heeft trouwens ook gezworen, dat ze Wiesje aan een passende man zal helpen “as ik uut d’n tied ‘goan bin”, statistisch dus over ‘n jaar of twintig.

Wiesje had weer even genoeg gehad (nou ja, “HM” in de oude betekenis van Droom [geloof, sex]), slechts drie hoogtepunten volgens mij. Sheila had kramp van de zelfhulp bij de aanblik, Dennis was nog beduusd van zijn eigen inspanning, en ik verlangde alweer naar een volgende stijve: om nu weer Wiesje in te kunnen.

Wiesje peinsde: “Hoe is het inmiddels met de poppenmoedertjes?” Sheila proestte: “Ze wonen zowaar nog alledrie in de Apenrots. Één heeft het hele jaar geconcentreerd gestudeerd, één heeft nu de bijnaam “Matras”, en één heeft een strakke agenda, en lol als ze van zichzelf losmag. - Matras is trouwens een zakenvriendin geworden: ze wil helemaal de escort in, en betaalt mij voor bepaalde tips.”

Dennis vulde aan: “Er is inderdaad een markt van mensen, mannen en vrouwen, met huurwensen. Ik ben eens een dag op pad geweest met een dame, een wannabe cougar, die vond dat ik bij dat ene ondeugende mantelpakje paste. We reden eerst ‘s morgens naar de P.C. Hooftstraat, om voor mij kleren te kopen die ik dan moest dragen. Ze had ergens afgesproken met vriendinnen. Ik hoefde alleen maar dicht naast haar te zitten, af en toe een hand op haar dij leggen. En een sherrytje meedrinken. ‘s Avonds een rijsttafel voor twee. Nee, in Thuis zou zij een “peper en zout” klant zijn. Bij haar thuis een beetje klef doen. Ze vond het eigenlijk wel spannend dat ik homo ben, dus ze heeft me bijna moederlijk mee in bad en in bed genomen. (Moederlijk, ja, maar misschien had ze qua leeftijd mijn oma kunnen zijn. Al denk ik, dat ze zelf geen kinderen heeft gehad.) Ik heb zelden zo weinig hoeven doen voor zoveel geld, domweg er zijn en een beetje lief doen, maar ik heb me niet hoeven forceren - en zij heeft van iedere minuut genoten. Nou, dan was het toch goed? - Ik denk trouwens, dat ze inderdaad best een leuke vrouw is. Maar dan een die geleerd heeft om zich te bedienen als haar man weer eens op zakenreis is - en waarschijnlijk zelf een meid (of een knaap, je weet maar nooit) van mijn leeftijd heeft gehuurd. Of ze is ooit gedumpt, met een goudgerande scheiding.”

Ik peinsde hardop: “Ik moet weer denken aan wat Sheila laatst schreef over die janneman. - Sheila, jij en Wiesje willen heel beslist geen kwakjesvat zijn. Maar met escort kom je toch wel een eind in die richting? Maakt het geld dat dan goed?” Sheila knikte: “Ik kan me voorstellen, dat je dat vraagt. Ik wil privé geen kwakjesvat zijn. Als iemand me wil huren, dan weet ik wat ik kan verwachten. Dan hoop ik ook, dat ik er zelf lol aan kan beleven. Mijn projectjes zijn een grensgeval: enerzijds doe ik ze om geld, anderzijds hoop ik zo ook nog eens aan een geschikte man (de ware man, zou ik vroeger gedacht hebben) te komen. Misschien een deelnemer, misschien iemand die ik via deelnemers leer kennen. Ik maak er geen geheim van. Ik denk oprecht, dat duizenden mensen zich bij iedere ontmoeting met een man afvragen, of die wat voor mij is. Zo ja, dan vertellen ze hem dat. Ze hoeven het mij niet óók te vertellen, want ik merk het dan wel: of ze er zijn, en of het klikt.” Wiesje knikte: “Ik heb nooit geld aangeboden gekregen, ik heb alleen mijn gevoel gevolgd. Ik had ook geen echt netwerk zoals jij.”

Ook Dennis knikte: “Voor mij is het makkelijker: ik hoef geen vaste relatie met één persoon, en ik voel geen lading in ‘kwakjesvat’. Als ik een man kan klaarmaken, dan heb ik gescoord. Als ik in een vrouw kan klaarkomen, dan ben ik vooral opgelucht. Als zij dan óók klaarkomt des te meer. Voor alle gewriemel in een kut mis ik de drive en de feedback. - Dat voelt trouwens best lullig: alsof je een zintuig mist dat bijna ieder ander wèl heeft.” Ik troostte: “Ik heb me ook pas dankzij Wiesje kunnen bekwamen. We zijn trouwens Bill en Mina nog steeds dankbaar voor die uitdaging van “Flinterdun” [sex], want dáárdoor hebben we de tijd genomen om op elkaar in te spelen.” Wiesje knikte afwezig: ze bevingerde mijn voorhuid.

Dennis (aan Wiesjes andere zijde) kon het niet geloven: “Heb je hem nu alweer stijf?” Wiesje toonde hem mijn halfstijve, hield die vast, en greep Dennis’ slappe. Een paar doelmatige bewegingen, en ook die was stijf. Ze aarzelde even, en deed haar snel-klaar slag. Dennis kreunde, kwam weldra klaar, en sloeg uitgeput achterover. Wiesje likte het kwakkie van haar hand, veegde iets van haar dij, en likte ook dat van haar hand. Haar andere hand had nog steeds mijn halfstijve vast. Ze trok mij nu af met de afgelikte hand als spatscherm, en likte weldra beurtelings beide handen af. Afgezien van gekreun van Dennis en mij waren we onder de indruk. Wiesje geniet in dergelijke gevallen van de stille bewondering, en pleegt dan weldra allen te ontnuchteren met een relativering. Nu zei ze dus ongeduldig: “Ja, hoe maken we dat leuk?”

Waterkant 2

Sheila klonkt nu stellig: “Inderdaad. We gaan met de hele groep naar Tin Roof. We splitsen in groepjes. Eerst in twee groepen voor het voorgerecht: één voor de basis, één voor de add-on. Dan wisselen ze voor het nagerecht: add-on voorgerecht kiest basis nagerecht, en omgekeerd. Vervolgens splitsen we in drie groepen voor het hoofdgerecht: vlees, groente, basis. Dan schuiven die groepen door: vlees doet add-on groente, groente doet add-on basis, basis doet add-on vlees. In het kamp schuiven ze nog een keer: vlees/add-on groente bereidt basis, enzovoorts. Bij Tin Roof maken we tenslotte vijf groepen: voor drinken vooraf, bij iedere gang en als digestive. Ik zal Kees vragen, of we op zijn camping terechtkunnen, maar het is wel seizoen. Anders probeer ik Aazicht.” Ik zag het voor me: “Allemaal per bakfiets naar Tin Roof, en alle spullen zelf meenemen.” Sheila grijnsde vals: “Hebben ze nòg mazzel dat ze niet de Digitale Zandweg op hoeven.” Wiesje dacht mee: “En dit geheel maal het aantal dagen?” Sheila keek verrast: “Ja, dat is leuk! Doen we drie nachten: dan doet iedereen een keer elke rol in het hoofdgerecht.” Dennis vulde aan: “Dan moet je wel dichtbij Tin Roof blijven. Als Kees niet lukt, dan misschien bij Hassan en Aïcha?” Ik aarzelde: “Goed gedacht, maar wanneer is de ramadan dit jaar? En überhaupt lijken zij mij niet de mensen die een sexfeest willen huisvesten.” Sheila knikte: “Dan vraag ik Linda wel om tips.”

