Laatste wijziging: 2019-08-16 (technisch), 2019-08-12 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Dagen erna"

[sex]

 

Eigenlijk weet ik nog steeds niet, in hoeverre ik naar aard een gevoels- of verstandsmens ben. Iets in het midden, denk ik. Wiesje is naar haar aard veel sterker een gevoelsmens. Denk aan haar afkeer van “boutjes en moertjes” en van praten over geld. Ze voelt dingen aan, is geweldig in geïmproviseerde muziek, en ze weet zonder beredeneren haar lichamelijkheden te benutten. Denk maar aan die dracht van T-shirt (maar liever topje), jeans rokje en string. Voor mij heeft ze uiteraard meer in petto: ze speelt op al mijn zintuigen. Ze heeft best veel verstand, maar het lijkt pas op aanvraag beschikbaar. Maaike is naar haar aard veel sterker een verstandsmens. Ze moet dingen beredeneren, maar uiteindelijk krijgt ze contact met haar heus wel sterke gevoelens. Misschien verklaart onze verscheidenheid onze gehechtheid, en dan met name de band tussen Wiesje en Maaike. Die verbluffen elkaar steeds weer met hun aard, maken die in de ander wakker, reageren met hun eigen aard, en trekken zich zo aan elkaar op. Met grote wederzijdse waardering en gezamenlijke lol. Wellicht is bovenstaande vergelijking de onderstroom in navolgende meldingen, en misschien ook wel in voorgaande verhalen. Ik heb immers de laatste tijd vooral ontwikkelingen gemeld, geen avonturen beschreven. We gaan zo dóór...

Maaike is inmiddels al weken achttien, en officieel partij in het boterbriefje dat voordien slechts gold tussen Wiesje en mij. Ze is zekerder geworden. Nooit weg als je eindexamen doet… Langzamerhand begint de spontaniteit te groeien: het maken van grappen, jovialiteit. Er komt ook pijn los: de eenzaamheid, zelfs minderwaardigheid, die zij zo vaak en zo lang gevoeld heeft, zelfs binnen het gezin, nog verergerd door hoe zij ervoer dat Wiesje en ik met elkaar omgingen en hoe we met háár omgingen: die tocht met Chot, de opvang toen we op een Heidefeest op de winkel van Ab en Sophie pasten. Maar het was toch wel Sheila geweest, die haar (Maaikes) gekrabbel met de computer had vertaald naar bedrukte T-shirts. Bij dergelijk verdriet komt Maaike op Wiesje en mij liggen, een kruising tussen onze stootligging en de houding van de schreeuwtherapie die ik ooit heb mogen proberen. Dan is het de eenheid van Wiesje en mij die Maaike troost, en als lid van die eenheid omarmt. Vaak is dan de afloop, dat ik naar Maaikes bedhelft schuif, opdat Maaike Wiesje haar dankbaarheid kan betuigen. (Ik ben de man die Maaike in zich wil hebben, maar Wiesje is degene die dat met haar instemming mogelijk gemaakt heeft.) 

Maaike had haar haar laten groeien, op weg naar lokken tot op haar schouders zoals die van Wiesje (maar dan met steil haar). Inmiddels begon Wiesje juist te beseffen, dat een koppie dat niet kan klitten eigenlijk wel handig was. Zodoende kwamen we op een zaterdagmiddag bij de boys, opdat Herman hen in zoveel mogelijk hetzelfde korte model zou knippen (hoefde niet in één knipbeurt). Kortom, het werd een herhaling van Kapper [sex], waarbij mijn kapsel slechts een bijrol speelde. (Aan het tot stekeltjes maaien van een steeds dunnere haardos valt weinig eer te behalen.)

Twee samenwonende vrouwen met hun postuur en dan ook eenzelfde korte kapsel geven buitenstaanders aanleiding tot steeds weer dezelfde slotsom. Totdat ik me als nummer drie bekendmaak, en we (in geval van goed volk) naar de buufs verwijzen. Die (en de overbuufs) kijken met des te meer welbehagen bij ons, konijnen, toe, maar ik word nauwelijks nog uitgeleend. En dat gaat om mond en handen… Misschien zit de (onbewuste) verklaring in het schoeisel. We schrijven weinig over schoeisel. Het moet gemakkelijk zitten (geen druk- of schuurplekken), liefst gemakkelijk aan en uit gaan, en de prijs speelt een overheersende rol. Maaike hecht meer aan degelijkheid dan Wiesje en ik, en wij allen nemen ons voor, meer op de duurzaamheid (ecologische voetafdruk) te letten. Wiesje en Maaike hebben ongeveer evengrote voeten, maar (zoals gezegd) van verschillende vorm. Ze kunnen meestal elkaars schoenen dragen, maar met verschillend gemak.

