Laatste wijziging: 2018-09-29 (technisch), 2018-09-21 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Boezem"

[sex]

 

Noten:

1)  Het begin van dit verhaal staat stijf (oeps!) van de associatieve woordspelingen. Dwars door de talen Nederlands, Duits, Engels en Frans, en door een groot referentiekader. Voor de enkele liefhebbers een genot, voor de meesten een onbegrijpelijke en dodelijk vermoeiende ergernis.

2)  Deze woorden hebben we gaandeweg opgezocht:
boezem = Busen (m), Brust (v), als water: Sammelbecken
inboezemen = einflößen
ontboezeming = Herzenserguss

3)  Dit verhaal begint met de buufs, maar ontrolde zich met Maaike. Hierbinnen kun je naar een stuk van Sheila, en terug.

 

Buufs - Maaike 1 (Ommekeer) - Maaike 2 (Ménage à trois) - Neuzen 1 (Uitleg) - Neuzen 2 (Maaike) - Maaike 3 (Dag 1) - Niet verwarren - Maaike 4 (Aart & Yvonne) - Sheila: Ërik" - En verder - Erik - Slot

 

Buufs

Wat een zomer! Het neerslagtekort rond ons huis had waarschijnlijk recordhoogte bereikt. Eigenlijk wilde je in water ondergedompeld zijn. De behaaglijkste plek blijkt dan… onze dubbellange badkuip. Al was het maar, omdat dan alles bij de hand is: toiletpot, slaapkamer, trap naar de keuken. En omdat die kuip zo groot is, is het een aangename plek om intimi te ontvangen. Dat wisten we al.

Wiesje en ik zaten in bad met de buufs, al de hele middag. Af en toe eens naar de slaapkamer, kijken hoe het andere stel vrijt, af en toe eens iets anders drinken dan Griekse wijn. Met de borsten van Wiesje en Karla duidelijk zichtbaar boven het steeds verpieterende badschuim, waren Afra en ik gaan peinzen over woorden als “inboezemen” en “ontboezemen”. Voor Karla was dat een moeilijke les Nederlands, want de woordspelingen gaan niet op. Geeft niet, Karla blijkt grote aanleg te hebben voor de omgang met subjectieve waarheden, en kan dan moeiteloos meegaan in constructies als “einbusenen” en “entbusenen”. Met Afra’s handen aan haar lijf en met een slokje bij de hand heb je geen kind aan haar. Wiesje is de goaltjesdief die weliswaar bijkans zit te spinnen met mijn handen aan haar lijf, en rustig (berekenend?) Afra en mij het hoogste woord laat voeren, maar die geen gelegenheid zal missen voor een scherpe one-liner. Je weet, dat ook zij haar mannetje staat. (Ja, oplettende lezers, dat was in onze beginjaren anders.)

Het begon, naar ik meen, met een uitdrukkelijke ontboezeming van Afra, en dat ik meteen verijsde. Waarop de dames vroegen, wat mij scheelde. Ik verklaarde, dat ik plaatsvervangende pijn had. Pijn wáár, waarvàn dan? Nou ja, ontboezeming lijkt mij een ingreep die soms bij borstkanker onafwendbaar is. Ieks!!! Dan waren Afra en Wiesje met mij eens, dat ontboezemingen tot de medisch noodzakelijke beperkt moesten blijven, en dat de medische wetenschap maar rap moest voortschrijden in de strijd tegen kanker. Ik zocht in een on-line woordenboek NL-DU “boezem” nog even op, en schokte van verbazing. Moest ik ook uitleggen. Wel, ik verbaasde mij erover, dat een zo vrouwlijk lichaamsdeel als “Busen” grammaticaal manlijk is, terwijl een algemenere aanduiding als “Brust” (waaronder dus ook de brede mannenborst) grammaticaal vrouwlijk is. Daarvoor had Karla een scherpe verklaring: dat cliché’s immers het negatief zijn van het druksel. Afra en ik gaven elk “douze points”. (Dat is een verwijzing naar het door ons verguisde Eurovisie Songfestival.)

“Douze points” boezemde Wiesje afkeer in: waren haar twee priktietjes niet mooier dan een soort speldenkussen van twaalf? Uiteraard vond ik dat, maar zij heeft (zoals ik onlangs schreef) ook twee mooie “wijzerplaten” met elk twaalf puntjes om haar spenen. (Ooit heb ik Wiesjes tepels beschreven als zonnewijzers. Dat was met de spenen in het licht van een menora.) Die spelden kus ik graag - en dat was Afra met mij eens. Wiesje vond het een mooie redding, en ik beleed, dat ik tracht, dat moois te redden van veroudering. Oh, daar had ik een punt. En Wiesje voelde onder zich, dat ik nòg een punt had, vele malen groter dan een speld (en vele malen botter, meende Afra). Ik ademde op, en verklaarde, dat ik mijn grote speld graag wilde verstoppen in Wiesjes kleine hooiberg.

We haastten ons het bad uit, droogden ons twee aan twee vluchtig af, en togen naar de slaapkamer. Wiesje liet zich achterover het bed op vallen, en toonde haar hooiberg - nou ja, die driehoek die zij niet scheert. Mijn speld verstop ik niet in een droge (net afgedroogde…) hooiberg (overdreven gezegd: een spieker op laag water), dus ik moest eerst Wiesje maar wat vocht inboezemen. Inderdaad, eigenlijk was haar onderlijf een Sammelbecken, een bekken met twee billen als Sämmelchen (harde bolletjes) - maar geen boezem. Afra opperde, dat ik Wiesjes boezemwater, dat grijze, wilde laten stromen. Karla vond, dat “Busenwasser” ook bestaat, maar dan wit. Oh ja, zeker! Ik maande Afra en Karla, om het nu niet nodeloos moeilijk te maken. Ik moest nu immers van Wiesje weten, hoe ik haar hooiberg nat moest maken om mijn speld erin te verstoppen - waarschijnlijk haar speldenkussens kussen en zo. Ik vroeg dus om een sherpa. Een wàt??? Nou, gewoon, een gids die je de Himalaya in leidt. Opeens waren er drie vacatures sherpa, en geen andere sollicitant dan ik (de vacaturemelder!) - mits ik met mijn handen mocht praten. Uiteraard, maar Afra had dan een aanvullende vraag: “Has the cat got your tongue?” Echt wel, in twee opzichten zelfs: “the pussy of the tiger on the tiles [has it]”. Nu kreeg ik douze points - en dat leek mij een lang boodschappenlijstje. Mijn werk begon met een lange tongzoen.

Gek, eigenlijk: vanuit die tongzoen moest ik afdalen naar de hoofdpunten (en hun wijzerplaten), en die hooiberg was nog een heel eind lager. Toch moest ik juist daar de weg wijzen naar de himalaya. Hier haakte Karla af, want Afra wist haar goed te raken. Afra haakte zelf ook af, wegens “een gesprek onder het knopje” - een mooie verwijzing naar de tijd van de bakelieten telefoons, maar uiteraard bedoelde ze met dat gesprek “growling at the badger” (beffen, volgens Billy Connolly).

Ik daalde af naar de wijzerplaten, en keek eerst even. Ik vind ze (zoals vaker gezegd) zo mooi: groot in middellijn, veel pigment, meestal bijgekleurd door doorbloeding, die twaalf puntjes, en dan dus die doorgaans stijve spenen als grote knoppen in hun midden. Ja, ik heb onlangs die tepels vergeleken met blinde ogen die langs mij heen staren, maar dan wel ogen, zo groot als eh… schotels van espresso-kopjes? Misschien moest ik ze maar eens meten… “Wijzerplaat” is een beeldspraak die voor Wiesje grenst aan “boutjes en moertjes”, maar ze kon er weldra op voortbouwen. Ze vroeg mij (in gebaren op mijn rug getekend), de klokken gelijk te zetten. Dat is beeldspraak van oude analoge electrische klokken: met een knop op de as kon je de wijzers verdraaien (op sommige modellen). Bij haar betekent het uiteraard: spenen stevig in de mond nemen, maar ook de tepelhoven likken. Eerst de ene, dan de andere - want zo’n brede mond heb ik niet. Goed. Ogen dicht, ene klok, op aanwijzing over naar andere klok. Een grapje voor mijzelf is, dat ik tracht, die klokken op “vijf voor twaalf” te zetten - al lopen ze dan niet bepaald gelijk. (Oh…. Wiesje vindt, dat dit veel van haar onrust verklaart, en vraagt, of ik ze voortaan wèl gelijk wil zetten. Lijkt me lastig.)