Fietstocht

Aldus geschiedde. Bij tamelijk zwoel weer vertrokken op een vrijdagochtend liefst zestig bakfietsen uit de stad in het oosten. Opvallend, vond Dennis: slechts vier homo’s en twee lesbiennes. Deze zes hadden het aanbod afgeslagen om deze keer te annuleren (een standaard-aanbod van Sheila bij te weinig aanmeldingen van een categorie). Inderdaad, Dennis zelf was mee: de organisatie was zo voorspoedig verlopen, dat de datum naar voren gehaald was, en anderzijds had Dennis’ agent de beoogde ontmoetingen iets uitgesteld.

Zestig bakfietsen op het stationsplein van die stad in het oosten, elk met twee schaars geklede jongelieden en een beetje bagage erbij. Sheila ging staan in “dus” haar bakfiets, in slechts bikini (uniform ondergoed), die in de felle ochtendzon zowat doorzichtig bleek. Ze hief een megafoon, en zei zoiets als: “Luister, lieverds. We hebben straks halverwege één pauze, middenin een bos. Dennis en ik hebben ouderwets broodjes ham en kaas gemaakt. Jullie creativiteit komt straks pas aan bod. We hebben per persoon voor onderweg een grote fles water en een grote fles cola. Dames, als je ziet dat de man op jouw fiets zo zweet dat hij snel door zijn drinken heen is, geef hem dan van jouw voorraad. Nee, Marion, zoveel vocht verlies je nou ook weer niet van geilheid. Ja, je mag ook even stoppen om in een tongzoen zijn mond te bevochtigen, maar probeer wèl om je aan de tijdplanning te houden.” Dennis heeft het gefilmd, vanaf zijn fietszadel nabij, dus schuin omhoog, en Sheila had waarschijnlijk een boete kunnen krijgen voor onzedelijke verstoring van de openbare orde. (Was dat nou in juridische vaktaal eendaadse of meerdaadse samenloop? Nooit iets met mijn studie kunnen doen.)

Een woord van bewondering voor Sheila en Dennis: die hebben zich de krampen gesmeerd aan die broodjes. Sheila zal wel vier broodjes per persoon gerekend hebben plus wat reserve: dus minstens 480 stuks. Waarschijnlijk had ze ook één of twee stuks fruit per persoon. Eigenlijk ontwikkelt ze zich tot een matriarch, althans tot zowel een moederfiguur als een leider. Dennis lijkt meer een zelfstandige, maar dan zo-een op wie de groep (de familie inbegrepen) kan rekenen. Zowaar, ik herken eindelijk Aart in hem.

Afijn, de kluit werd tot stoet, de stoet tot plukjes. Sheila als leidster achterstevoren in de voorste bakfiets, Dennis als een soort herdershond trappend op de laatste. Plus een ongenood geleide van web crawlers (enkelen ook op bakfietsen) en geilneven. (Oplettende lezertjes: de (brom)fietsroute van Wouter, Maaike en Claudia naar de stad ligt noordelijker, langs de gesloopte schaapskooi.) Met meevallende vertraging bereikte men Eikenrode, en sloeg als herstelde stoet af langs Tin Roof. Daar zaten Wiesje en ik ze met Nelleke in de schaduw van de aanplant op te wachten. Sheila stond op haar knieën in de bakfiets, zwaaide, en brulde “Tot zo!” De groep was groter dan ze oorspronkelijk beoogd had, en ze wilde eerst de bagage en de meeste bakfietsen gestald hebben, alvorens Tin Roof in te nemen.

Kamp 1

De plaats van het project was veeboerderij “Ooikooi” (wellicht vernoemd naar een dorp in Bommel-verhaal “het Boze oog”) van Freek en Ada, iets voorbij Tin Roof. Bij de hoeve zelf, aan de weg, had Tin Roof twee pallets wegwerp-tentjes afgeleverd. Het tentenkamp ging opgezet worden in een weiland op minstens honderd meter achter hoeve en stallen, en achter een hoog hek tussen twee sloten, bij de doorgang een cijferslot. Zonder de tentjes was het kamp opgebouwd op aanwijzingen van Aart (toch handig, zo’n vader). Ruim voorbij het hoge hek stonden inmiddels de gehuurde sanitairwagens en veldkeukens. Veel toiletwagens, want Sheila houdt niet van wachten voor toiletten, en zonder scheiding naar geslacht, want je moet elkaar met plassen kunnen opgeilen. Veel douches, met geisers op gasolie (gok ik), want je moet je samen kunnen verfrissen. Veldkeukens nieuwe stijl: een keur van huishoudelijke (niet bedrijfsmatig grote) electrische apparaten, en een ruime keus aan handgerei. Vanaf aansluitpunten nabij de hoeve liepen een water- en een rioolleiding naar het kamp. Inderdaad, in het kamp stond alvast een van de generatoren gedempt te brommen. Wiesje en ik hadden een kinderhandje geholpen.

Een uur later kwam de groep bij Tin Roof aangesloft. Drie lege bakfietsen werden gereden door meiden. Ja ja… Knuffels met Sheila, Dennis en enkele bekenden, en we gingen de supermarkt in. De groep was veel te groot om doelmatig te zijn, dus Sheila improviseerde een zodanige opsplitsing, dat meer kleine groepjes beperktere keuzes maakten dan oorspronkelijk gedacht. Wiesje en ik hadden voorlopig slechts een bijrol. In de supermarkt waren we wegwijzers, samen met Nelleke, Linda, Bob en Fred en de neven. (Die neven heten ook Bob en Fred. Eikenrode is nu eenmaal een krimpend gemeenschapje met een traditie van vernoemen. Dus veel mannen zijn vernoemd naar dezelfde voorvaderen Robert en Alfred. En Berend, ja. Dat heb je goed onthouden!).

Met de bakfietsen zwaar beladen (alleen al met het bier dat de mannen in een etmaal dachten te drinken) kwamen we terug bij kamp Ooikooi. Freek (inderdaad: import), Ada en Rob (Ada’s vader, de vorige boer) volgden de stoet op gepaste afstand naar de tenten, benieuwd naar het vlees dat men in de kuip had (eh… naar de types in die onverhulde lijven) en naar de gedane inkopen. Ja, de voorraad bier oogde vertrouwd, de voorraad aardappelen bemoedigend (want geen fast food), maar wat was dat andere dan allemaal? Wiesje en mij hadden ze al de hand geschud bij het opbouwen, en ze schoven voor contact toch maar naar ons toe als de duidelijke ouderen (arme jeugdige Wiesje!) - ongeacht het gebrek aan fatsoen in de kleding die wij ons verstoutten. Maar minstens Freek (in leeftijd halverwege tussen Wiesje en mij) weidde intussen zijn ogen, te beginnen op haar.