Hadden we niet al eens over de pumps van Wiesje geschreven? Die droeg ze bij de opening van die schilderijententoonstelling, meen ik. Nu had Maaike bij een kringloopwinkel in de stad twee paren pumps gekocht, fel rode “boortorens”. (“Boortorens” is een aanduiding voor naaldhakken die ik in mijn middelbare-schooltijd bedacht heb. In mijn herinnering kort na een bezoek aan een werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen, waarin een medewerker had verteld, welk een ramp de naaldhakken-mode had betekend voor de vloerbedekking op de balkons van treinen.) Rode boortorens voor bij de rokjes en dan uiteraard topjes - het werd in de slaapkamer (waar we ze uitpakten en pasten) een al-oude bakvissen slappe lach. Met de onvermijdelijke vragen of ze mij pasten (en stonden), of ze er ook in mijn maat waren, en hoe ze liepen. Moeizaam, uiteraard. Vervolgens fotosessie met die schoenen in bed. (Uiteraard waren we bloot.) Ik moest denken aan de blijkbaar ongeschreven regel van sexfotografen om modellen tot op het laatst (van het geleidelijke ontkleden) schoenen (en/of sokjes) te laten dragen. Maar ook aan een grap in een oud moppenboek. Van een meisje dat haar moeder beloofd heeft om tot haar trouwen in bed altijd iets aan te houden. Wier vriend vervolgens verklaart, dat hij echt niet kàn als ze vanavond wéér die oranje hoed draagt. Oh, nou, en ik? Ondanks de schoenen had ik wel weer een halfstijve. Uit tijdnood (uitgesteld avondmaal) mocht Wiesje me pijpen, en kreeg Maaike een enkeltje gevingerd.

Terug naar de boys. Het werd weer veel gefrunnik op de bank, het werd weer ananas en slagroom in de keuken. Maaike deed volop mee: “Slap is die handiger om die kom schoon te maken. Maak jij hem slap, of moet ik helpen?” Nou, dan moest toch maar Herman Geert helpen. Hmm… Eigenlijk was het voor Maaike teruggrijpen op haar roemruchte gedrag in de klas, maar het paste goed bij de uitbundigheid die vooral Wiesje en Herman samen hebben (en waarbij Geert en ik het leeftijdsverschil met hen voelen). We hadden die rode boortorens mee (voor binnenshuis, want in Us Net zijn ze nergens te dragen), en alleen al de lol daarmee was voor ons vijven onbetaalbaar.

In bed gaan de ontwikkelingen verder. Je weet: ik lig in beginsel in het midden, Wiesje rechts, Maaike links. Voor mij betekent het nu niet slechts lichamelijk tussen Wiesje en Maaike in zijn, maar ook steeds meer hun speelbal te zijn: hun lummel, hun shuttle, het voorwerp van hun slappe lach, in communicatie in zinnen die doorgaans beginnen met “Ja, en dan moet je hem…” Maar het is heerlijk, hartverwarmend en gezellig. Maaike is zich zeer bewust van de vergankelijkheid der dingen, mensen inbegrepen. Ze heeft eens met watervaste viltstift op mijn onderbuik geschreven “BEWAREN”, met een pijl naar mijn zaakje. De oorsprong van die pijl heeft ze nog voorzien van een rondje, zodat de pijl oogt als het geslachtssymbool in Pinokkio-uitvoering. Die hartenkreet kwam dus allerlei schootzitters onder ogen, en maakte dan voor een kwartier de stemming lacherig. Wiesjes mening is: “Niet bewaren, maar opmaken!” Hmm… Eigenlijk had evengoed Wiesje “bewaren” kunnen stellen, en Maaike “opmaken” tegenwerpen.

Wiesje ligt graag verstrengeld met me. Omarmd, met haar rechterbeen over de mijne, liefst met haar flapje tegen mijn rechterdij. Maar vroeger lag zij ook wel links van me: dat omrollen, weet je nog? En Maaike heeft mij het liefst klaar voor sur place, dus zo ver mogelijk op haar. Als ze dan voelt of kan maken dat ik een stijve heb, dan weet zij me wel (met vooral haar rechterbeen dus) op zich te werken, en dan kan het opgooien beginnen. Niks himalaya, niks voorspel (afgezien van dat op Maaike liggen, wat uiteraard niet star is)! Heeft ze mijn kwakkie binnen, dan meldt ze soms hardop: “Wies, volgende voor jou”. Dan kan Wiesje als ze klaarwakker is nog gaan zoeken. Laat ze, zoals meestal, die melding ongehoord en dus onbenut, dan vist ze bij het ontwaken weer achter het net. Maaikes nuchtere commentaar: “Dan moet je ‘t maar nemen." Soms willen de katjes toch even als vrouwen tegen elkaar aan liggen. Na de kortsluiting hebben ze nu de "tandwielen" ontdekt: de borsten om en om. Ja, met hun stevige borstjes is dat een passende aanduiding. Dan ook het flapje op een dij van de ander.

Iedereen wil gaande de nacht wel eens verliggen, meer aandacht aan een ander schenken, enzovoort. Plaspauzes bieden een goede gelegenheid om zonder storen de ligging te veranderen, maar de behoefte is groter dan het aantal plaspauzes.

We hebben nu dus een groot tweepersoonsbed met dekbed. De grootste standaardmaten. Echt koud is het zelfs 's winters in onze slaapkamer niet, ondanks de matige isolatie. Zeker voor de middelste in bed niet. Het dekbed is allengs aan het veranderen tot rolkussen aan het voeteneinde, of het valt overboord. Zodoende gaan we inmiddels vaak "ondersteboven" liggen. "Achterstevoren" is wellicht beter gezegd. Dan ligt Wiesje dus links van me, Maaike rechts. Maar het is niet gezegd, dat we tegelijk omgaan. Wie vast slaapt, die kan dus wakker worden met tenen bij de neus. Ter herinnering: het is hier 's nachts pikdonker. Maaike is nu eenmaal de helderste van ons. Die weet meteen, hoe en waar Wiesje en ik liggen, en die past zich meteen aan. Tenzij Maaike wil slapen, want dan lijkt ze in een onwaarneembare bunker te liggen.