Inmiddels hebben we trouwens ook het begrip “drinken”. Wiesje heeft bedacht, dat haar melkklieren bij voldoende prikkeling toch heus wel iets zouden afscheiden. Zij vindt die mogelijkheid bijdragen tot haar volheid als vrouw, en zet mij tegenwoordig vaak aan tot betreffende behandeling van haar borsten (sabbelen, zuigen, kolven). Ik ben geen melkdrinker, maar de gedachte dat ik Wiesje tot melkgeven zou kunnen brengen (zonder zwangerschap) windt mij wel op.

Ik moest intussen met één hand naar de hooiberg, want volgens Wiesje dreigde daar brand door broei. Mja, het was er wèl warm, maar onder die hooiberg wist ik een brandkraan. Ik kon die maar niet open krijgen, maar evengoed stroomde en schuimde het bluswater als een beek, voelde ik. Oh, dan maar mijn hoofd gebruiken, vooral mijn tong. Ai, dat veroorzaakte ernstige aardbevingen. Waterhoudende lagen waren hun tegendruk kwijt, en spoten nu ongeremd. Ik kreeg opdracht om de stroom bij de bron te stelpen. Best een kunst, met slechts je neusbeen als instrument, maar ik ben goed geoefend. (Zie verderop.) Weldra was ik de brand meester. Op verzoek langzaam doofde ik het vuur, en mocht inrukken. Eh..., mijn speld moest nog gekeurd worden voordat die de hooiberg in mocht. Adembenemend, en het ding moest nu toch wel zo groot zijn als de “Hindenburg” (noodlottige zeppelin). Gelukkig werd hij net op tijd vrijgegeven voor het verstoppen, want na enkele slagen volgde al de sur place. Oef!

Een nieuwe ontwikkeling was overigens, dat Wiesje meer waarde hechtte aan sur place. Niet zozeer aan mijn klaarkomen in haar baarmoeder, als wel aan mijn handmatige gepriegel om later bij beffen mijn eigen kwakkie niet te ontmoeten. Zodoende komt de sur place nu zelfs als aanbetaling voor.

Maar ja, zowel de aanblik van Wiesje als van wat ik haar met mond en handen aandoe windt de buufs op, wat Wiesje mij aandoet windt Karla op, en soms verlangen zij zelfs naar een sur place in zichzelf. Gebeurt niet: Wiesje eist dan mijn kwakkies op, en de buufs gebruiken geen voorbehoedmiddelen. (Afra is van de leg, maar de paniekzaaier heet Elsje.) Al met al is het voor Wiesje dus moeilijk om in dit gezelschap het opperkonijn te zijn, want de buufs moeten van opwinding dóórgaan. Afra heeft trouwens onze benadering aangepast overgenomen: zij stelt het genot van Karla (de veel jongere en dus aantrekkelijkere) centraal, en laat haar ongeveer hetzelfde terugdoen. Dat is dan véél. Afra mag dan van mijn leeftijd zijn, ze toont (evenals Diana), dat ze nog best kan genieten, en zelfs begeerlijk kan zijn. Voorzover ik het meekrijg, windt het vrijen van Afra en Karla dan mij op. Wiesje weet dat, en int graag het gevolg.

Maaike 1 (Ommekeer)

We lagen te overwegen, of we terug zouden gaan naar het bad, of dat we die inspanning (vooral het op de been komen) zouden uitstellen. Wiesjes mobieltje belde - in de badkamer. Zij en ik sloften erheen. Het was Maaike: of het schikte? Wiesje verklaarde haar welkom, maar noemde de buufs. Ze keek mij licht ongerust aan, want iets in Maaikes stem was anders dan anders.

Vijf minuten later was Maaike aan de keukendeur. Wij verwachtten, dat ze meteen naar boven zou komen, maar ze brulde “WC”. We gingen weldra ongerust naar beneden. De WC-deur was niet op slot, maar geluiden en geur verrieden gebruik. Wiesje vroeg “Alles goed?”, en kreeg gekreun ten antwoord. Wiesje trok de deur open. Arme Maaike werd blijkbaar verscheurd door de aandrang om diarree te lozen en die om haar maag te legen. Ik reikte Wiesje een teiltje aan om die keus te verhelpen, en vervolgens een kan water en een bekertje om Maaike zich de mond te laten spoelen. Gelukkig was Maaike schaarsgekleed gekomen: slechts in uniform-string, op blote voeten. Haar rugzakje stond naast de pot, lichtelijk overkotst. Wiesje vroeg, of ze Yvonne zou bellen. Maaike aarzelde. Ik haalde Wiesjes mobieltje. Wiesje voorzegde Maaike, wat ze ging doen: Yvonne melden, niet hierheen vragen.

Geleidelijk, heel geleidelijk, raakte Maaikes lichaam alles kwijt wat weg kon. Wiesje veegde haar nog op de WC af met een handdoek, terwijl ik boven het bad liet leeglopen. We brachten Maaike met de traplift omhoog naar de douche, terwijl Karla Afra voorging in het redderen van onze WC. Tegen die tijd kwamen Aart en Yvonne toch maar eens poolshoogte nemen.

Uiteindelijk zaten we alle zeven in de huiskamer op het bankstel, ook Aart en Yvonne bloot. Maaike wist het zelf ook niet: “Dat konijn van vanmorgen moet ziek geweest zijn.” Ze keek lang en peinzend rond, en dacht hardop: “Het is nu nèt goed gegaan. Misschien moet ik erkennen, dat mensen niet meer zo dicht bij de natuur kunnen leven als ik zou willen. ’s Kut…!” Iedereen voelde haar teleurstelling, maar ook de opluchting van Aart en Yvonne. Ik aarzelde: “Maaike, je weet, dat ik je bewonder. Volgens mij heb je, althans nadat je “Over leven” schreef, iets vergeten. Namelijk, dat je sommig voedsel kunt bewaren, zoals eekhoorns doen, zoals bijen en mieren doen, of zoals mensen doen: drogen, inmaken, en zo. Je hebt volgens mij dus best kans, dat je dan alsnog kunt doen wat je voor ogen had. Maar ik geef je ook in overweging, om je het komende jaar in te zetten voor je eindexamen. Zorg, dat je het papiertje haalt dat jou toegang geeft tot een betere toekomst (dan erzonder), denk intussen na over hoe die er ongeveer uitziet, en geef je ouders een jaar van betrekkelijke rust. Je weet, dat ik ook hèn bewonder, alleen al om hoe ze jullie vieren hebben laten opgroeien. Gun hen deze rust…”

Maaike liet het even inwerken, sprong op, en vloog achtereenvolgens Yvonne, Aart, Wiesje en mij om de hals. Ze wilde weer gaan zitten, maar stopte: “Oh, ik bloed nog een beetje. Da’s waar óók.” Wiesje reikte de handdoek aan. (Zie “Donkere dagen 2 [sex]”.) Maaike veegde, ging zitten, en hernam: “Ja, laat ik me op dat papiertje richten. Maar ik ga me niet opsluiten. Ik voel me thuis in de hoge rimboe, maar ik zal voortaan brood meenemen, of zo, me er meer gedragen zoals Wiesje en Larie.” Iedereen knikte. Maaike oogde opeens extra mooi, op haar eigen ongetemde wijze. Het bezorgde mij een scheut hormonen, en uiteraard bemerkte Wiesje (op mijn schoot) dat. Maar ook Afra (die Karla niet lang op schoot kan hebben) voelde blijkbaar een scheut. Wellicht Aart ook, want Yvonne stond met verstijfde tepels op van zijn schoot, onthulde zo een grote stijve, en stelde hem voor: “Zullen we maar weer?” Hij haastte zich zwijgend zijn kleren in. Yvonne vroeg Maaike bij het afscheid: “Moet ik bij het eten op jou rekenen?” Maaike wisselde een blik met Wiesje, en zei zacht: “Nee, dank je.” Afscheid met knuffels.

De buufs leken te willen blijven. Zou ook leuk zijn, maar Wiesje en ik hadden de indruk, dat Maaike eigenlijk een beurt was komen halen, ondanks het grote ongemak. Wiesje legde het maar op tafel: “Maaike, mogen de buufs blijven?” Maaike knikte. We gingen gevijven naar de slaapkamer. Ik hoopte, een probleem voor te zijn: “Maaike, ik zorg wel voor Wiesje.” Oh, dat moest eigenlijk maar als eerste: een himalaya voor Wiesje, afgesloten met een “wij horen bijelkaar” knuffel. Vier natte kutten op één bed, plus enkele druppeltjes bloed. Vervolgens nam ik Maaike in mijn armen, gaf haar een himalaya en een sur place, en betrok Wiesje in een driehoeksknuffel. De buufs bezorgden elkaar hoogtepunten, maar Afra hoopte zichtbaar op iets met Maaike. Die onttrok zich aan de driehoeksknuffel, zei “Jullie hebben zo lief alles opgeruimd”, en deed korte maar hevige nummers met Afra en Karla. Oh, toekijken naar Karla en Maaike viel bij Afra verkeerd. Geen naspel of driehoeksknuffel daar, maar haastig vertrek van Afra en dan ook maar Karla. Maaike, Wiesje en ik keken elkaar aan, terwijl de keukendeur dichtsloeg: “Dat was te voorzien…” Wij deden weer een driehoeksknuffel, Maaike bewoog peinzend mijn voorhuid, en we gingen naar de keuken. Het werd een heerlijk prutje met rijst.