Sheila kwam aangezeild, en beide mannen begonnen te kwijlen. Ze hadden haar al ontmoet bij de location scouting, maar toen was ze zakelijk gekleed geweest. (Sheila en Dennis kunnen uren sparren over de kleding en accessoires die bij een gegeven gelegenheid wel of niet passen.) Ada stond te vergrammen. Sheila kent haar uitwerking op mannen èn die op vrouwen, en wees domweg Wiesje en mij als officiële contactpersonen aan. Ze legde vluchtig een hand op Ada’s schouder, fluisterde haar toe “Wat een knopenweer, hè?”, en zweefde weer weg. Alledrie keken ze haar dromerig na, en richtten de blik daarna weer op Wiesje. Die nodigde vooral Ada uit om de keukenapparatuur te bezichtigen, en schoof mij naar voren voor de toelichting. (Bij de biecht bleek, dat we beiden hadden teruggedacht aan die reportage.) De toelichting bleek welkom, want Eikenrode ligt waarschijnlijk aan dezelfde brakke gasleiding als Us Net, en valt zéker onder hetzelfde nationale energiebeleid. Uiteraard kwam weldra de vraag op, of ze konden toekijken bij het koken. Wiesje was helder, in drie opzichten (waarvan ze er één verzweeg): “Nou, nee. Voor hen is dit ook de eerste keer.” Ik vulde aan, dat op YouTube allerlei filmpjes over dergelijk spul staan. Oh, daar opende ik de deur naar een nieuwe wereld. (Inmiddels hebben ze mede dankzij die filmpjes zelf wat apparaten aangeschaft. We zijn ook al eens over en weer wezen eten.) Vervolgens begon Wiesje aan een terugtocht (richting straat). Die begreep ik eerst niet, maar ik speelde wel mee. Wiesje veinsde, dat ze nog een boodschap moest doen (althans kijken of Tin Roof iets voerde). Pas toen we de boeren weggelokt hadden van alle ontluikende sex rond de douches, vroeg ze me met een te uitgestreken gezicht of we dat niet toch gekocht hadden. Boeren naar binnen, wij omarmd naar het kamp. Daar kreeg Wiesje alle lof voor die ingreep. Uiteraard wisten de vrouwlijke deelnemers heus wel, dat hun aantrekkingskracht niet beperkt zou zijn tot de vrouwminnaars onder de deelnemers, maar ze wilden geen pottenkijkers (ook de niet-potten), en mannen blijken toch al preutser.

De zestig tentjes stonden inmiddels opgesteld in een kring van vijf kringen van twaalf. Elke kring had één tent met een vlaggetje met daarop een letter. Iedereen kon klokkijken, iedereen begreep meteen wat bijvoorbeeld “D4” betekende. (Zucht. Voor de bijgoochems onder de lezers: dat betekende het vierde tentje, met de klok mee gerekend vanaf vlag “D”.) De sanitairwagens en veldkeukens schermden dat geheel af. Ons eigen aloude tentje stond middenin die kring van kringen, opening naar het zuidwesten (middag- en avondzon, wellicht verkoelend windje). Weldra hadden we onze luchtbedden buiten liggen, en lagen wij daarop rustig bloot te vrijen. Kort daarna hadden wij een kring van aangesleepte luchtbedden met volgers om ons heen. Ook hierin werden wij vraagbaak (“Hoe krijg jij hem zo snel weer stijf, Wiesje?”, “Wat doe je als ze ongesteld is, Larie?” - altijd vooral die vragen). Sheila leek vastbesloten om nu binnen de lijnen van haar eigen spel te blijven, en drong zich niet op. We meenden de mannen die zij net gehad had te kunnen herkennen aan hun gestrompel.

De beide lesbiennes hadden weinig afwisseling, maar ze konden het gelukkig samen wel goed vinden. Een mollige wetenschappelijk medewerkster van dertig, zo iemand die mij herinnert aan de roze tuinbroeken uit mijn studietijd, en een magere studente van achttien die nu haar eerste studiejaar had voltooid (vroege leerling), en nog bezig was om haar geaardheid te ontdekken. Zij waren wellicht de oudste en de jongste deelnemer (want Wiesje en ik tellen niet mee). Zoals vaker voorkomt, hadden deze twee belangstelling voor ons: voor frunniken aan Wiesje en weldra ook voor befrunnikt worden door mij. Die himalaya’s van Wiesje vallen nu eenmaal op. Maar Wiesje geeft zich niet aan Jannie en Allevrouw.

Ik besefte trouwens opeens, dat Wiesje weer een spelletje speelde: ze deed mij haar zodanig behandelen, dat ze zo mooi mogelijk glansde, met zo stijf mogelijke tepels en zo nat mogelijke kut - kortom dat zij temidden van al die jonkies het onbetwiste opperkonijn was. Nou, dan speelde ik dat toch graag weer mee! Ik bespeurde Sheila’s nadering, en keek even op. Zij was beslist in zeer goede handen, oogde zo begeerlijk als zelden tevoren, maar verbleekte toch echt naast Wiesje. Ik kon het vanuit mijn houding niet zien, maar ik voelde bij Sheila’s “Lukt het?” de erkenning van Wiesjes overwicht. 1 - 0. Wat doet Wiesje als ze die triomf geïnd heeft - ze wisselt de rollen, en gaat mij bewerken. Doelgericht, zonder de tussenstap van knuffelen, maar niet gericht op de snelheid van klaarkomen. Zo ook nu. Ik werd vastbesloten mijn rug op gerold en in mijn kruis getast. Mijn blikveld was nu omhoog. Ik zag Sheila ongeveer boven mijn gezicht staan, haar tepels vervaarlijk stijf, en lekte daar niet een grijze druppel op mijn hoofd? Ze stond hand in hand met een goedgebouwde student. Die keek naar Wiesjes gesjor, en ik zag zijn pik van uitgeput slap tot halfstijf groeien. 2 - 0 voor Wiesje. Ik sloot mijn ogen, want mijn hoogtepunt naderde snel. Wiesje veranderde op het laatste ogenblik van gedachten, en liet mij met een boogje op mijn buik spuiten. Ze week terug om Sheila en student dat te tonen, en boog weldra voorover om het op te likken. 3 - 0. De man in de stofjas protesteerde wegens buiten spel. Oh, over hem gesproken: hier plak ik een stukje tussen, dat maanden tevoren speelde.

Kantine (terugblik)

Paniek tijdens het ochtendritueel. Wiesje had tijdens de aanbetaling tussen (nu weer eens) de stofjasjes een tutu waargenomen. Of ik me maar even wilde verantwoorden.

Eigenlijk helemaal niet gek (in deze absurdistische samenhang), maar dat besef was ook tot mijzelf niet eerder doorgedrongen. Immers, zaad- en eicellen zijn haploïd, eicellen alle vrouwlijk, zaadcellen statistisch voor de helft (van hun aantal), de rest manlijk. Dus zou het helemaal niet gek zijn, als genetisch vrouwlijke zaadcellen de kans zouden aangrijpen om iets anders te dragen dan een stofjas of een padvindersuniform. Maar hoe er dan een tutu beschikbaar was gekomen, dat kon ik niet verklaren.

Ik ging in de tegenaanval. Hoe kwam Wiesje op de gedachte van een vleermuizengrot, terwijl die eicellen, indien (bij ons onverhoopt) gesprongen, door de eileiders bolderen als hedendaagse westersen over de wenteltrappen van een middeleeuws verdedigingswerk - terwijl vleermuizen daarin alle ruimte zouden vinden voor luchtacrobatiek. Ja, dat was dan wel weer zo. Wiesje vroeg een troostknuffel voor het verlies van haar droombeeld. Die kreeg ze uiteraard. (“Een uur zonder knuffels is een dag niet geleefd”, plegen wij te stellen.) Dat beeld van die wenteltrap sloeg aan. Wiesje opperde, dat de kantine dan maar bevolkt moest zijn door ridders en prinsessen. Nou ja, door jochies in korte broek met plastic zwaardjes, en door meisjes in gazen jurkjes met diademen in heur haar.