Ook blijft in bed nu soms de competitie achterwege. Aan de vooravond van een schooldag gaat het bijvoorbeeld als volgt.

Na de biecht geef ik Maaike een himalaya, vanuit de geesteshouding "Wat had jij nou?". Dan kan ze amper (in judo-taal) aftikken dat ze genoeg gehad heeft, en dan geef ik haar een sur place. (Maar, zoals je weet, kan zij mij evenzeer afpeigeren. Er zit een onmerkbare instemming in het niet zelf "aanvallen".) Na die sur place rol ik af, krijg misschien nog net een flauwe aai, en dan is Maaike uitgeteld. Ik rol tegen Wiesje aan (niet zo moeilijk op dit oppervlak). Die heeft het geheel ook in het donker kunnen volgen, weet dus dat ik net uit Maaike kom, en likt mijn slappe schoon. Vervolgens beginnen Wiesje en ik aan zo'n langzame vrijpartij die Wiesje zo heerlijk vindt, en waarvan Maaike de riebels krijgt. Mijn hoofd onderweg tussen Wiesjes hoofd en borsten, mijn ene hand tussen haar benen. Heel, heel geleidelijk wordt het heviger, en uiteindelijk wordt het toch een partij beffen. Na de himalaya krijgt ook Wiesje zo mogelijk een sur place: dat is nu eenmaal mijn eigen beleving van "bij elkaar horen", maar soms ben ik te moe, en wordt het het pijpen dat Wiesje verkiest. Dan likt ze mijn slappe weer schoon. We doen nog iets van een knuffel, en dan draai ik terug naar Maaike. Die slaapt weliswaar, maar voelt ooit mij tegen zich aan, en grijpt mij dan onderbewust met armen en benen. Zo blijf ik opgesloten tot de eerstvolgende plaspauze of totdat de wekker gaat. Uiterlijk bij die wekker is Maaike weer helemaal wakker en op dreef. Dan krijgt zij weer een himalaya, maar dan word ik vervolgens opgegooid, soms gepijpt. Dan moet ik maar zien, hoe ik kan bijdragen tot het ochtendritueel op schooldagen.

Oh ja. Inmiddels is Maaike dat inleggen van het kruisje toch wel ontroerend gaan vinden. Ze beseft nu, dat ik haar eigenlijk een rij hoogtepunten zou willen meegeven voor onderweg en op school. We hebben enkele minuten meer reistijd moeten rekenen, omdat ze door die ontroering vooral het eerste stuk trager fietst.

Soms blijft die schematische competitie achterwege, maar wordt in bed des te harder strijd geleverd. Soms letterlijk om mij: dan worden verwijten gewisseld in de trant van “a-i-u-klik” - “je bent zèlf een a-i-u-klik”. Soms figuurlijk om mij: “ik zag hem het eerst” - “maar ik voel hem nú”. Dat kan uitmonden in slaan met hoofdkussens of in worstelingen. Soms moet ik op de rand liggen, soms moet ik zelfs het bed af, soms word ik juist klemgezet tegen het hoofdeinde. Het gebeurt in licht en donker. Het gebeurt doorgaans niet als Maaike vroeg op moet - maar met alle schoolvrije dagen van het voorjaar en met het plaatsmaken van lessen voor examens hoeft de wekker steeds minder vaak gezet te worden. Doorgaans eindigen alle bezigheden in een plotselinge stille knuffel. Dan moet ik maar poolshoogte nemen, de gekwetsten troosten, de vrede bezegelen, me onderwerpen aan de nieuwe verhoudingen, of zo. Het eindigt altijd met een stootligging.

Bij daglicht zijn de sporen van de gebeurtenissen veelzeggend. De gegarandeerd-wekkervrije dagen zijn immers de zaterdag en de zondag, de helft van de weekeinden heeft één van beide vrouwen haar stonde, en dan heeft ze in bed geen tampon in. Véél bloed vloeit er immers niet (wel veel tinten grijs) - maar je kunt wèl sporen achterlaten op beddengoed en bedgenoten, zéker bij worstelingen. Wiesje heeft er foto’s van gemaakt. Je kunt sommigen er zo heerlijk mee op de kast jagen. Los van de worstelingen heb ik op rode dagen toch al vaak bloed aan me, en geef ik dat af aan alles en iedereen. Dat is nu eenmaal de keus die wij drieën gemaakt hebben: onbezorgde lichamelijke vrijheid, en dan maar een beddengoed-was extra voor de wasmachine. Ha, Sheila heeft in dezen ingebonden. Háár rode dagen gaan vergezeld van een handdoek over het hoeslaken en een schoteltje (voor de tampon) naast het bed. En bij nader inzien wil ze geen bloed aan Jeroens gezicht. En handen. En pik, want dan komt het toch weer aan háár, en aan de dekbed-overtrek. Kortom, hij moet wel, maar mag eigenlijk nauwelijks. Nou, Wiesje en Maaike herinneren haar en Jeroen tweewekelijks aan de toestanden hier! En aan haar eigen vroegere bandeloosheid. We zenden niet de foto’s, slechts links naar foto’s in onze cloud. Soms gebruiken we er een stukje geluid bij. Dan zien ze zoiets als het negatief van een vliegenzwam, en dan hoor je Maaike met een nieuwe klemtoon in haar oude temende vraag: “Wat doen jullie…?” Je kon erop wachten. Toen ik onlangs wakker werd van een worsteling naast mij in het donker, stelde ik de oorspronkelijke vraag (in falsetto): “Wat doen jullie?” Twee tellen later lagen we in stootligging te bonken van het lachen.