Onder het eten verbrak Maaike de peinzende stilte: “Was het gezellig met de buufs, totdat ik kwam?” Wiesje en ik keken elkaar schattend aan. Wiesje meende: “Ja, eigenlijk wel. We kwamen op woordspelingen op “boezem”, en gaandeweg op andere. Je weet, hoe Afra en Larie elkaar willen overtroeven.” Ik meende: “Niet zozeer overtroeven, eerder verbazing. Ik moest wat woorden opzoeken om Karla aan boord te houden. Zo trof het mij, dat een zo vrouwlijk ding als een borst in het Duits grammaticaal manlijk is.” Maaike knikte: “Zo verbaas ik me er steeds weer over, dat een konijn grammaticaal onzijdig is.” Wiesje brak in: “Voortaan ben ik de opperkonijn!” Knuffel van verdienste. Ik opperde: “Nou, dan ben ik de haasje.”

Maaike 2 (Ménage à trois)

Na het eten konden we niet kiezen: bad, bed, zwembadje in de tuin, zeil, avondwandeling? Maaike stelde voor: “Ik heb een paar dingen bij de poel en bij Thor liggen die ik daar niet meer nodig zal hebben. We zouden ze nu kunnen ophalen, dan kunnen we in de schemer terug zijn.” Aldus besloten. We liepen vrij stevig door naar de poel. Wat een heerlijke plek toch! Ik had een halfstijve, en Wiesje zei grootmoedig: “Neem jij hem maar.” Dat werd dus een sur place voor Maaike, uiteraard gevolgd door een himalaya voor Wiesje. We bleven iets te lang gedrieën naknuffelen, en bereikten in de schemering Thor. We wilden geen aandacht trekken, en kwamen nog nèt zonder hoofdlampjes terug. We gingen in het zwembadje liggen, een mok Griekse wijn bij de hand, en ook Maaike dronk eruit. Heerlijk: het allerlaatste licht aan de hemel, bijna windstil, warme lucht, warm water, aan mijn beide zijden een lieve vrouw. Mijn handen speelden elk met één van hen, van elk vond één hand die van de ander bij mijn kruis. Maaike vroeg zacht: “Mag ik de rest van de zomervacantie bij jullie logeren?” Wiesje antwoordde warm “Jij wel!”. Driehoeksknuffel in het water. We hadden zowaar de telefoons op de kant liggen, dus Maaike belde Yvonne. Die hoopte, dat we ook minstens een keer gedrieën bij hen kwamen eten. Zeker!

Maaike te logeren hebben vroeg om aanpassing van onze rituelen. Dat zag opperkonijn Wiesje meteen heel goed. Maaike kreeg de sur place van het ochtendritueel (ter herinnering: voor mij het hoogtepunt van een dag met Wiesje) en een sur place na haar biecht, toegevoegd aan het avondritueel vóór die van Wiesje. Plus uiteraard hoe het verder zou vallen. Maaike was zich van de eer en voorrechten bewust.

Ik zag meteen mijn eigen uitdaging. Nee, niet het aantal sur places, niet het aantal op te wekken himalaya’s, maar de herkenning in bed. ‘s Nachts is het donker, in onze slaapkamer evenzeer als in de hoge rimboe. Uiteraard zou ik op ons bed in het midden liggen. Niet met Wiesje altijd naar mij toegekeerd nu eens links, dan rechts: dat was gek genoeg in onbruik geraakt: we lagen nu ook wel als lepeltjes, of 69. Nu met Wiesje aan mijn ene zijde en Maaike aan de andere, maar die twee zijn in staat om (op aanstichten van Wiesje) stiekem te wisselen. Ik zou de verschillen moeten voelen. Ik onderken er twee op de tast: hoofdhaar en heupen. Wiesje heeft dik zwart golvend haar tot op haar schouders, Maaike heeft steil donkerblond haar, zo kort dat ze er bij het struinen geen last van heeft. Wiesje heeft brede heupen, met duidelijk schuine bekkenranden vanaf haar middel. Maaike heeft smallere heupen, maar slankere benen, en zodoende ongeveer evenveel ruimte tussen haar benen. Beiden doen niet aan scheren. Maaikes flapje zou iets groter kunnen zijn dan Wiesjes. Als de dames liggen, dan valt het verschil in borstvorm weg, en het verschil in tepelgrootte kan ik niet voelen. Evenmin kan ik de verschillen goed voelen tussen Wiesjes rondere gezicht en Maaikes langere, noch tussen Wiesjes dikkere huid (beetje spek) en Maaikes dunnere (bijna geen spek).

Deze uitdaging herken ik als een andere uiting van Wiesjes katachtige gespletenheid. Zeker, Wiesje gunt Maaike een deel van haar eigen gelukzaligheid (en ze weet, dat Maaike mij dierbaar is), maar ze stelt mij tegelijk op de proef: als ik ook maar één keer mij vergis in haar nadeel (zoals door Maaike voor haar aan te zien), dan stort haar wereld in, mogelijk zelfs met terugwerkende kracht. Ik moet domweg feilloos haar herkennen en als mijn grote liefde erkennen, zelfs als zij zich voor een ander uitgeeft - of een ander zich voor haar (al was dat een gelegenheid waarbij ikzelf de gordijnen in sprong). Gelukkig (voor mij, en dus ook voor Wiesje) zijn sommige gedragingen karakteristiek. Zoals telegrafisten elkaar konden herkennen aan hun wijze (ritme?) van indrukken van de seinsleutel, zo verschillen Wiesje en Maaike bijvoorbeeld in bijzonderheden van hoe ze mij pijpen en aftrekken. Ze kunnen nog zo proberen om de ander na te doen, ze kunnen niet hetzelfde gevoel oproepen als de ander in een lichaamsdeel dat ze zelf niet hebben (anders dan bij toeval). Wel, dit alles moest ik dus voor ogen houden als ik in het donker wakker werd, ongeacht mijn geestelijke en lichamelijke toestand (waaronder slaapdronkenschap, dronkenschap, sexuele prikkeling en sanitaire nood). Eenvoudig, hè? Zo viel de nacht bij ons zwembadje. We gingen toch maar naar bed.

Maaike was zo slim om haar biecht te splitsen. Ze deed eerst een echte biecht van wat haar plus en min bezighield. Dat was vleiend voor Wiesje en mij, werd dus een driehoeksknuffel, daarna voor beiden een himalaya, en voor Maaike de beloofde sur place. Daarna vertelde Maaike nog veel belevenissen. Ze komt op velen over als stil en kort van stof, maar wij gelden al heel lang (minstens sinds die wandeling met Chot op de heide) als vertrouwd. Al die spreektijd werkte als oplaadtijd, dus na Wiesjes biecht (en de mijne, maar alles was al gezegd) kreeg ook Wiesje haar sur place. Het bed was overal plakkerig, en de lucht in de slaapkamer (en daarbuiten) moet voor alles met een reukorgaan in chocoladeletters (krantenbeeldspraak) hebben verteld wie er waren en wat er gebeurde.

We deden het samen in bad plassen ritueel, ook iets wat tussen Wiesje en mij in onbruik geraakt was: Wiesje hurkte nu vaak op de toiletpot, ik plaste er gewoon staand in. Twee vrouwen plasten, hurkend op de rand van het bad. Ik probeerde, om in de breedte van het bad de overkant te raken (met dat wurmpje, wat een afgang). Dan de knijp-zuigfles, bij hen en bij mij, al met al het succesnummer van de dag. Maaike weet, dat deze fles (maar we hebben er al lang meer) ooit haar gevoed heeft. Toen begon de keet: ik moest in het donker zelfs de slaapkamer vinden, vervolgens vanaf het voeteneinde een plek op bed. Ja, er werd op de tast aan me getrokken, aan alle uitsteeksels.

Ken je dat gevoel: je ligt op je rug, beide armen in gebruik als nekkussen van een vrouw die half over je heen ligt, en je hebt jeuk (type muggenbult) aan je zak. Wat doe je, wat laat je doen, waarin berust je? Wel, Wiesje en ik hebben voor jeuk een gebaar. Ik tekende het op beide ruggen, en Wiesje gaf zich (bewust of niet) bloot door te beoogder plaatse te krabben. Dankknuffel naar rechts. Maaike begreep dat ze de betekenis van zeker gebaar niet kende, en vroeg dan maar hardop uitleg.