We dubben nog over de nieuwe aanduiding van de kantine in Wiesjes beeldspraak over mijn prostaat. Mij lijkt balzaal treffend, maar Wiesje vindt die aanduiding te eh… oud voor die kinders. Zij denkt dan aan vrouwen met hoge puntmutsen en lange jurken die op armlengte worden aangestuurd door stijve mannen in pofbroek. Zelf denk ik bij balzaal aan keizerlijk-Weense decadentie. Eetzaal, speelzaal, trouwzaal, slaapzaal, vergaderzaal, raadszaal? - Zaadszaal dan maar? De man in de stofjas wrijft zich grimlachend de handen.

Kamp 2

Langzaamaan kwamen alle deelnemers weer op krachten van het fietsen en het vrijen. Het werd tijd voor een potje thee met koekjes danwel een potje bier met zoutjes. Daarvan voorzien verzamelde men zich op het Plein: die ruimte rondom ons tentje. Er bleek een geluidsinstallatie aanwezig. Sheila maande degenen die vandaag het eten zouden bereiden om uit zichzelf tijdig naar de keukens te gaan. Vervolgens verzorgde Dennis een niet opdringerig muziekje.

Toen de eerste ploeg dan maar de denkbeeldige mouwen opstroopte, volgden Wiesje en ik hen op afstand naar de keukens. Het was er vol. Sheila’s herziene aanpak was, dat voor elk van de drie avondmaaltijden eenderde van het deelnemerstal dienst had. Veertig man dus, en dan maar opgesplitst over voor-, hoofd- en nagerecht plus algemene ondersteuning, waaronder afwassen (niet-wegwerpspullen schoonmaken). In de hitte van het inkopen was ondergesneeuwd, welke waren voor welke menugang bestemd waren. Er ontstond een minne schermutseling: “Wat weten zulke tieten nou van bladerdeeg?” - “Dat zullen ze jou eens aan je worteltje hangen, als ik klaar ben met deze suikermeloen op gympen.” - “Afwassers, staan jullie daar niet zo dom te lachen, anders slachten we jullie voor het hoofdgerecht.” - “Slachten??? Wij zijn al geslacht: kijk maar naar deze groef in mijn buik.” - “Jemig, heb je daar nou afwasmiddel ingedaan?” - “Ja, uit zijn knijpflesje.” - “Hé, Wiesje! Hoe maak jij eieren klaar?” - “ Zie je mij aan voor een kleuterneuker? Moet je mijn ouwe bok eens zien!” - “Sorry! Ik neem het terug.” - “Spiegelei, spiegelei aan de wand, wie is de geilste van het ganse land?” - “Sheila natuurlijk, want die moet met ons allen klaarkomen.” - “Nou, dan heeft ze het er druk mee!” - “Precies, dus laten wij dan vast eten koken.” - “Goed plan. Hier met dat bladerdeeg!” - “Zeg, vriendelijke vriend, wil jij geen ezelsoren maken in mijn bladerdeeg!” - “Heb jij dan eetbare bladwijzers?” - “Gebruik groene blaadjes: lust die ouwe bok ook!” - “Ik ben zo oud als Wiesje zich voelt.” - “Wàt! 140???” - “Nou… in maanden komt het aardig in de buurt…” - “Vieze ouwe kleuterneuker!” - “Ik ben niet vies! Niet van Wiesje, en zij likt me steeds schoon.” - “Ja, ja…” - “Welke geit heeft nou van dat bladerdeeg een telefoonboek gemaakt!” - “Een telefoonboek? Wat ouderwets!”

Gaandeweg ontstonden desondanks gerechten. Boeiende gerechten (vonden wij) door de uitdaging van de vergeten uitdaging. Er ontstonden gerechten die waarlijk niet onder één keuken (wijze van bereiden) te vangen waren. Vandaar de titel van dit verhaal. Wiesje en ik waren de wegwijzers in de keukenmachines (“Hoe kan ik dit 23 minuten zachtjes laten doorkoken?”) en in het assortiment van Tin Roof (“Eigenlijk smaakt dit lekkerder met Padan rijst dan met Basmati. Hebben ze dat?”). Daarbij moesten we enkelen uit de dromen helpen. (“Zo te zien heeft dit ding geen timer, maar jij hebt toch een stopwatch op je mobieltje?” en “Als je nu opeens andere rijst wilt, dan vraag je Sheila of er nog geld voor is, en dan spring je zelf maar op een bakfiets.”) Uiteindelijk was het meeste best smakelijk.

Vrijdagavond

Na het eten ging men desgewenst wandelen. Een groep rond Sheila kent nu het bestaan van Thuis, een deel van die groep ook het sluitingsuur van dat café aan het kerkplein in Eikenrode. Wiesje en ik liepen met de zes homosexuelen mee. Bij Ooikooi loopt een vaart aan de oostzijde van het verlengde van de Digitale Zandweg. Wij volgden die zuidwaarts.

We zagen in de verte een ophaalbrug over dat kanaal. Een gammele brug, waarschijnlijk gebouwd voordat de provinciale weg aangelegd werd, en sindsdien amper onderhouden. Je kon tussen de vermolmde planken van het brugdek door het water onder je zien. Van rechts (westen) sloot een met puin verharde weg op de brug aan. Over de brug liep die door, maar vervaagde in een gemengd bos. Als je wilde, zag je allerlei voetpaden dat bos in gaan. Wiesje en ik hadden de kleine rugzak mee, dus “chocola en pleisters”, dus hoofdlampjes. Ik nam een foto van de brug (met de zakkende zon net achter een hameistijl (opstaand deel)) terwille van de GPS-coördinaten. Vervolgens namen we het duidelijkste bospad, ongeveer zuidoostwaarts.

Het begin was duidelijk in gebruik als toilet. Daarna kwam een stuk met snoeppapiertjes en condooms. Verderop werd het gemengde bos steeds meer een sparrenbos, dicht, donker, stil. Soms zag je sporen van mountain bikes. Het bos kreeg vervolgens meer hoge loofbomen (eiken?), aangevuld met allerlei opschot, struiken en varens. We liepen zwijgend en langzaam. Zodoende verrasten we een paar reeën. Op een open plek in de ondergroei namen we pauze. Geen mieren? Dan allen uit de kleren, elkaar gerieven, plassen, toch maar weer de kleren aan. Inmiddels was de zon ondergegaan, dus het zou snel pikdonker zijn. Zelfde weg terug, dan maar. Ik leende mijn hoofdlampje aan Dennis. Dan kon die weer met zijn maat achterop lopen, ik met Wiesje voorop. Ik bedacht nog iets, haalde een touw uit de rugzak (Hoe was dat erin gekomen?), maakte schuiflussen aan de einden, schoof een lus over mijn ene pols, en reikte de andere aan Dennis. Zodoende konden we met minstens vier man bijelkaar blijven, ook zonder licht. We liepen liefst twee aan twee omarmd, maar het pad was daarvoor eigenlijk net te smal. Een fietslamp kwam in onze richting schijnen, maar naderde niet. We beseften, dat we het toiletgebied naderden. We wachtten maar even, en zagen weldra het achterlicht van de fiets over de brug verdwijnen. Weldra waren we weer op de weg naar Ooikooi.

Het kamp was donker, met noodverlichting bij de sanitairblokken en veldkeukens, en lampjes in tent-openingen. Het plein was redelijk gevuld met groepjes mensen op luchtbedden, drank en knabbels bij de hand. Sommige stellen lagen stil te vrijen, andere namen in uiteenlopende mate van luidrucht deel aan gesprekken over uiteenlopende onderwerpen. Wij achten meldden ons terug, vertelden aan de naasten waar we geweest waren, en gingen over tot onze orde van de dag. Voor Wiesje en mij was dat: uitkleden, nog even op onze luchtbedden vóór ons tentje beetje meepraten, algauw met onze spullen ons tentje in, avondritueel, slapen.