Weer iets nieuws voor in bed. Niet voor in het donker. Wiesje noemt het “duel” of “duelleren”. Dan gaan Maaike en zij te weerszijden van mijn hoofd tegenover elkaar op hun knieën staan, in een vrouwlijk wijde spreidstand. Vervolgens gaan ze duelleren: proberen elkaar met hun borsten te slaan. Met de memmen van Toos zou zoiets wellicht kunnen, maar met die borstjes van de katjes bij lange na niet. Die lillen slechts een beetje. Klopt, maar ze lillen in mijn blikveld, en dàt is de bedoeling. Ik ben de speelbal, ook al noemen ze mij de scheidsrechter. Ha! Bovendien heb ik te weerszijden van mijn hoofd dan een flapje hangen en lillen. Ik hoef mijn neus maar te draaien, of wellicht mijn tong uit te steken, en ik maak contact. Degene die volgens mij aan de beurt was, krijgt vervolgens de neus- en befbeurt. Gewoon: beiden liggend. Daarna krijgt de ander de beurt. Inmiddels is ook wel iemand mij aan het pijpen, en daarna mag de ander mijn kwakkie in dier mond zoeken. Zoals Maaike maar weer eens nuchter vaststelde: mijn zaadcellen krijgen niet eens de kans om zich in mijn prostaat te verzamelen, ze worden nog tijdens de celdeling uit mijn ballen gezogen. Tja, dat doet ze zelf… (PS: Inmiddels heb ik geleerd, dat de vorming van zaadcellen een langer proces is.) Zoals ik het beschrijf, is het als verhaal waarschijnlijk te volgen, maar zie je het vöór je, met de blik van een regisseur?

Het is licht genoeg. Het dekbed is van het bed verdwenen. Ik lig op de lengte-as van het bed op mijn rug, minstens een vrouwendij-lengte van het hoofdeinde. De vrouwen liggen op hun plaatsen. Mijn plaats zou dus kunnen duiden op drinken als mijn voorafgaande bezigheid. We volgen elkaars bezigheden (tegenwoordig: “we monitoren elkaars activiteiten”) nauwlettend, maar ik ben de muis die toch al berust in de luimen van de katjes. Degene bij wie ik niet gedronken heb zou dus kunnen oproepen tot het duel. Met het bezit van mij (gedurende de eerste minuten na dat duel) als inzet. Dan nemen ze hun bovenbeschreven plaatsen in. Dan heb ik (zoals zovaak) de vraag, waar ik mijn armen laat. Het antwoord is (zoals meestal): de bovenarmen van mij af, als voor kruisiging, maar dan moet de stand van de onderarmen de draaglijkheid van die houding bevorderen. Bij duelleren houd ik ze dan maar omhoog, tegen de linkerbil van Maaike (links) en de rechterbil van Wiesje (rechts). Zij vinden dat uiteraard prachtig. En al bewegen de vrouwen in wat waarschijnlijk in grote delen van de wereld bestaat als deel van een vruchtbaarheidsdans, hun eigen aandacht geldt grotendeels mijn aanvankelijk ongetwijfeld slappe pikkie. Alle gezwiep en gelil boven mijn hoofd en alle minder beheersbare ontwikkelingen rond die flapjes die nu zowel stierenvechtersdoek als oogklep zijn, zijn immers gericht op het voor paal komen te staan van dat wurmpje. De code van dit duel zegt, dat dit wurmpje geen handje (of mondje) geholpen mag worden. De opwinding gaat ons drieën echter niet in het hete blootje zitten (onze kleren liggen inderdaad ergens koud), dus iemand kapt het duel af. Vaak ikzelf, vermoed ik: in die houding krijg ik beslist spoedig weer een stijve, gepaard met de drang om die te betasten. Maar tussen droom en daad staan vrouwendijen en bezwaren.

Vrouwendijen en bezwaren? Hah! Wetten en bezwaren! Nou ja, het leek er even op. Wiesje vond, dat ik niet zelf met mijn handen aan mijn pik zou moeten komen. Maaike wilde het strafbaar stellen. Wiesje bedacht een strafmaat (ten gunste van de verbalisante). Vervolgens verzocht ik om een delictsomschrijving. Het geheel was goed voor een volle zaterdag in bed, met een felle strijd tussen rekkelijkheid en precisie, met steeds meer uitzonderingen en strafverzwaringsgronden. Met steeds wildere voorschriften voor hoe verbalisante dan wel zou moeten handelen. Ik herinner me nog, dat Wiesje vond dat het corpus delicti aan de voorhuid diende te worden vastgehouden om in de gewenste stand gebracht te worden, terwijl Maaike betoogde dat die voorhuid tijdens de verplaatsing teruggeschoven behoorde te zijn. Afijn, de aanleiding tot de discussie raakte steeds verder op de achtergrond, en genotuleerd werd er niet. (Ik mocht niet, omdat ik gebaat zou kunnen zijn bij onvolledigheid. De katjes vonden elkaar teveel belang hebben bij verdraaiing van de feiten.) Maar het was hoogst vermakelijk, en tot afbeulens toe bevredigend.