Ik werd wakker van behoedzaam spelen met mijn voorhuid. Ah, onmiskenbaar nog steeds Maaike links. Ik citeerde in de maat, wat ze er als puber (“tuinbonen op de plank”) bij zei: “Staat hij nou leuker naar voren of naar achteren?” Ze moest hardop lachen, en ik betrok Wiesje in de knuffel. Die bauwde nog jongere Maaike na: “Wat doen jullie?” Ik verwees (met mijn eigen stem) naar die tijd: “Ik heb zin in spekkies…” Welke invulling zou ik daaraan geven? Ik betastte de tepels die ik in mijn houding ongeveer binnen handbereik had. Maaike verschoof zo, dat ik haar linkertepel met mijn mond kon bewerken. Wiesje hoef je niets te vertellen over vrijen in het donker, die verschoof alvast zo, dat ik aansluitend haar rechtertepel binnen mondbereik had. Twee knieën botsten boven mijn dijen. Niet pijnlijk, nèt niet. Wiesje  vond blijkbaar de grap lang genoeg geduurd hebben, en knipte een lichtje aan. Een lichtje achter het hoofdeinde van ons bed, bedoeld als indirecte verlichting. We grijnsden elkaar aan. Onze drie hoofden raakten elkaar toch al bijna.

Neuzen 1 (uitleg)

Ik moet weer eens uitweiden. Ik heb in de loop der jaren met Wiesje een gebruik ontwikkeld dat we “befneuzen” noemen, afgekort “neuzen”. Inderdaad, dan werk ik mijn gok bij haar naar binnen. Ik moet door mijn mond kunnen ademen, want mijn neusgaten stromen dan snel vol. Ik heb vroeger ten onrechte gedacht, dat ik dan haar tunnel (baarmoederhals) in ging. Mijn neus krijgt die niet open, maar als die hals nog open staat van iets anders, dan kan mijn neus er wel in. Een stukje, want ik ben Pinokkio niet. Meestal blijft mijn neus dus wel tussen de lipjes, maar buiten het gat van de tunnel. Afhankelijk van de stand van mijn hoofd ten opzichte van Wiesjes onderlijf en dijen, kan ik mijn hoofd en dus mijn neus in die ruimte bewegen. Zodanig bewegen, dat ik Wiesje geweldig kan opwinden. Neuzen speelt een wezenlijke rol in de totstandkoming van Wiesjes himalaya’s, voorzover de gelegenheid het toelaat (dat we in de lengterichting verschoven op elkaar kunnen liggen). Uiteraard kennen onze vriendinnen het ook, maar niet iedere neus blijkt geschikt, en niet iedere drager (m/v) van een geschikte neus blijkt aanleg te hebben voor neusbeffen. Kortom, neuzen is in onze kringen een specialisme van mij, en het vergt ervaring om iedere vrouw het mooiste maatwerk te kunnen bieden. Al helemaal als haar cyclus de verhoudingen onderin beïnvloedt (dus als de baarmoedermond uitstulpt en zich weer terugtrekt).

Neuzen 2 (Maaike)

Maaike besefte opeens, dat deze logeerpartij een uitgelezen kans was om mij te bekwamen in haar neusbeffen. In haar kenmerkende combinatie van tact en directheid zei ze dus: “Wies, laat Larie oefenen op mijn neuzen.” Wiesje knikte bedachtzaam, leek mij: die rekende beslist door, welke invloed dat op mij en dus op haar genot zou hebben. Waarschijnlijk een gunstige. Ze gaf mij met schurende tepel ruimte om te verliggen.

Ik gleed Maaike op, en vervolgens over haar omlaag. “Met de stoptrein”: stoppend bij alle gevoelige plekken onderweg. (Dat ik die oude uitdrukking nu voor het eerst in een verhaal gebruik! Wiesje en ik gaan onderling standaard met de stoptrein.) Ja, we hadden volop zweet als glijmiddel.

Nee, ik ging eerst met een middelvinger naar binnen om te voelen: knopje hier, tunnel hier, G-spot daar. Ik nam de afstanden in enkele bedachtzame slagen in mij op, en ging daarna pas aan het neuzen. Eerst met mijn neuspunt naar het knopje, dan in een zodanige lijn naar de tunnel, dat ik het knopje bleef raken, tenslotte proberen om door de tunnel heen ook de G-spot te liefkozen. Intussen blijven ademhalen. Vergt veel oefening, maar gelukkig is Maaike bedreven genoeg in die gebarentaal van Wiesje en mij om treffende aanwijzingen te geven. Overigens hoeft neuzen niet steeds een carambole te zijn: prikkeling van alledrie gevoelige plekjes beneden tegelijk.

Na een halfuur(?) toenemend gekreun van Maaike wilde Wiesje een beurt. Die begon als een “wij horen bijelkaar” knuffel, maar werd weldra een aanloop naar een hevige sur place. Maaike trok zich terug naar een hoek van het bed die niet zo bonkte, en kwam bij zichzelf een hand tekort. Na de sur place rolden we om: Wiesje boven, mijn pikkie nog langdurig in haar.

Maaike keek Wiesje aan: “Jij krijgt ècht veel, hè?” Wiesje knikte, veranderde even in zo’n perkamenten bewoonster van een verzorgingstehuis, legde haar hand open opdat ik de mijne erin zou leggen, en zei zacht: “Ik heb ook veel nódig.” Ik zag een flits van schaamte. Het volgende ogenblik was ze weer het theaterdier, en grijnsde vals: “Hij moet veel geven om veel terug te krijgen…” Mja, dat is de waarheid, maar volgens mij ietwat vertekend. Wiesje heeft die peilloze angst voor de eenzaamheid, en heeft alle kaarten op mij gezet om haar ervoor te behoeden - zolang ik leef, en mijn verscheiden blijft óók een spookbeeld. Ik heb volgens mijzelf minder angst voor de eenzaamheid, omdat ik zo lang alleen geweest bèn - maar ik ben pas iets gaan betekenen door Wiesje, denk ik. We trekken elkaar dus niet omlaag, maar stuwen elkaar zo hoog op, dat we des te banger zijn voor het neerstorten. En misschien, heel misschien, is Wiesjes grootmoed jegens Maaike en Sheila een stiekem peilen van zowel die diepte als van die stuwkracht. Mja, die open hand was niet de waarheid. Ik lag nog steeds op mijn rug, Wiesje op me, en dat is geen houding om een hand op een zelfs maar denkbeeldige tafel te leggen. Maar éventjes ervoer ik Wiesje zoals ze misschien na mijn dood ooit wordt. Vermoeiend, hè: lezen over sex, met steeds uitweidingen alle kanten op.

Maaike kroop op Wiesjes valse grijns tegen ons aan, en zei hees: “Ik heb óók veel nodig, veel meer dan ik nodig zou willen hebben. Hij geeft veel, en jij laat het hem geven. Heel lief, allebei…” Weer eens een driehoeksknuffel. Wiesje relativeerde haar valse grijns met een bewustwording: “Eigenlijk krijg ik veel meer dan ik geef. In bed, in bad, op schoot, ik word de hele dag geknuffeld en bevredigd gehouden. Maar eigenlijk kan ik alleen in bed meer terugdoen dan knuffelen. Jemig, gebruik ik Larie als (niet een kwakjesvat maar) een kwakjesautomaat?” Weer zo’n gelegenheid die om tact schreeuwt. Ik haalde (nog steeds in die driehoeksknuffel) Wiesje aan, en meende: “Lief, ik hóóp, dat ik jou kan geven wat jou toekomt. Dat is veel, dus daarmee ben ik veel bezig. Ik kan niet beoordelen, wat mij toekomt. Ik weet wèl, dat jij mij niets tekort laat komen. Mocht je twijfelen, dan heb je het nu onder getuige.” Maaike leek overweldigd: “Jeetje, nu voel ik mij schuldig: dat ik een deel van jullie uitwisseling incasseer.” Wiesje haalde haar aan (nog steeds in die driehoeksknuffel): “Niet doen, schat! Jij “incasseert” weliswaar, maar je gééft méér dan dat. Jij maakt Larie nòg geiler, en je weet mij minstens alle gemiste himalaya’s te bezorgen.” Nieuwe impuls in de driehoeksknuffel. Ik moest plots denken aan gelegenheden waarbij iedereen elkaar minstens kust, bijvoorbeeld de jaarwisseling. Wiesje bespeurt bijna altijd mijn gedachtenassociaties, en wil ze vernemen. Ook nu was haar reactie een proest: “Nou, wat hebben we te vieren…” Ik reageerde dwangmatig: “Gedrieën te vieren…” Maaike opperde schuchter: “Het begin van mijn logeerpartij?” Bij acclamatie (nieuwe knuffelimpuls) aangenomen.