Zaterdagochtend

Zaterdagochtend werden Wiesje en ik bij dageraad wakker, flink bezweet. Wiesje had gedroomd dat wij in de modder aan het worstelen waren, en dat ik gewonnen had door vals te spelen, namelijk door een geweldige kwak modder uit mijn pik te lozen en haar daarmee omver te duwen. Nou, dat vroeg om verontschuldigingen en een troostknuffel, maar uiteraard was de uitdaging: te zien of ik echt zo veel zo hard kon spuiten. Zo begon ons ochtendritueel. Natuurlijk haalde mijn kwakkie het niet bij die modder. Nu eens een tegenaanval: dat ik haar wel eens zou laten voelen, hoe je een modderstroom opwekt. Na een verdienstelijke himalaya moest ze dat toegeven. We moesten maar eens denken over drainage op onze luchtbedden. Vóór de sur place eerst naar het sanitair. Zo te zien en te horen sliep iedereen. Trek in koffie. Wij zagen kans om snel een potje koffie voor onszelf te zetten, zonder meteen zwaar materieel in te zetten en koffie te verspillen. Afgebeuld of niet, de aanblik van Wiesje in bepaalde houdingen roept mij tot mannenplicht, en geeft mij de kracht daartoe.

In de loop van de ochtend kropen meer mensen uit hun tentjes. Soms met hun luchtbedden, om in de zon verder te genieten. Velen brulden om koffie, maar slechts één deelneemster trok haar tentgenoot mee naar de keukens om dan maar meteen voor iedereen koffie te zetten. Zucht…

Toen die koffie op was, evenals alle koekjes-en-zo (want brood kopen was vergeten), greep Sheila de microfoon. (Zo, wankelde die even! Blijkbaar goed uitgewoond.) “Lieverds, goedemorgen. Ik hoop, dat jullie evenveel genieten als ik. We gaan straks weer naar de supermarkt, en rouleren zo als we gisteren hebben afgesproken. Laten we ons nu klaar gaan maken (ja, Wiesje, in alle gewenste betekenissen) om weg te gaan. Loop op weg naar de straat nog even langs onze voorraden, probeer te onthouden wat er is, en probeer er ook van te leren. Volgens mij is er bijvoorbeeld veel kipfilet over. Kunnen we misschien beter weggooien, en laten degenen die het gisteren hebben gekocht nu iets voorzichtiger inkopen. Daarentegen was de yoghurt gisteren snel op. Daarvan moeten we vandaag misschien iets méér kopen. - Wiesje en Larie, gaan jullie mee, of moeten we het zelf maar uitzoeken? - Ah, gezellig!” Anderhalf uur later slofte de stoet de supermarkt binnen.

Inkopen (uiterlijkheden)

Was het de warmte buiten, het afbeulen, iets anders? Het inkopen werd een heen-en-weer van allerlei winkelmaterieel de opstelplaats op en af. Iedereen was doorgeschoven naar een nieuwe taak, moest zich vertrouwd maken met een nieuw deel van deze uitgestrekte winkel, en met de vraag, hoeveel 120 personen van iets zouden verstouwen. Als je braaf aardappelen gaat schillen, hoeveel blijft er dan over van een kilo? Is (afgerond) acht gram zout per persoon voor een hoofdmaaltijd veel - medisch, danwel naar de smaak van een patat-eter? Men ging nu wèl brood kopen, liever dan de broodmachines proberen, en vloog elkaar zowat in de haren omtrent broodjes danwel gesneden brood (want wit, volkoren of tussenvormen werden een kwestie van smaak geacht). Tja, toen dan eindelijk de kassa kon rinkelen, bleek het budget zo ver overschreden, dat Plan B moest worden ontwikkeld en uitgevoerd. De vaste klanten hebben hun zaakjes uiterlijk zaterdagmorgen geregeld, dus die bleven onkundig van alle heisa, totdat neef Bob iets ondoordachts tweette.

Ik was ongeveer middenin de winkel gaan zitten, op de rand van een leegrakende wegwerp-pallet, Wiesje in jeans rokje en wit topje (uniform beha) ouderwets op schoot, mijn handen op of tussen haar dijen. Dan durft zij alles, dus ze wees weldra de weg met haar door het katoen prikkende tepels: “die kant op”, of “in het gebied hiertussen”. Niet slechts haar stevige spenen prikken door de stof, ook haar grote wijzerplaten (tepelhoven met een mooie kring puntjes (glandulae areolares)) minachten deze kwaliteit katoen. Geleidelijk ging ze ook afstanden noemen: “honderd erecties”, of “binnen het schootsveld van Larie, als ik hem aftrek”. Dat laatste uiteraard slechts als beeldspraak. Wel had Wiesje opeens “schootsveld” als een lievelingswoord. Wiesje denkt zelf, dat haar wijze van aanwijzen het inkopen bespoedigd heeft: je zult maar tepels moeten volgen vanaf een zichtbaar geile vrouw. Ze ging trouwens ook hoogtes aangeven: “voor mij op borsthoogte, dus voor jou tegenwoordig zonder beha…”

Dat is een uiting van een nieuwe neiging: de stand van haar borsten vergelijken met die van andere vrouwen: “Oke, jij bent inderdaad vijf jaar ouder dan ik. Dan maken we nú een foto van ons met blote tieten, en dan kijken we over vijf jaar, hoe de mijne erbijstaan.” Ja, ze wordt steeds feller het opperkonijn, maar als ze alle (terechte) lof heeft geïnd, dan schuift ze die op mij af: “Als ik Larie niet had gehad, dan hingen mijn tieten nu al erger dan de jouwe.” Dat dreigt ook nog over te slaan naar lagere gebieden: “Ja, meid, je moet hem wèl leren vingeren en beffen. Dan loop je net zo te soppen als ik. - Nou ja, bijna.”

Ook Sheila is de pineut. Die heeft prachtige borsten, maar voor haarzelf onhandig groot. Dan doet Wiesje voor: “shake, baby, shake”, maar als Sheila dat zonder beha nadoet, dan dondert ze bijna om. En Wiesje is zo blij met mijn waardering voor haar brede heupen, voor de zodoende grotere afstand tussen haar benen, haar stevige grote schaamlippen, het tere flapje dat daartussen altijd iets uitsteekt, soms iets dichtgekruld, kortom: de ruimte die ik daar heb om te genieten en genot op te wekken. Dan kan ze tegen Sheila met dier afgunstwekkende figuur zeggen: “Kijk anders ook even op de heren-afdeling.” Ze leggen het meteen weer bij, misschien vooral omdat Sheila net te lang moet denken over passende reacties op Wiesjes plagerijen. Daarentegen lijkt Wiesje wèl een beetje afgunstig op Maaikes figuur, al weet ze, dat ik het hare verkies.

Vergelijk Wiesjes huidige gedrag eens met dat uit onze eerste verhalen (en waarom ik het zeil bedacht). Bedenk voorts, dat Diana net zo en nauwelijks ouder oogde dan Wiesje, ondanks de 22 jaar verschil, totdat de komst van Elsje haar ware leeftijd ging tonen. (Niet “aan het licht bracht”, want je zult maar op je 58e weer moeder worden, en dan onbedoeld.) Diana is nu een vrouw van zestig die nog steeds bewondering afdwingt om haar voorkomen. Maar goed, vergeef mij de uitweidingen over het uiterlijk van vrouwen. Wellicht is het voor mij minder belangrijk dan voor henzelf.