Oh, inmiddels heb ik zelf een straf voor hèn gevonden. Een felle neusbeurt, met mijn neusbeentje zodanig in de weer, dat Maaike bepeinsde, waarom ik óók nog een pik heb. Dan kan de andere vrouw het niet aanzien, werpt zich op de priemende tepels, en gaat dáár tekeer. Is de gestrafte dan geslonken tot een uitgelebberd flapje en kromme tepels, dan heb ik wellicht ook nog iets te verhapstukken met die ander. Dan moet die in de juiste houding gelegd worden, vervolgens evenzeer afgebeuld. (Voor mij is dit amper vermoeiend, wel soms adembenemend.) Gaandeweg krijgt ook die gestrafte weer babbels, en zet de borsten-behandeling betaald. Uiteindelijk liggen beide vrouwen uitgeteld, de ene meer dan de andere, en heeft de man in de stofjas inmiddels nieuwe voorraad binnengekregen. Ha! Dan ga ik tussen beiden in op mijn knieën staan, en ga me op hen aftrekken. Die vernedering is verpletterend! Ja, daarna wordt het heus wel een stootligging... 

Een tussen ons (zo lang als het duurt) legendarische scène. Begon na een plaspauze als het door mij aan Wiesje deftig opdienen van mijn halfstijve. Die scène heeft twee dingen voortgebracht. Ten tweede pijpen (door Wiesje) in de vorm van een bolknak roken of (door Maaike) van een waterpijp roken (beide met verstolen en toenemend tongwerk bij het “inhaleren”). Ten eerste misprijzen van het genotene, met buitenlandse tongval. Door Wiesje: “Clotèn van de boque. Trop de fromage, trop de poisson”. Droge reactie van Maaike: “Testicles du quoi?” Vooral als iemand (niet noodzakelijkerwijs een van ons) moeite heeft met een handelingetje, bijvoorbeeld het openen van een jampotje, dan kan iemand van ons belangstellend vragen: “Testicles du quoi?” Vooral Wiesje kan dan tussen de tanden sissen: “Du boque! Clotèn du boque.”

Verder buitenlands nieuws. Maaike is van de afkortingen van één lettergreep, en Wiesje en ik nemen die achtereenvolgens over. “Wiesje” werd dus “Wi”, “Larie” “La”, en “ Maaike” “Ma’. Van links naar rechts heten we nu dus samen (behalve “konijnen”) ook Malawi. Wie kan dat land zonder spieken op de wereldkaart aanwijzen?

Niet alle nieuws komt uit onze slaapkamer. Die ouderavond [sex] lijkt al zo lang geleden, maar het is nu ongeveer een half jaar terug. Misschien is of was het hele verhaal dankbare bladvulling voor zeker dagblad, maar voor ons is de kous af met een naar onze maatstaven groot legaat voor Maaike en de vijandschap van zijn ex-eega of weduwe. (Soms is een tijdstip belangrijk.)

Maaike staat onverschillig tegenover die herkomst, maar is des te blijer met het geld: nu brengt ook zij geld in in ons huishouden. Ze heeft zich door Nelleke (toevallig de betrokken notaris) dingen laten uitleggen als “risicospreiding” en “beleggingshorizon”, en heeft het geld op verstandige wijze gestald. Wiesje heeft het kunnen opbrengen om aandachtig te luisteren naar Nellekes uitleg - en dat was goed voor een dubbelknuffel van verdienste. Sindsdien heeft Wiesje nog gewaagdere uitspraken als we in de kroeg Het Geld ontwaren. Maaike ziet nu (evenals ik) geld als een soort gereedschap, als mogelijkheid om iets te doen. Ook lol blijkt te koop, toch minstens dingen om lol mee te maken - en die drang (tot lol maken) groeit. Zodoende struint ze in tussenuren of inmiddels rond examens de enkele kringloopwinkels van de stad af, waaronder het zaakje dat Angela’s dierenpension van volledige ondergang moet vrijwaren. Zodoende is ook zij weer in beeld. Herinnert dat struinen je ergens aan? Inderdaad, aan Sheila (en Dennis). Dat weet Maaike zelf ook wel. Ze gaat soms met aankoopjes langs bij Sheila, afhankelijk van dier belet. Dan mag Jeroen, indien ter plaatse, voor mij invallen voor invallen die Maaike voor mij had. De zussen liggen in een deuk, en Jeroen probeert mee te smuilen. Zodoende groeit bij Sheila de wens om weer eens modeshows (meteen meervoud) te houden. Met haar nieuw-verworven inzichten heeft Maaike voorgesteld om Angela (en dier kinderen) erin te betrekken - maar Angela lijkt ons noch een komediant noch iemand die uit de kleren wil. Op zich willen Sheila en Jeroen wel iets voor Angela doen - al blijkt er een stukje oud zeer aanwezig tussen Angela en Jeroen.

Hoeft al niet meer: Angela heeft inmiddels een man, Thomas (Tom). Een verstandsverhouding, “flinterdun”. Tom is begin vijftig, weduwnaar en grootvader. Bij een bezoek aan Angela’s dierenpension zijn ze aan de praat geraakt. Tom is zijn vrouw verloren bij het motor-ongeluk dat hem zelf licht gehandicapt heeft. Hij mist een vrouw als huishoudster, om zijn kwakkie in kwijt te kunnen, en om mee te tronen naar gelegenheden waarbij hij geacht wordt aanwezig te zijn. Omgekeerd biedt hij geborgenheid, vaderschap voor de kinderen, en de aanwezigheid van geld. Tom is een bekende in de stad: hij zit in allerlei besturen en comité’s. Zijn handicap heeft hem doen stoppen met werk, maar hij was bankier. Sheila zei Maaike, hem dan maar te googelen. Dat heeft Maaike gedaan. Wauw! Zeker ooit gezaghebbend weekblad had eens een portret van hem geschetst. Bankier? Eerder een discrete makelaar tussen mensen die veel geld nodig hadden (maar niet in de zin van arm zijn) en mensen die dat geld kunnen missen (om er veel beter van te worden, en Tom zelf ook). Dat was begonnen met de agro-industrie in de buurt, maar was (zonder harde bewijzen) voorbijgestreefd door witwassen, financiering van opstandelingen elders in de wereld, en wapenhandel. Dat motor-ongeluk zou een poging tot uit de weg ruimen geweest zijn. En of hij nu echt gestopt was… Afijn, Angela was toen Maaike googelde al een of twee weken met kroost bij Tom “op zicht”.