Ik moest plassen (in de zin van “beter nu dan straks”). We onttrokken ons aan de knuffel (“jammer, maar straks weer verder”), en dromden naar de badkamer. De vrouwen hoefden niet. Wiesje noodde Maaike om mijn halfstijve te besturen boven de toiletpot. Ach, zo vol was mijn blaas niet, en zo dienstig was Maaikes greep niet. Ik nam dus zelf even de leiding in handen om eruit te halen wat erin zat. Daarin begin ik toch een oude man te worden. Wel mocht Maaike de knijp-zuigfles om mijn pik doen, terwijl Wiesje de plee doorspoelde. We haastten ons terug naar het bed, nog steeds bij dat indirecte licht. Maaike greep weer naar mijn voorhuid, en hernam haar peinzende geschuif. Wiesje greep in: “Het is ook leuk om een vinger in dat kelkje te stoppen, en dan te spelen.” Maaike probeerde het, en was aangenaam verrast. Wiesje verviel weer eens in eindeloze sextips, wellicht haar eigen tegenhanger van wat zij bij anderen boutjes en moertjes vindt. Ik gleed langzaam in slaap.

Ik ontwaakte nogal verkwikt, maar met een vreemd gevoel, vertrouwd maar onbehaaglijk. Aha: ik lag alléén op bed, zoals vroeger. Ik hoorde gerucht uit de badkamer, en begaf mij ietwat ongerust daarheen. Asjemenou! Op het luchtbed daar lieten Wiesje en Maaike elkaar voelen, welke handelingen van mij zo in de smaak vielen. Volgens mij waren ze bijna aan neuzen toe. Het oogde dus nogal lesbisch, en ze waren sexueel opgewonden - maar dat is Wiesje altijd, en Maaike altijd als ik haar zie. Maaike zag mij, leek een schrikstuip te onderdrukken, en meldde: “We proberen elkaar te laten voelen, wat jij met ons doet.” Ik knikte, stelde voor om weer naar de slaapkamer te gaan, en hielp hen omhoog. Tweemaal schuurden twee stijve grote tepels langs mijn buikje omhoog. Mijn pik probeerde de vrouwen te helpen bij dat opstaan. Die hulp was kinderlijk zinloos, maar de man in de stofjas kreeg twee Gazelles binnen voor een plakbeurt. Van Maaike weet ik, dat ze zonodig lesbisch doet. Van Wiesje weet ik, dat ze geen probleem heeft met borsten en met vingeren, desnoods meewerkt (zoals met Afra), maar dat ze niet graag andervrouws gleuf in haar gezicht heeft. Had ze zojuist nog niet, maar ze leek me op weg - dus moest ze wel héél geil zijn. Ze leek mijn gedachten te hebben gelezen, want ze meldde: “Inderdaad, lief, door jou vergat ik mijn remmingen.” Maaike knikte beamend: “Het is ook niet niks.”

Opeens begon Maaike geluidloos te huilen, flink te huilen. Wiesje en ik namen haar in een troostknuffel. Wiesjes ene hand wist een bekertje water te vatten. Het werd een lange huilbui, en de zelfbeheersing ging strijdend ten onder. Ik herinnerde me opeens de schreeuwtherapie die ik eens had mogen proberen, en liet Maaike op mij liggen. Allerlei krampen kwamen voorbij, maar het bleef stil. Uiteindelijk (na een halfuur?) was de bui over. Maaike ging tussen Wiesje en mij in liggen, deed een driehoeksknuffel en verklaarde moeizaam: “Dankjewel, lieverds! Het is niet niks: een etmaal geleden was ik alléén in de hoge rimboe, ervan overtuigd dat ik goed op weg was om tezijnertijd de natuur te begrijpen en er deel van te zijn. Nu ben ik binnenstebuitengegaan, heb jullie en mijn ouders beloofd om mij nu op school te richten en daarna een andere richting te kiezen, en hebben jullie mij opgenomen als… als… als derde wiel aan de fiets. Het voelt zo als… als Larie toen jullie voor het eerst weer samen in Amsterdam waren - als ik mij dat verhaal goed herinner. Jullie maken het zo heerlijk warm voor me, terwijl ik de kou van de eenzaamheid gewend ben. Oh, mijn ouders zijn schatten, maar het zijn mijn ouders, Sheila heeft waarschijnlijk bij jullie gevoeld wat ik nu voel, Dennis kan me niet helpen, en mijn steun en toeverlaat Wouter ben ik opeens kwijtgeraakt aan Claudia, een schat van een meid, trouwens. Het is allemaal wat véél. Sorry…!” Ze begon weer schokkend te huilen. Wiesje en ik streelden haar en elkaar. Wiesje zei: “Ja, wij begrijpen, dat het nu even erg veel is. Ja, Sheila zal begrijpen wat jij voelt. Maar je moeder en Mina óók. Bij ons ben je altijd welkom, en desnoods bouwen we onze fiets om tot een driewieler. Jij betekent echt veel voor ons!” Maaike en ik deden de bevredigingsgelofte, met de bepaling dat Wiesje vóórging, en beide vrouwen beloofden elkaar dat ze de ander bevredigd zouden houden, voorzover ik daarin niet voorzag. De man in de stofjas probeert vergeefs, zijn balzak in de bankschroef aan zijn werkbank te klemmen.

Maaike 3 (Dag 1)

We werden rond noen wakker, het achtergrondlampje nog aan. Maaike lag te glanzen tussen Wiesje en mij. Wiesje en ik zochten ijlings huidcontact over Maaike heen. Driehoeksknuffel, ochtendritueel. Maaike was weer monter als voorheen. Ze had ook een inval: “Ik moet straks even thuis kleren halen, maar ik moet ook iets maken (naaien). Gaan jullie mee, of blijven jullie hier onder elkaar?” Zo, die snapte het! Wiesje wees omlaag: blijven. Maaike kleedde zich aan, gaf ons haar bekende korte maar krachtige afscheidsknuffels, en vertrok, per twee treden de trap af. Wiesje en ik wijdden ons aan elkaar.

Aan het eind van de middag kwam Maaike terug. (Ter herinnering: ze was ooit Yvonne gaan helpen. Blijkbaar was ze wel degelijk vaardig geworden met de naaimachine.) Ze droeg nu een T-shirt en een zojuist gemaakt jeans rokje (Wiesjes vaste dracht, dus), maar trok het shirt meteen uit. Wiesje was blij verrast, sprong het bed af, en trok háár rokje aan. Ze stonden naast elkaar aan het voeteneind, slechts gekleed in dat rokje (voorzover ik Maaike kon zien). Tilt!!! Het was, alsof die rokjes me aanspoorden om nu eens hoger te blijven kijken. Twee paar van de allermooiste borsten. (Eindelijk terug bij “boezem”!) Er donderde een wagonlading hormonen door mij heen.(Ik heb Wiesje vaak genoeg in slechts dat rokje gezien, maar nooit eerder deze opwinding ervaren. Gek, hè?)  Ik had geen keus, sleurde Wiesje het bed op, wist haar rokje onbeschadigd af te krijgen (We oefenen trouwens op dergelijke spoedgevallen…), wist nog nèt haar mond en haar tepels te kussen, en stortte me op haar. Ja, het had verkrachting binnen het boterbriefje kunnen zijn. Gelukkig ervoer Wiesje deze wip als eerbetoon aan de opperkonijn, en kreeg zelfs één hoogtepunt. Bek-af rolden we om. Intussen had Maaike zich ontkleed. Ze plofte het bed op, aan de kant waar wij net gelegen hadden. Ze schoof tegen ons aan, en begon weer eens een driehoeksknuffel. Toen die was weggeëbd, kwam ze met een schitterende inval: “Ik ga Laries kwakkie zoeken!” Ik rolde af, Maaike besteeg Wiesje voor een “wij horen óók bijelkaar” knuffel, en ging met de stoptrein omlaag. Daar begon ze aan een indrukwekkend nummer beffen en vingeren - Afra zou door het dak gaan bij alleen al de aanblik. Ik vond de inval schitterend, omdat die Wiesje alsnog de himalaya ging geven die ik node had overgeslagen, omdat ik nu even de kracht miste om Maaike te gerieven, en omdat ik alweer een overdosis hormonen door me heen kreeg bij de gedachte, dat Maaike mijn kwakkie ging zoeken. De man in de stofjas heeft vergeefs getracht, zich met samengeperste lucht (uit de compressor die hij als fietsenmaker heeft) door zijn kleding heen door het hart te schieten. Eens zien: nu was Maaike aan de beurt. Inderdaad, we leken systeem te vinden in onze driehoeksverhouding. Ik nam haar met een knuffel aan Wiesje over, en gaf haar een “dus wij horen óók bijelkaar” knuffel. Van boven ging ik met een heel trage stoptrein naar onder, en sloeg aan het beffen en neuzen. Totdat Maaike maar eens aftikte. Driehoeksknuffel, ik nu in het midden. Wiesje liet Maaike voelen, dat ik voorlopig nog geen stijve zou krijgen (behalve als Wiesje die zou forceren, natuurlijk).