Afijn, uiteindelijk was het geheel der aankopen binnen budget gebracht en betaald. Aan de mannen. om die naar de enkele meegenomen bakfietsen te brengen. Niet uit gebrek aan emancipatie, maar als onderdeel van (zoals Maaike zou zeggen) het baltsgedrag. Sheila greep weer in: “Lieverds, zullen we éven daar in de schaduw op het gras gaan zitten met elk één flesje water? - Ja, natuurlijk mag je er ook andere dingen mee doen dan leegdrinken. Als je maar veilig in het kamp terugkomt met je partner.”

Kamp 3

Eenmaal terug ontdeed iedereen zich van die lastig geachte minimale kleding, greep iets te drinken, en zocht meestal een volgende partner. De bakfietsen met aankopen bleven onbeheerd in de nog steeds krachtige zon staan. Sheila greep de microfoon, en brulde: “Willen de tien mensen die nu algemene ondersteuning doen de boodschappen nu meteen veilig opruimen? Anders gaan ze zelf aan het spit. - Ja, natuurlijk mogen anderen helpen. Dames, let op, wie de dienstbare heren zijn: die moet je koesteren.” Dat hielp.

Het was dus borreltijd, en het plein rondom ons tentje was bezaaid met luchtmatrassen (zo te zien ongeveer één per stel) en daarop blote mensen in verschillende stadia van kennismaking en overgave. Ik meende, al de eerste verbrande schouders te zien. Wiesje en ik hadden de luifel van ons tentje omhoog, en hadden één luchtbed daaronder. We wilden even onder ons zijn, en deden een soort avondritueel op dat bed. Wiesje maakte een schouwspel van de aanbetaling, beliefde een extra lange oplaadtijd, en verwelkomde zichtbaar mijn sur place. Sheila en haar maat bleken op de eerste rij te verblijven. Ze gaf hem uitleg aan de hand van het gebodene over haar eigen wensen. Die maat was een rossig scharminkel, iemand die volgens Wiesje buiten Sheila’s projectjes weinig sjans zou hebben. Hij bleek echter een natuurtalent, kwam zelf te vroeg klaar in zijn sur place, maar begon meteen aan indrukwekkend bef- en vingerwerk. Uiteindelijk deed Sheila Wiesjes snel-klaar slag, liet hem zichtbaar op zijn buik spuiten, en likte dat als een kat op. Wij klapten van oprechte bewondering, en opeens had Marcel verschillende uitnodigingen. Hij gaf Sheila een zeer opwindende afscheidsknuffel, en liep met een andere meid mee. Sheila keek hem verlangend na - een zeldzame aanblik.

Toch echt tijd voor het kokerellen. Wiesje en ik sloften omarmd naar de veldkeukens. Daar begon de gezellige chaos opnieuw: weer veertig jonge mensen die toch minstens hun gedrag op elkaar moeten afstemmen, liefst zelfs samenwerken. Dan ook nog eens bloot (“Een voordeel van deze electrische spullen is, dat ze doorgaans gesloten zijn. Dus weinig kans op hete spatten op je edele delen.”), en met Wiesje op mijn schoot als bijzondere afleiding. Ze was bovendien in een bijzonder aanhalige bui, dus op de sur place na kwam veel voorbij. Stel je voor: je bent bloot binnen een kluit van veertig mensen, waarvan twintig mogelijke bedgenoten en (mogelijk overlappend) tien ploeggenoten, in een ondanks alles beperkte ruimte (om de keukentafels en apparatuur heen), met een vage opdracht (een menu-gang helpen toebereiden, danwel anderen daarbij ondersteunen met ondermeer afwassen), en je cursusleiders (warempel onze status!) zitten te vozen! Sterker: Wiesje heeft zich tweemaal van mij af laten glijden om mij te pijpen. Onze houdingen waren niet geëigend voor klaarkomen, maar Wiesje liet mij geen keus. Zodoende liep zij minstens een himalaya (een dubbele, dus) achter. Dus bij de eerste vaststelling dat het voorgerecht opgediend kon worden, snelden wij terug naar ons tentje, naar dat luchtbed onder de flap, voor die himalaya. Dat werd dus een “komen en gaan van Klaar” (zoals Afra ooit beschreef), met algemene navolging, en de soep werd veel minder heet gegeten dan die werd opgediend.

Algemene navolging, ja. Zie je het voor je: ongeveer zestig paar opgetrokken knieën, ongeveer zestig blote ruggen, afwisselend tussen de gevoelige plekjes op het onderliggende lichaam, maar (overeenkomstig de stand van veel luchtbedden) met ons als brandpunt. Een onbekend gebleven buurman (denken wij) heeft met een drone ons luchtruim geschonden, en de beelden kort on-line gehad. Kort, ja, want Amerikaanse Internet-reuzen verdragen nu eenmaal geen bloot.

Algemene navolging, dus. Wiesje ging lekkend op een niet weggezette bakfiets staan om dit succes te aanschouwen (terwijl ik op de grond bleef, en strelend haar ene dijbeen vasthield). Olie op het vuur! Sheila greep de microfoon, maar bleef zelf ergens liggen: “Lieverds, DIT is het nou! DIT is wat Wiesje al jarenlang tig keer per dag krijgt. DIT is waarom ik Larie steeds zo graag van haar wil lenen. DIT is wat IK in een man hoop te vinden. DIT is wat ik alle vrouwen onder jullie (en alle vrouwen ter wereld) gun. Mannen, houdt dit vast! Lesbo’s, jullie hoef ik niks te zeggen. Mensen, geniet!” Warm applaus, wellicht zowel voor Sheila als voor Wiesje als voor de mannen in het gezelschap. Volgens Wiesje dus vooral voor mij. Mja, zou kunnen. Ik hielp haar schutterend van de bakfiets af, nog steeds zwaar onder de indruk van deze mooie vrouw en van het genot dat mij gegeven is om haar te geven. (Billy Connolly noemt ergens de komiek die na een uiterst geslaagde voorstelling in de kleedkamer instort: “Hoe kan ik dit morgen herhalen?’ - Ik heb die angst al vanaf de eerste nacht met Wiesje, en haar verlatingsangst is tot ditzelfde geworden. We weten dit van elkaar, we stellen elkaar voortdurend gerust.) Dat gaat je niet in de koude kleren zitten, laat staan in je hete blootje! Terug op ons luchtbed deden we een eindeloze “wij horen bij elkaar” knuffel - totdat iemand vroeg: “ Moeten we wat voor jullie warmhouden?” We bedankten deze oplettende deelneemster, hielpen elkaar overeind, en strompelden naar het buffet (klaptafels natuurlijk).

Ondanks de trage aanloop was de maaltijd (op de afwas na) ongeveer even laat klaar als op vrijdag. Nu ging een grotere groep naar het café. Wiesje en ik slopen onbemerkt weg, en marcheerden (nou jaaa…) naar de open plek van vrijdagavond, dan nog iets verder. Daar werd de ondergroei weer dichter, maar het nu nog flauwe pad leidde langs een ven. Daar zetten we ons op een omgevallen boom, en keken stil rond. Het was doodstil om ons heen. Wiesje maakte gedempt dat geluid dat we van Maaike kenden. Ziedaar: van vijftien meter verder langs de oever kwam een kudde mammoeten (ter herinnering: een stuk of tien, van die herdershond-grote) langzaam op ons af. Oh, hadden we doppinda’s in de rugzak?