We hebben alwéér een poging achter de rug om de Hijbezems nieuw leven in te blazen. Eigenlijk het vervolg van die repetitie in de kerk. Inmiddels zijn de jaffa’s weer onder de mensen. Wiesje en ik zijn te druk met Maaike om veel met hen op te trekken. Ze gaan nu veel om met het kwartet. Als Hijbezems hadden we onze knopen geteld: nu drie vrouwen als blikvangers. Uiteraard nog steeds Herman op contrabas (bij imitaties van Jimi Hendrix: gitaar) en Geert op tenor- (soms sopraan-)saxofoon. David en ik afwisselend op gitaar en slagwerk. Esther op klarinet danwel toetsen, Wiesje op toetsen (accordeon inbegrepen) danwel toeter of gitaar, Maaike vooral op taragot. Maaike is heel bezield (logisch, toch; ken je ‘t niet horen dan?), dus die heeft vaker de leiding: het spelen van de melodie, het bepalen van de improvisaties en chases. Ja, onze opzet is toch wel die van een jazz combo, ongeacht wat we spelen. En dan weer die jeans rokjes en die topjes en nu die rode boortorens. Ook voor Esther, maar die draagt dan maar lichtblauwe pumps. Eigenlijk is dat geen dracht voor haar, maar haar toch ietwat amechtig wordende geklots is een soort comedy relief bij de nu ontstane wedijver tussen titelverdediger Wiesje en uitdager Maaike. Wedijver die steeds weer even wijkt voor liefkozingen.

We hebben in de kroeg de sterren van de hemel gespeeld. Op vrijdag vooral voor onszelf, op zaterdag als vanouds voor ook busladingen van natuurvriendenhuis, Sans Perail, en Kees’ camping. Geleidelijk moest alle meubilair naar de berging terwille van het dansen, en geleidelijk ging men steeds openlijker in tweetallen naar de WC. Na het opruimen hebben Wiesje en Maaike die topjes nog uitgetrokken om Esther te sarren. Die wilde niet achterblijven, en deed ook haar beha af. Dat herinnerde me aan een grap uit een oud moppenboek, die ik in bed verteld heb. Kijk, iedereen (althans van minstens mijn leeftijd) kent het zetten van groeistreepjes op een deurpost. Deze grap was een tekening, waarop een vrouw de hoogte van haar tepels op een deurpost aantekent. Steeds lager… Reactie van Maaike: “Wi, hebben we al een voetenbankje voor La?” Mooie overdrijving! (Ja, je kunt haar opmerking ook anders opvatten, maar de bedoeling was echt, te veinzen dat hun borsten omhóóg zouden groeien.)

Dat biedt een mooie overgang op een ander onderwerp: touwtjespringen. Dat is zo’n spel dat modegolven kent. Het was in op zeker Heidefeest. Je kunt het terugrekenen. De meisjes uit juf Mina’s klasje waren in de schaduw van zekere boom bezig. Maaike deed mee, slechts gekleed in een slipje, en haar borstjes waren het tuinbonen-stadium voorbij. Die wipten dus opgeilend. Wiesje kent haar kwaliteiten, en wilde eventjes meedoen. Zij droeg ook toen een jeans rokje en een uniform topje. Dat topje kon het gewip niet volgen, en weldra was het opgekropen tot ver boven Wiesjes tepels. Videocamera’s aller landen en merken, verenigt u. Volgens mij hebben Wiesje en Maaike nog even samen gesprongen, voordat iemand (Yvonne? Mina?) ingreep.

Maaike herinnerde zich het spel laatst weer (opnieuw in de mode in de stad?). Ze stond te huppen bij de slaapkamerdeur, zonder ruimte voor een touw. Nou, dan doet een goed voorbeeld goed volgen. Meteen de volgende ochtend hebben we een springtouw in de tuin gemaakt: aan de zonzijde vastgebonden aan de steiger van het zeil. Één draait, twee kunnen springen. Tegen Louis Davids in: “Ik stond kwijlend al dat snoepgoed aan te kijken, en ik wist, dat het weer begonnen was. Eensklaps riepen ze ‘Nou jij!’, en van het lachen vielen ze tezamen gierend in het gras.” Tja, mijn mannenborsten zijn wellicht groter dan hun vrouwenborsten, ik heb een buikje (goed goed, een buik - wie niet?), en ik heb dat klokkenspel daaronder. Hun onderzoeksvraag was, hoevaak mijn pikkie tegen mijn buik zou slaan. Ze hebben elk een paar slagen gedraaid, maar net toen ik dacht het ritme gevonden te hebben, was het toch tijd voor iets anders. In mijn borsten liggen de tepels diep: die liggen blijkbaar verankerd aan mijn ribben. Daarnaar gingen Wiesje en Maaike nu op zoek, in het ongemaaide gras-en-onkruid van onze tuin.