Hoe zat het met eten? Oh, Maaike had thuis iets gegeten (omdat Yvonne het had aangeraden, vernamen we later), maar Wiesje en ik hadden inmiddels al een etmaal niet aan eten gedacht. (Dat overkomt ons vaker.) Maaike had een nieuwtje: “Als ik niet van de natuur kan leven, dan sluit ik me graag aan bij jullie veganisme.” Weer eens een driehoeksknuffel. (Wees gerust: we gaan heus niet alle knuffels vermelden!) Deze bracht een nieuwe vorm: van elke vrouw een been over de mijne, en die benen vonden elkaar dan ergens boven de mijne. Met net wel of net niet aan weerszijden een flapje tegen mijn heupen, en twee borsten tegen elke van mij, en van weerszijden een arm over mij heen. Ja, dan weet de man in de stofjas niet, waar hij het moet zoeken. Oh, wond die stand mij extra op? Dan werd dat een standaard. We vonden zelfs een naam ervoor: stootligging - een slechte woordspeling op “stuitligging” (en op “stoot” voor “lekker wijf”), maar tenminste beknopt. Algauw hebben we die aanduiding ook wel “ontknopt” tot “gesloten stootligging”, om de afgerolde vorm (naast elkaar) “open stootligging” te kunnen noemen. (We hebben enkele synonieme aanduidingen.) We kozen uit de beschikbare bestanddelen een makkelijk menu: aardappelen uit de stoomkoker, witte bonen in tomatensaus opgewarmd in de multi-cooker, en zilveruitjes uit een vergeten potje. Gedrieën aardappelen schillen en snijden, de apparaten instellen, terug naar bed tot het belletje van de stoomkoker. Oh ja, we hadden ons nog niet gewassen. Ach, we hadden gisteren lang in bad en zwembad gelegen.

Het idee om mijn kwakkies in de andere vrouw te zoeken geilde ons op. Plotseling was de sur place des te gewilder - en dus de zwaardere lichamelijke inspanning die van mij gevraagd werd. Ik deelde mede, dat de voorraad sur place toch echt beperkt was (en zou blijven), en dat ze zich maar moesten inspannen om het gespotene terug te vinden - voordat de reinigende krachten in de ingespoten vrouw hun werk zouden hebben gedaan. Wel, dat werd dus stelselmatig eerst een sur place met de ene vrouw, dan “kwakkie zoeken” door de andere vrouw bij de ene, dan een hand- en mond-himalaya door mij bij die andere vrouw. Plus wat we verder nog deden. Zwaar, maar Wiesje en ik bespeurden het grote verschil tussen Maaike en Sheila: Sheila wil ontvangen, Maaike wil haar deel doen.

Wiesje werd met het uur speelser (vooral in geil opzicht), had mij dus metéén mee, maar deed ook Maaikes ernst (gemoeds-permafrost) heel geleidelijk smelten. “Kwakkies zoeken” werd algemener. Wiesje ging bij Maaike “paaseieren” zoeken, maar Maaike zocht (en vond) intussen op haar rug liggend “pa’s eieren” bij mij, en ik draaide me zo om (op mijn rug naast Maaike, mijn hoofd bij het voeteneinde van het bed), dat ik intussen kon proberen om te voelen of bij Wiesje weer eens eieren (eicellen) ontsnapt waren. Die poging mislukte overigens, zowel met mijn hand over Wiesjes dij heen als eronderdoor, maar droeg zeker bij aan de lol. (Over ontsnappen gesproken: Wiesje ziet haar eicellen als prinsessen die in torenkamers opgesloten moeten blijven. Wreed, hè?) We kwamen weer op die belachelijke mengeling van iets zoeken en “ik zie wat jij niet ziet”. Zo zocht ik bij Wiesje naar een kasboek met kolommen - en Wiesje was diep beledigd. Maaike moest haar voorhouden hoe ze goedgekozen gekte voor waar aanzag, en pas heel geleidelijk kon ze mijn grap aanvaarden en vervolgens zelfs hogelijk waarderen. In onze beleving duurde het uren, maar wellicht toonden klokken het als minuten. De gekte bereikte een mogelijk hoogtepunt, toen we elkaar aan de derde aan het aansmeren waren, en Maaike mij aan Wiesje aanbood als “van een oud vrouwtje geweest dat hem nooit gebruikte”. Wiesje dacht even later slim te zijn door mij aan Maaike aan te prijzen als “voor alle leeftijden”. Maaike zei tactvol “Dat wil je niet gezegd hebben”. Wiesje volhardde “Jij bent toch het kleine zusje van... - Oh, shit!” Driehoeks-troostknuffel: Elsje blijft een gevoelig punt.

Ter oriëntatie: dit was dus de avond, voorafgaand aan de tweede nacht. Binnen was het zwoel, buiten werden dezer dagen in heel Nederland nachtelijke temperatuurrecords gebroken, en bij ons geleek het openen van een raam het bereiken van het tropisch regenwoud. Het bed was dus slechts bedekt met drie mensen en allerhande vochtvlekken. We beperkten het luchten tot ‘s morgens vroeg - en gaven aldus de insectenwereld toch de kans om goede startplaatsen te zoeken voor de volgende nacht.

Er ontstond een nieuwe figuur. In mijn herinnering was het Maaike, die aan Wiesjes andere zijde geen huidcontact met mij kon krijgen, omliep, zich aan mijn vrije zijde het bed op worstelde, en om een paar centimeter ruimte meer vroeg. Wiesje genoot net van mijn liefkozingen, weigerde, en zei: “Kom maar terug, dan zal ik jou laten voelen wat hij bij mij doet.” Aldus ontstond wat ik noem de “pantograaf” (in de betekenis van tekenaap), al is die aanduiding onjuist. De opzet was leuk, maar Wiesje was niet in de stemming voor doorgeven van haar genot. Ze gaf minder of andere dingen door, en zo herkende ik het ouderwetse kringspel dat bij ons “telefoontje” heette: een woord of zin de kring rondfluisteren, en dan samen lachen om de verminkingen en veranderingen. Toen zij genoeg genoten had, kwam zij met een variant: Maaike moest iets bij haar doen, en dan gaf zij dat wel door aan mij. Dat werd meteen theatraal zoeken naar mijn tepels (die verzonken liggen) en naar gepaste vertalingen van gevinger. Geinig, maar Maaike raakte buitengesloten. Wiesje besefte haar hebberigheid, vroeg en kreeg een snelle himalaya van mij, gaf Maaike een verontschuldigingsknuffel, en liet Maaike over zich heen rollen. Begroetingsknuffel hier, en we probeerden de pantograaf in deze volgorde. Liep op dezelfde wijze scheef, en Maaike gaf Wiesje een verontschuldigingsknuffel.

We deden een avondritueel, maar gingen daarna in het zwembadje liggen, pot nane bij de hand. En een rol koekjes, maar we hadden veel dierlijke vrienden. Onder de struiken bij de weg werd zelfs een mammoetje geboren. Wiesje deed een schietgebedje, en kon even later beschuit met muisjes uitdelen. Aansluitend moesten wij mensen ons vergewissen van de afwezigheid van nakomelingen in elkaars lijven. Maaike dacht vervolgens als eerste aan mijn prostaat, en pijpte me leeg. Zodoende kon Wiesje even later weer eens triomferen, want die kan (in kromme beeldspraak) water uit rotsen slaan. De man in de stofjas kalkt bibberig “OPHEFFINGSUITVERKOOP” op een groot stuk keukenpapier, maar kan de deur naar de winkel vóór niet openkrijgen.

Wel, daarmee zijn de sexuele ontwikkelingen geschetst. Daarna kwamen nadere invullingen. Ook kwamen de sociale ontwikkelingen. Opeens liep ik met twee vrouwen door Us Net, beiden doorgaans in Wiesjes stijl gekleed en op Wiesjes wijze stralend. Hadden we boodschappen gehaald, dan mocht ik achter beiden aan sjouwen.

Niet verwarren

Even uitweiden op een minder ongeschikt ogenblik.

Niet verwarren: Wiesjes geilheid van kindsbeen af en haar ontwikkeling van betrekkelijke preutsheid tot iedereen sexueel uitdagen, in de loop van ons samenzijn (met soms een terugval).

Niet verwarren: Maaikes "waarom moet ik dit bedekken?" naturisme van kindsbeen af en haar ontwikkeling van (ongelukkige vergelijking met niet-zoogdieren) lelijk eendje tot uitdagende zwaan.