Het werd een gezellige kennismaking. We noemden de leidster dan maar Claudia (naar Maaikes buurmeisje en schoolmaat). Die was blij met onze uitleg over de doorgangen onder de snelweg, want de aanleg van die weg had hen tezeer verrast om daarop te letten. We toonden de groep onze en Maaikes foto's van de andere mammoeten. Zo zo, dus ook Ephraïm… Hij riep gevoelens op, maar onduidelijk bleef, welke. En die mensen bij de brug hadden dus geen kwade bedoelingen. We vermaanden Claudia om de gevaren van papiertjes, plastic en condooms. Daarna moesten we toch echt terug.

Nabij de brug bleek een groep trekkers beland. Op de grond lagen lampjes te schijnen, en iemand stemde een gitaar. We herinnerden ons een zijpad, en kwamen met een omweg onbemerkt bij de brug. Kort nadien meldden we ons terug bij Sheila. Die ging opgelucht alsnog met haar maat en een pluk anderen naar het café.

Zondagochtend

Ik werd pas wakker toen velen dat al waren. Tijd voor een wervelende Wiesje show. Eerst onze vaste knuffels. Toen hand in hand naar de toiletwagens, samen in één hokje, deur open. Er was geen publiek. Ik voelde aandrang in mijn darmen. Wiesje liet mij op de pot zitten, liep met een diepe zucht naar de toegang, en hield daar mogelijke andere gebruikers tegen: “Mijn man zit te stinken. Neem een andere!”

Uiteindelijk kwam ik opgelucht naar haar toe. Ze had inmiddels op het vertrapte gras een kluit toeschouwers. Ze deed mij in de deuropening bukken tot mijn aars over de toeschouwers heen wees, spoot wat water uit de meegenomen knijpfles mijn bilnaad in, gaf me een tik op mijn billen, deed me rechtop staan, deed een stap voorwaarts naar het trapje buiten de wagen, boog zelf naar hevige O-benen, spoot veel water haar kut in, boog terug, sleurde mij tot naast haar, propte mijn halfstijve die knijpzuigfles in, maakte een rammelend gebaar dat veel water kostte, liet mij even alleen met de ademloze toeschouwers, en hervulde intussen de fles. Daarna nam ze me bij de hand, sleurde me terug naar ons luchtbed onder de tentflap, en smeet mij erop. (Ter herinnering: Wiesje doet graag theatraal, maar ze is intussen wel zorgzaam. Toch kan haar spel onbedoeld ruw uitpakken.) Ze ging boven mijn hoofd zitten, en begon aan een luidkeels bars verhoor. Van wie ik gedroomd had? Wat we hadden afgesproken? Intussen “martelde” ze mij door nu eens mijn hoofd tussen haar dijen te klemmen, dan weer zo ver wijdbeens te zakken, dat ze mijn neus met haar schaamlippen omsloot - waterboarding à la Wiesje. Eigenlijk was ik nog steeds niet helemaal wakker - net genoeg om mijn billen afgeveegd te hebben en Wiesjes spel niet te verstoren. Ik lebberde maar, wijdde me aan de gelegenheden om adem te halen, en bedacht dat ook Wiesjes baarmoeder een belletje lucht zou bevatten. Wellicht ben ik toch even weggeraakt, want opeens was mijn hoofd vrij, en zat Wiesje mij af te rijden (wat zelden voorkomt). Intussen zat ze kijvend te vragen, van wie ik dan wel gedroomd had - en dat werd een neerbuigend stuk cabaret over “alle” deelneemsters. Zoiets dat je enerzijds grieft, terwijl je anderzijds niet in de rij slachtoffers zou willen ontbreken. Politici zullen dat herkennen.

Ze deed me in haar spuiten, stapte af als van een herenfiets, en likte op haar knieën mijn slappe grondig af. Daarna boog ze, nog steeds op haar knieën naar alle publiek, legde mijn ene arm wijd, vlijde zich een die kant tegen mij aan, en veranderde weer eens op slag van “tiger on the tiles”  in “the kitten that never grew up”. Die omslag is meestal heel abrupt, behoort bij Wiesjes wezen, maar vergroot de dramatische uitwerking zeer. Ze oogstte nu applaus. Inmiddels was ik voldoende op dreef voor een tegenzet. Nu kwam ik overeind (en hield haar omlaag), en nam het applaus in ontvangst. Daarna ging ik weer liggen, half op Wiesje (en belette haar zo het overeindkomen). Vervolg van dit aangepaste ochtendritueel. We deelden onze pretjes niet met anderen. (Wiesje geniet immers van hoe ik meespeel met haar invallen, en kan dan zo’n applausdiefstal zelfs waarderen.)

We wankelden naar het buffet. Weinig keus meer: mueslibroodjes met Nutella. Typisch broodjes waarbij de koper de eigen voorkeur op anderen projecteert, en typisch beleg waarbij de koper denkt dat nu eenmaal iedereen er gek op is. Wel was er ruim genoeg. Maar Wiesje trok me mee naar de koelkasten, en zocht. In de tweede koelkast vond ze: een komkommer. Juist, ja… We smeerden rap elk een broodje met Nutella, en namen twee droge broodjes plus de komkommer mee naar het luchtbed onder de flap. Inderdaad, ik moest Wiesje met de komkommer bewerken, en dan steeds het gebruikte deel eraf eten. Intussen nam Wiesje het broodje dat zij zo opvallend dik besmeerd had, vouwde het half open, en gebruikte het als een washandje om mijn halfstijve. Vervolgens ging ze theatraal daaraan likken en sabbelen. Sheila was er snel bij, en filmde met haar mobieltje: “Wies, dit had je vorig jaar moeten doen. Godsamme!” Ze sommeerde haar maat om onverwijld ook een broodje Nutella te halen. Weldra was een kluit mensen brood aan het smeren, terwijl een andere de koelkasten doorzocht op dingen die je bij een vrouw naar binnen kunt schuiven. Salami ja, leverworst nee - maar de leverworst werd alsnog gretig op de laatste broodjes gesmeerd, vervolgens “omdat het toch èrgens op moest” op knackebrød. Wiesje stak mij aan met een slappe lach om al deze navolging, en ik zàg haar zoeken naar een volgende aanleiding om te keten.

Inkopen 2

Weer slofte de stoet naar Tin Roof. Weer zaten Wiesje en ik op een pallet (nog steeds dezelfde?). Nu speelde Wiesje iets anders. Ze wilde vooral tongzoenen, en reageerde op herhaalde hulpvragen met een niet boos, maar wel verdrietig “Weet je dat nou nòg niet?” Opnieuw moest de tering naar de nering worden gezet. Toch waren we vandaag vrij snel.

Kamp 4

Inmiddels hadden velen zin om in het kanaal te zwemmen. Mja, dat moest dan maar in badkleding. Had niemand bij zich, dus het werd voor de ongetwijfeld spiedende mannen een Miss Wet [vul maar in] festijn. Een groepje herinnerde zich de brug (danwel zag die in de heiige verte), en verhaalde daarheen. Uiteindelijk volgde de meerderheid. Van dit geheel stak een meerderheid de brug over, en ging daar zo bloot als men durfde liggen of zwemmen.