Zoals doorgaans trok het gelach van Wiesje en Maaike ook de buufs aan. Wiesje wees naar het springtouw. Even later hadden we ook de overbuufs in de tuin. Buufs en overbuufs gingen dankbaar springen: één draaien, twee springen, één voor ons zevenen koffie en thee zetten. Uiteraard moesten zij vieren de katjes zien springen. Daarna vroeg Wiesje poeslief, of de buufs wellicht lange vingers in huis hadden. De overbuufs wèl, en Thea ging ze wel even halen. \ Dat is nauwelijks in woorden te verslaan, en beelden van camera’s zijn er niet. Dan moet je de volgende tekst maar laten voorlezen (Text To Speech), en je ogen sluiten.

Us Net in de loop van een vrij zonnige ochtend. Stil, bij nader inzien niet verlaten, met een enkele trekker en web crawler op de klinkertjes van dit stuk Digitale Zandweg. Opeens verschijnt Thea uit het tuinhek van de buufs. Gekleed in een oranjerode uniform bikini, op witte badslippers. Het bovenstuk van die bikini, de beha, is bedoeld als bedekking en bij haar als slingerdemping. Het onderstuk, in dit geval een string, is ook bedoeld als bedekking (en zonodig inlegkruisjeshouder). Nu bedekte de string dus weinig, en toonde bovendien een vochtplek. Thea is iets jonger dan Wiesje, en ze oogt zo als Toos wellicht op die leeftijd. Kortom, opeens snelwandelt er een schaars maar opvallend geklede (“oantrokk’n”?) matrone op badslippers voorbij, met de indruk dat in haar beha een gevecht om een levenszaak uitgevochten wordt - terwijl de neusjes dezelfde kant op blijven staan. Bijna de lengte van het dorp door, en even later weer terug, nu met in één hand schadelijk klemvast een pakje koekjes, lange vingers. Ruben had haar voorbij zien komen. Hij had vervolgens een call-optie uitgeschreven waar hij een put-optie had willen schrijven (toestand in één woord: Huawei), maar dat pakte nu eens voordelig uit.

Intussen in onze tuin. We waren met zeven, nu dus even met zes. De routine moge blijken uit hoe Thea, nog bloot, Wiesje aanriep (aansprak, maar dat betekent iets anders) en op Janneke wees. Tja, de katjes zijn kuis, dus ik word dan door Wiesje (mede namens Maaike) gedetacheerd bij de eenzame lesbienne, Janneke dus. Janneke is inmiddels rond de vijftig, maar goed onderhouden, en steeds vaker goedlachs. Wiesjes beperkende vrijbrief “Zijn kwakkies zijn voor ons!” was al goed voor een begin van een schaterlach. Janneke wéét alles van mannen (ze was tenslotte verpleegkundige), maar een pik is gewoon niet haar ding. Als ik haar nu maar gewoon een beetje knuffel, en vervolgens met de stoptrein omlaag ga, dan hebben wij het best gezellig.

Weldra was Thea terug. Weer bloot, maar met die koekjes. Detachering dus van rechtswege geëindigd. Maar… Ik zal toen dus een minuut of twintig met Janneke zijn geweest. Dat is genoeg voor een begroeting, voor belangstellende vragen (verzonnen voorbeeld: Heb je nog steeds last van je rechter knie? - Nee, alleen nog een beetje bij het fietsen. En jij, is het nog goedgekomen met die retourzending?), voor eerste knuffels, voor een begin van opgeilen. Laat ik met mijn mond bij een tepel zijn geweest, en met één hand aan de buitenkant van het flapje. Dan waren Janneke en ik met onze gedachten toch al wel bij een himalaya door neusbeffen. En ja, dat is nu eenmaal waarmee ik mij bij vrouwen geliefd mag maken. Dus Janneke liet mij de klus klaren. Uiteraard zat Thea zich inmiddels op te geilen voor eenzelfde beurt, en kreeg die, terwijl Janneke nagenietend en uitgeput in het gras lag. Nou ja, opgeilen… Thea is bang voor mannen, en gruwt van pikken en ballen. Ze weet echter ook, dat ze zal blijken genoten te hebben van mijn beurt. Nu had ze een tweede probleem: ze was vruchtbaar. Lichaam en geest botsten dus behoorlijk. Voorts is zij de minst fijngevoelige van deze vier. Gelukkig heb ik voldoende ervaring met haar om ook zo’n onverwacht vluggerdje met goed gevolg te kunnen afwerken. Dat oogstte mij dan weer een bijna heterosexuele knuffel van bewondering. Pas dáárna kwamen we toe aan (verse) koffie en thee, nu mèt lange vingers. Afra vergat zich helemaal, herinnerde zich haar steile jeugd, en doopte haar koekje ritueel in Karla, in de naam van…