Niet verwarren: de dienstbaarheid van Wiesje en Maaike aan elkaars genot met niet-heterosexuele geaardheid. Dat ik soms koffie kan zetten terwijl zij met elkaar bezig zijn, is voor mij geen afwijzing maar een adempauze (en ook voor de man in de stofjas een koffiepauze).

Maaike 4 (Aart & Yvonne)

We gingen inderdaad weldra bij Aart en Yvonne eten. Yvonne poseerde even met beide andere vrouwen in slechts jeans rokje, en meteen hadden nog steeds ik en nu ook Aart geen keus. Daarna hielp ik hem, door te stellen dat Yvonne en hij toch maar mooie dochters hadden voortgebracht - en voor het eerst durfde hij Maaike als vrouw te bewonderen.

Toevallig kreeg Maaike een SMSje van Sheila (een vraag over de vindplaats van een stuk keukengerei in haar huisje). Ze belde nu maar meteen terug, en vertelde waar wij waren. Oh, dan kwam Sheila meteen. Maaike lijsde de dress code. Op het laatst van de middag zweefde Sheila binnen, inderdaad ook in jeans rokje en T-shirt. Hernieuwd poseren, weer niet zozeer voor een foto, al zijn die wel gemaakt. Opnieuw hadden Aart en ik een stijve. Sheila drong zich niet aan mij op. Dat verbaasde iedereen, dus nog in de ouderlijke slaapkamer deed Sheila haar onderstaande verhaal. Vandaar spring je hierheen terug.

Sheila: "Erik" (Je springt hierheen terug.)

Het toehoren deed de sexuele nood slinken. We gingen aangedaan (gewoon: onder de indruk) naar de huiskamer, en gingen helemaal bloot zitten. Het bankstel paste: Aart en Yvonne op de tweezits, Wiesje, Maaike en ik op de driezits, Sheila alleen in de fauteuil. Een verrassende aanblik. Sheila keek de kring rond, en meldde op een toon die ik eerder (waarschijnlijker èn tot voor kort) van Maaike had verwacht: "Nee, ik trek me van niemand terug. Ik ben niet eenkennig of kuis geworden. Ik kan het nu eindelijk opbrengen om me niet als derde vrouw aan Larie op te dringen. Wel moet ik even wennen aan de veranderde kleding en blik van Maaike. Vertel!"

Maaike keek rond, en richtte zich vooral tot Sheila: "Ik ben laatst erg ziek geworden in de rimboe. Ik heb me naar de konijnenflat gesleept, en ben daar helemaal binnenstebuiten gegaan. Ik heb beloofd, dat ik me nu zal richten op mijn eindexamen, en dat ik misschien een andere studie zal kiezen, iets met landbouw of zo. De rest van de vacantie logeer ik bij Wiesje en Larie - en het grote nieuws van mij is dan, dat wij met zijn drieën bij elkaar lijken te horen. Er gaat een warme wereld voor mij open." We deden zittend een driehoeksknuffel.

Sheila's verrassing trok snel over: "Het is even wennen, maar ik zie het wel lukken. - En het blijft in de familie…" Ze probeerde een vierhoeksknuffel, maar die lukte pas toen we waren gaan staan. Vervolgens gaf ze staand alleen Maaike een langdurige en innige knuffel. (Zijn er niet-innige knuffels? Dit was een "wij horen bij elkaar" knuffel.)

Yvonne zweefde naar de keuken. Aart zat peinzend aan zijn stijve. Yvonne kwam terug, liet haar ene hand onderweg van zijn schouder naar die stijve strelen, en vroeg rond: "Iedereen thee?" We knikten. Sheila keek haar aan: "Ik doe die thee wel…" Yvonne trok dankbaar Aart uit zijn stoel, de trap op. Sheila ging peinzend met zichzelf spelen.

En verder

Wat hebben we verder gedrieën gedaan? We zijn uiteraard weer de hoge rimboe in geweest, met een overnachting bij Botje. We hebben weer een nacht gekampeerd bij het schuine ven, daarheen gelopen langs dat roemruchte zeiltje. We hebben ongeveer de tocht gelopen die we met Maaike en Chot gemaakt hadden - Is dat al tien jaar geleden? Nee, toch? - We hebben een wandeling gemaakt naar dat bos dat we vanuit Ooikooi bezocht hadden, met op de heenweg leeftocht kopen (en koffiedrinken) bij Tin Roof, in dat bos in ons krappe tentje overnachten (en pinda’s eten met de mammoeten aldaar), en langs dat viaduct verderop onder de Digitale Snelweg door terug naar Spamerica, dan in rechte lijn naar Aart en Yvonne voor avondeten. Die hadden ook Bill en Mina te eten, en zo. Mina wilde geen spreadsheet… We hebben een middag aan de Griekse wijn gezeten bij de buufs, en later kwamen ook de jaffa’s erbij. Het tweespan Wiesje en Maaike bleek in veel opzichten onverslaanbaar, en ik voelde me des te meer vereerd en dankbaar.

Oh ja…. Maaike bleek geweldig geprikkeld te worden door de aanblik van dat ik me op haar aftrok, en nam op de koop toe, dat dan Wiesje mijn drupjes opving. Alsof ze nog steeds verbaasd was over de aantrekkingskracht van haar lichaam op vrouwminnaars. Andersom deed het Wiesje niet zo veel als Maaike mijn drupjes opving. Ze kent haar uitwerking op mij heel nauwkeurig, en eigenlijk vindt ze, dat ik van háár speeltje af moet blijven. Overigens komt het zelden voor, dat ik voldoende opgeladen ben om me te kunnen aftrekken. Wat mij betreft word ik afgebeuld gehouden, maar voor een keertje...

Mja, verder hebben we toch vooral op bed gespookt. Alleen nog het volgende.

Erik

Op een zaterdagmiddag werd Wiesje gebeld door Sheila: of we in VCR kennis wilden komen maken met Erik. Even later liepen Wiesje, Maaike en ik over de dijk. De vrouwen maar weer in T-shirt en jeans rokje en op wandelschoenen, ik in T-shirt en gewone korte broek met de kleine rugzak. Ach ach, een kilometer voor het doel wilden ze nog gauw een himalaya gevingerd hebben. Daarna nam Wiesje mijn stijve in haar mond, en kreeg me snel klaar met slechts zuigen en binnensmonds likken.

Sheila zat bloot aan de waterkant (bij dat eilandje), Erik in slechts boxer bij haar. Ze stonden moeizaam op, toen ze ons gewaar werden. Wiesje kneep in mijn hand, zo’n “Oh oh!” kneep. Ze monsterde Erik bij het voorstellen, en riep verbaasd “Havermout!” Ook bij hem herkenning: “Kleine Donder!”

We gingen zitten. Wiesje verklaarde: “Erik woonde in hetzelfde kraakpand als mijn ouders en ik. Hij woonde er al op zichzelf. Hij viel op, doordat hij iedere ochtend havermoutpap at. Op een middag waren alleen wij tweeën in het grote pand. Het was kutweer: stromende regen en onweer. We stonden in de keuken voor het raam, en toen zei ik “Echt weer om in bed te blijven!”. Hij zei “Zullen we naar bed gaan?”, en toen ging ik met hem mee. Maar het klikte dus niet. - Ik herken hem aan dat vlekje boven zijn linkeroog.” Sheila draaide zich met een ruk naar Erik, en riep verbaasd: “De buurman!” Ook zij had iets uit te leggen: “Ik woonde net bij mijn grootouders. Op een middag was ik mijn sleutels vergeten, en zij waren niet thuis. Een buurman was aan het verhuizen, en ik mocht bij hem naar de WC. Het huis was bijna leeg, maar op het aanrecht stond een pak havermout.” Aller ogen op Erik. Die verklaarde verbaasd: “ Klopt allebei. Wie geilt er nou niet op Kleine Donder, eh… Wiesje! En Sheila keek zelf ook al zo geil. Ik had dat kindje graag willen neuken, maar ik wilde mijn relatie niet kapotmaken net toen we een huis gekocht hadden, en ik wilde Sheila niet bederven."

Sheila schaterde: "Wel, ik was al bedorven. Dit is de schuldige: Larie. En Wiesje is steeds zo lief geweest om hem aan mij te lenen. En aan Maaike." Ze wees. Wiesje verbeterde: "Wij bekijken nu, of wij drieën bij elkaar horen. Ik denk het wèl…" Driehoeksknuffel. Erik was verbluft: "'Één man, twee vrouwen, die leeftijdsverschillen?" Maaike veerde op: "Larie zegt altijd: een man is zo oud als zijn partner zich voelt. Wiesje en ik voelen ons dertien, of zo. En misschien ga jij nee verkopen waar hij Sheila er óók bij had." Erik keek mij onderzoekend aan. Ik spreidde mijn handen, met mijn armen om Wiesje en Maaike heen: "Als jij kunt verstaan wat Sheila van jou vraagt, dan kun jij dat ook. Ze vraagt veel, ze geeft duidelijk aan wat ze wil, en ze wil niet minder teruggeven dan ze gekregen heeft. Als sex jouw ding is, dan kunnen jullie samen reuze gelukkig worden."