Er was een groep die Wiesje en mij in het oog hield. Na kort overleg gingen wij de andere kant op, gevolgd door die groep. Juist: wij gingen naar het meertje tegenover Kees’ camping. Daar was het vooraan stervensdruk, maar achterin (waarover wij eerder schreven) stil. We belandden er met wat waden, en trokken er onze kleding weer uit. Ja, dit was nog es leven! We waren er met Dennis, dus ook de drie andere homo’s, dus ook de beide lesbo’s, en dan nog drie stel hetero’s. Je kon er zo open of verdekt liggen als je wilde, met zon of schaduw, nat of droog, met een hoekje dat geen aanduiding “plasplaats” behoefde. Wiesje en ik hadden slechts chocola en water bij ons (ja ja, en pleisters), maar een hetero-stel had bij het inkopen in de drankploeg gezeten, en had met voorbedachten rade hooggistend bier en lambrusco ingeslagen. Bovendien was die jongeman zo dienstbaar geweest om ook voor anderen in zijn vrij grote rugzak te sjouwen. Die hetero’s hadden geen van allen de indruk dat ze met de ware waren, dus die gingen recombineren. Heel opbouwend: “Zij vindt het lekker als je…” en “... maar je moet hem niet…”. De homo’s kenden elkaar al lang en goed, en vormden een gezellig groepje. De lesbo’s hadden achteraf toch liever Sheila’s aanbod aangenomen om een volgende keer met meer keus af te wachten. Nu was het meer “niet de enige zijn” dan echt naar elkaar trekken. Ze geilden nog steeds vooral op Wiesje, en op wat ik bij haar deed. Anderzijds keken de homo’s met bewondering naar wat Wiesje bij mij deed, en hoe vaak. Dennis kon inmiddels de anderen een toelichting geven over hoe dat voelt. Ook hem schoten woorden te kort: “Het is, alsof ze… eh… eh…” Uiteindelijk zaten die zes elkaar te verklaren, wat wij bij elkaar opriepen. De zes hetero’s wisten inmiddels, dat zij geen vast koppel onder hen hadden. Ze grepen de gelegenheid dan maar aan voor een workshop: “... totdat je voelt, dat…”, “oh, dus als…” en “... maar je moet nooit ineens…”. Dat alles kregen Wiesje en ik dus mee, terwijl we zelf eigenlijk stationair draaiden. Na een paar uur was het toch echt tijd om terug te gaan. Ik wees de dienstbare jongeman de glasbak bij de ingang van Kees’ camping. Hij begon als monterste aan de terugtocht.

Wij bleken de laatsten die terugkeerden. Sheila had op het plein met enkele ervaringsdeskundigen een modeshow opgezet - uiteraard in uitgeklede vorm. Wiesje en ik hadden vaak genoeg meegedaan, maar we konden ons niet herinneren, dat we ooit hadden toegekeken. Ons tentje was het denkbeeldige achterdoek van het denkbeeldige toneel, dus we konden van zeer nabij waarnemen. Stonken wij zelf zo? Een beetje, maar dat ene stel deelnemers… Wiesje wist besmuikt die meid te vragen of zij en die knul gezwommen hadden. Ja, en? Wiesje maakte een duidelijk gebaar, en wenkte Sheila. Die had aan een half woord genoeg, en vermaande alle zwemmers om even te douchen om de blauwalg-of-zo weg te spoelen, of anders toch tenminste die onaangename geur. Wiesje en ik waren de laatsten die niet bij de douches hoefden te wachten, maar we waren de enigen die inderhaast zeep en shampoo mee hadden. Gewoon: Wiesje vooruitsturen, en zelf met de spullen nakomen. Ook met een handdoek, wij wel! Weer schoon gaven we Sheila een troostknuffel wegens het afbreken van haar show. Haar teleurstelling kromp, haar instemming groeide.

Algauw was het de hoogste tijd om te gaan koken. De laatste ploeg van veertig man trad aan, plus uiteraard Wiesje en ik. Weer die chaos van niet weten wat te doen, met wie, met wat, en tot welk doel. Verschil van mening tussen de ploegen van voor- en nagerecht, totdat ze beseften, dat ze bijna dezelfde pasteitjes voor ogen hadden. Wiesje had het weldra wel gezien, soort “boutjes en moertjes”. Ze maakte een rol van wat handdoeken, en ging op een ongebruikte tafel liggen, met die rol als nekkussen. Ik wist wat overgebleven slagroom in een koelkast, en bespoot Wiesjes edele delen ermee. Oh ja, ook wat aardbeien. Ja, ik wilde alles oplikken, al ben ik geen zuivelmens, maar kon ik het cliché niet vernieuwen? Ik nam een papieren servetje, een koffielepel en (in plaats van een schuivertje) een dunschiller (steelmodel), en ging Wiesje voeren, als ware zij een kleuter die geen toetje lustte. Maar ja, zij is het theaterdier. Ze begon te gillen om komkommer, maar wilde dat ik die opat. Dus dat werd beurtelings een hapje slagroom met aardbei voor Wiesje en een hap komkommer met kutsap voor mij. Voor velen was dit de eerste gelegenheid om Wiesje van zeer nabij te aanschouwen: hoe mooi die tepels zijn, en wat vaak ietwat bedekt wordt door haar schaamhaar. Dat moois trok steeds even een been op als de komkommer aan de beurt was, en de komkommer kwam grijs naar buiten. Twintig mannen smeekten twintig vrouwen om bevrediging, en werden gepijpt danwel afgetrokken. Het woord “himalaya” zong rond, en Wiesje grijnsde “goed zo, meiden”.

Het werd verreweg de slechtste maaltijd van de drie, maar de tachtig andere deelnemers defileerden langs Wiesje (inmiddels zonder slagroom, aardbeien en komkommer), en hadden op slag andere prioriteiten dan eten. Je kent Wiesje inmiddels, dus wat gebeurde er na wederzijdse knuffels van verdienste? Even later zaten wij aan die tafel te eten, terwijl alle deelnemers met elkaar bezig waren. Van een mogelijk avondprogramma kwam niets meer.

Maandag

Het opstaan maandag had twee polen: de zon die iedereen de tentjes uit brandde, en de uitputting na een zware nacht. Er werd mondjesmaat ontbeten (uiteraard, hè…). Daarna slofte de stoet ten laatsten male naar Tin Roof: leeftocht inslaan. Wiesje en ik hielden ons nu afzijdig bij Linda, maar kregen een lachstuip bij het opvangen van de brul “Rot nou eens op met die kut-Nutella!” Toen de karren bij ons waren, bekeek Wiesje vluchtig de inhoud, dartelde weg, en kwam terug met een kammetje bananen moederlijk op de arm. Even later bleek er een extra karretje nodig voor bananen. We bleven echter binnen budget.

Na het afrekenen vroeg Sheila Linda om de rest van Tin Roof te roepen. Daarna bedankte ze alle zes met elk een fles bier en een fles vruchtenwijn van Kees en Nora, met een visitekaart-achtig etiket van Sheila. We sjouwden terug.

Alle deelnemers haastten zich om weer bloot te worden. Nu smeerde men zelf de broodjes, en ontbeet zonodig nog wat. Vervolgens werden de bakfietsen alvast beladen, met de kleding over de rand. Toen kwam het afscheid. Ook wij kregen elk die twee flessen. Vervolgens kregen wij knuffels van alle 120 afzonderlijke deelnemers. Te beginnen bij Sheila, dus de toon was gezet op “heftig”. Het werd een zwaar uur, maar wel hartverwarmend. Wiesje aanvaardde dan maar, dat zijzelf veel geile strelingen kreeg, en dat ik vaak bij mijn halfstijve werd gepakt. Aansluitend ging men nog even naar het toilet, dan naar de bakfietsen, en kleedde zich node.

Even later zwaaiden we (niet meer bloot) met de mensen van Ooikooi de zestig bakfietsen uit. Ook zij hadden elk twee flessen gekregen.

Om drie uur werd alle gehuurde gerei en afval opgehaald. Wiesje en ik reden met Aart terug. Zijn busje was aardig gevuld met overgebleven etenswaren en dranken. Bij ons huis konden wij daarvan nemen wat wij wilden. Wiesje had gehoopt op komkommers.

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).