Veel tekst sinds dat "Oh oh!", maar weinig tijdsverloop. Sheila bloot zien is voor Wiesje een teken om zich onmiddellijk uit te kleden. Maaike spiegelt zich aan Wiesje ("Ah, eindelijk!"), en beiden werpen zich op mij als ik mij niet snel genoeg ontkleed. Sheila sjorde Erik die boxer af als een moeder die ijlings een kind in een keurig gezelschap fatsoeneert.

Uiteraard hield Erik het niet meer. Hij leek vooral op Maaike te geilen, maar hij begon braaf aan Sheila's himalaya. Uiteraard waren Wiesje en Maaike ook toe aan een himalaya. Blijkbaar gunde opperkonijn Wiesje onderkonijn Maaike de eerste ronde. Mij best, gewoon in meegaan. Volstrekt onromantisch gezegd: wij drieën waren al klaar(!) toen Erik nog bezig was met Sheila (en dus nog op zijn eigen verlossing moest wachten). Maaike speelde weer met mijn voorhuid, Wiesje volgde Eriks verrichtingen, en gaf weldra ongeremd aanwijzingen. Goed bedoeld, maar niet dienstig. Maaike bracht tactvol Wiesje tot de orde. Ze gingen binnen thee zetten. Ik kon niet zien, wie van hen het voortouw genomen had - in het geval van Wiesje zou het betekenen: "Ik kan dit gepruts niet langer aanzien." Intussen kon ik Sheila eindelijk ongestoord (door eigen werk aan Wiesje) bevredigd zien trachten te worden door een andere man. Ik dacht zo innig "Toe nou! Je ziet toch, dat ze dàt vraagt!", dat ik vreesde dat ik hardop zou gaan denken. Ik ging dus het huisje binnen. De thee stond te trekken, en Wiesje en Maaike lieten elkaar voelen, wat Erik volgens hen fout deed. "Zij wil zó gevingerd worden, maar hij doet zó." - "Heeft ze hem nog niet geleerd te neuzen?" - "Vast wel, maar hij lijkt me bang om vies te worden." - "Dan wordt het niks! En volgens mij geilt hij meer op jou." - "Oh, ik dacht op jou." - "Maakt niet uit." - "Ze maakt het wèl uit!" - "Ja, dat denk ik óók…" Ik ging maar weer naar buiten.

Wat zou het probleem zijn? Bij Erik thuis was het "best lekker" gegaan. Was Erik afgeleid door Wiesjes raad? Door de aanblik van Wiesje of Maaike? Of verlangde Sheila weer naar mij? Dit alles? Hoe goed volgde hij Sheila's wensen op? Ik koos een plek met goed zicht (op hen) en slecht (door hen) gezien worden. Hmm… hij reageerde inderdaad slecht op (volgens mij) duidelijke aanwijzingen. Hij vingerde wel, maar hij lag te luisteren. Ik meldde me binnen met dit nieuws, Wiesje en Maaike bleken griezelig goed op elkaar ingespeeld, want na enkele handgebaren ging Wiesje mee naar buiten, babbelend over het nieuwste haventjesschilderij van Geert. Erik leek inderdaad sterker afgeleid. Wiesje maakte met een smoesje plaats voor Maaike. Die kon over datzelfde schilderij babbelen. Erik leek minder afgeleid dan door Wiesje.

Sheila had er genoeg van. Ze veegde Erik van zich af, ging zitten, en keek Erik verwijtend aan: "Wat zat je toch te prutsen?" Wiesje en Maaike kwamen toevallig(?) net naar buiten, babbelend over dat schilderij. Erik keek onwillekeurig op (van de wallekant naar het huisje), en Sheila wist genoeg. Ze ging naar binnen, en kwam in bikini (uniform ondergoed) terug. Ze gunde Erik wel een verklaring: "Ik wil iemands nummer één zijn, niet een plaatsvervangend kwakjesvat. Pak je spullen, dan breng ik je naar je auto. - Gaan jullie mee?" Erik ging als een geslagen hond naar binnen, opdringerig gevolgd door Sheila. Buiten plasten wij op het eilandje, en kleedden wij ons aan. Binnen hoorden we de WC doortrekken. Daar kwam Erik weer, gebogen, hinderlijk gevolgd door Sheila. Haar boot heeft twee luxe stoelen en een achterbank. Ze verwees Wiesje naar de tweede stoel, Maaike naar Wiesjes schoot, Erik en mij naar de achterbank, maakte los, plofte zelf in de eerste stoel, gebood iedereen om gordels te dragen (Wiesje en Maaike dus samen), startte, en gaf gas.

We waren in een ommezien bij Aazicht. Ze liet Erik zijn auto uit haar garage rijden, sloot af, gaf Erik afstandelijk een hand, en beende terug naar de boot. We stampten tegen onze eigen hekgolf van de heenweg op.

Thuis volgden we haar in het ontkleden. Ze trok een fles uit een kast, zette die temidden van cognacglazen op de keukentafel, schonk zichzelf een bel in, leegde die in twee slokken, en zei hees: "Wéér mis!" Ze hield zich groot, maar er vloeide een traan. We trokken haar omhoog voor een groepsknuffel. Wiesje en Maaike boden mij aan Sheila aan. Die glimlachte dun: "Heel lief van jullie. Larie, ik heb je losgelaten. Als ik ooit van de derde naar de eerste plaats mocht stijgen, dan blijf ik graag bij je. Nu laat ik je in warme vriendschap over aan Maaike en Wiesje." Ze sloeg weer een bel achterover. Ah, armagnac.

Even (enkele minuten?) zaten we om de tafel, in afwachting van Sheila. Die hernam: “Ik had gerekend op een heet weekend hier. Nu wil ik liever terug naar Amsterdam. Ik heb geen auto bij Aazicht, dus ik moet over Us Net terug, en vragen of iemand me naar een station brengt. Maar dan ligt mijn boot niet bij Aazicht, en moet ik volgende keer weer over Us Net. Dan moet het anders. Ik vaar naar Aazicht, en neem van daar een taxi naar een station. Jullie kennende lopen jullie terug - of moet ik jullie eerst een slinger geven?” Inderdaad, wij wilden lopen. We namen innig afscheid van Sheila, en liepen terug, tot kort voor Us Net bloot.

Thuis gingen we gedrieën bij een pot nane op bed liggen denken. Eigenlijk verkiezen we ons dubbellange bad, maar dat biedt niet de gewenste ligging voor drie mensen. We maakten er maar een vroeg avondritueel van. We waren het erover eens, dat Erik meer op een ander geilde, maar was dat nu Wiesje of Maaike? Hoe dan ook, we leefden met Sheila mee. Ik moest echter ook weer belijden, hoe goed ik Wiesje en Maaike bij elkaar vond passen. En bij mij, vonden beiden. Wiesje verklaarde (weer eens, nu in andere woorden): “Komt door jou. Wij sloven ons uit om elkaar te laten voelen hoe we van jou genieten, en om jouw kwakkie in de ander terug te vinden. Dat is toch geweldig?” We ontdekten nog het woord “boezemvriend(in)” (terug bij de tiEtel…), en wijdden ons aan die lichaamsdelen.

Slot

Het logeren kwam mèt Maaikes vacantie ten einde. Het had haar goedgedaan: ze was zelfbewuster (“Doe ik wel.”) en assertiever geworden (zag minder rechten als gunsten), vrolijker, en mooier. Ze was wat aangekomen, ze liet haar hoofdhaar nu groeien tot een steile uitgave van Wiesjes lokken, en bovenal glansde (of zelfs straalde) ze zo als Wiesje. Maaike had Wiesjes voorkeursdracht overgenomen van (als je niet bloot kunt lopen) T-shirt, jeansrokje en string, en Wiesje ruilde voortaan op koelere tijden dat rokje en de panty in voor een legging en desnoods een trui. Bij mijn weten was ik zelf niet veranderd, al was ik dankbaar dat ik blijkbaar zelfs twee vrouwen gelukkig kon hebben (maken en houden), één en twee generaties jonger dan ik. En waren die met elkaar bezig, dan voelde ik me noch eenzaam noch opgelucht.

Wiesje en ik brachten Maaike terug naar Aart en Yvonne, opdat ze zich aan haar laatste schooljaar kon wijden. Maar een schooljaar heeft vacanties…

Wiesje en ik vonden het beiden vreemd om onze vertrouwde figuren nu weer getweeën te doen.

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).