Een himalaya neusbeffen begeren ook Afra en Karla altijd. Die kregen ze dus na mijn koffiepauze. Inmiddels besefte Wiesje, dat haar vraag naar lange vingers had geleid tot verveelvoudiging van de duur van mijn detachering. Enerzijds gunt ze buufs en overbuufs hun genot, anderzijds besefte ze ook, dat (in haar beeldspraak) de kantine langzaam volstroomde. Ze overlegde met Maaike, en pijpte mij aansluitend. Zulk “overleg” over wie wanneer aan de beurt is gaat met een zodanig minimum aan gebaren, dat Ruben (die immers ooit hoekman geweest is) ervan versteld was. (Ik weet niet meer, bij welke gelegenheid hij het gezien heeft.) Afra dus. Ongeveer mijn leeftijd, en dus voor mij de moeilijkste. Ik bedoel: haar lichaam heeft zich afgewend van sex, en haar geest heeft zich afgewend van mannen. En dan zijn er bijlagen bij haar gebruiksaanwijzing. Maar ik heb bij Afra een voordeel: onze humor. Als ik tijdens zo’n beurt nu maar hard-op peins over hoe Chopin dit gedaan zou hebben, of als ik haar vraag, welk nummer van hem ik nu in gedachten moet nemen, dan komt de klik wel, en dan wordt het een genoeglijk en onverwacht lang samenzijn. Deze dag ook. Karla tenslotte. De jongste van de vier, maar voor mij de gemakkelijkste door haar gevoel jegens mannen. Misschien was ze nog gelukkiger met Afra als die een man was. Karla en ik hebben ook een rechtstreekse wederzijdse klik. Dat weet ieder van ons zevenen. Dat betekent enerzijds, dat haar een beurt van déze man gegund wordt, maar anderzijds, dat de katjes en Afra scherp opletten. Zelf kan ik een deel van de zorg benoemen. Tussen Karla en mij kan het voorspel kort zijn (“Eindelijk, schat!” zou echter mis zijn.), en het naspel lang. Naspel na een himalaya van Karla betekent wèl, dat er een kwakkie te halen valt. Dat eisen de katjes op. Terecht. Nu herhaalde Karla het Salomonsoordeel dat ze een vorige keer tot aller instemming geveld had: ze wenkte loom de katjes naderbij, en liet mij op mijn buik spuiten (nah… druppelen). Wel, de katjes zijn een ervaren koppel ont-spuitgasten, dus dat ging gesmeerd. Karla rolde zich langzaam van mij los, en kreeg van de katjes als dank voor het woord houden inzake dat kwakkie een snelle liefkozing.

Oh, met ons zevenen is er altijd wel iets te lachen. Janneke zei later die dag eens “Geef mijn portie maar aan Fikkie”. Waarop Wiesje vroeg: “De portie die je afscheidt of die je oplikt?” Janneke antwoordde, dat ze geen sex met dieren wilde. Wiesje vroeg, of ze er geen brood in zag. Karla bewees haar taalgevoel en vernederlandsing met de voltreffer, dat dat “de hond in de pot” zou zijn. Intussen had Maaike al “Fikkie!” geroepen - en uitgerekend liep net een stamgast van het natuurvriendenhuis voorbij met haar vuilnisbakje Fikkie aan de lijn. Fikkie trok zijn bazin zowat door onze niet zo hechte heg. Zodoende zagen en herkenden we elkaar. Zij zag zeven blote mensen, en sprak begaan “Heet, hè?” - hoewel ze zelf een gebreid vest over haar zomer- of wandeljurk droeg. Maaike weerhield Fikkie van het zetten van geurvlaggen - door één keer “Niet hier!” te vermanen. Je zag hem in de overgebleven korte tijd herhaaldelijk aan die vermaning terugdenken. Die tijd betrof het fatsoeneren van het kapsel en de kleding van de vrouw. (Met de heg gaat het inmiddels weer goed, dank je. Die mag eerdaags weer naar buiten.)

Een vaste bron van vermaak is Afra’s smaak. Ze valt nu eenmaal op jeugdige vrouwen, meer in het bijzonder op priktietjes. Anderzijds ook op brede heupen, dus we hebben ongeveer dezelfde smaak. (Wiesje meldt, dat zij het verschil tussen Afra en mij goed kan proeven.) Afra loert als een reiger naar de katjes en naar wat wij konijnen uitvogelen. Karla biedt lichamelijk ongeveer hetzelfde als Wiesje (paar jaar jonger, grotere borsten, gewone mooie tepels), maar die is dan even lucht. Ze verdient veel beter, maar berust. Anderzijds heeft “iedereen” Afra op haar gedrag aangesproken (en velen, waaronder ikzelf, verwijten haar nog steeds, hoe ze Janneke voor Karla heeft ingeruild). Afra doet haar best. Een gemakkelijke winst was, te zorgen dat Karla baat heeft bij Afra’s opwinding. Gewoon, wat Wiesje (en nu ook Maaike) en ik al jaren praktizeren. Moeilijker valt het Afra, om Karla meteen bij die opwinding te betrekken. Dáár zit het vermaak voor anderen. Zoals op deze touwtjespringen-dag: Wiesje, Maaike en ik lagen in het ongemaaide gras (een grove samenvatting van de rijke schakering aan kruid-achtig spul; houtige planten en schimmel-achtigen nog terzijde gelaten), ontdekten een aanpak om in stootligging een competitie af te werken (zeg maar: de uitvinding van de Wankel-motor in de sex), en hadden dikke pret. Al was het maar om de dieren, op wier weg wij blijkbaar lagen. We vroegen ons af, of lieveheersbeestjes vloeken, of er sprinkhennen bestaan, of die hooiwagen niet beter zijn neus kon volgen naar wèl gemaaid gras (Maaike opperde, dat de waargenomen hooiwagens wellicht verkouden waren), en of het een teken van ruimdenkendheid was, dat we de mieren niet zagen neuken. We waren echt, en bovengemiddeld innig, met elkaar bezig. Intussen lagen Afra en Karla enkele grassprieten van ons af, naar ons turend als vogelaars (je zàg de verrekijkers die ze niet hadden), luisterend naar ons gefluister en gedempte kout (onbegonnen werk; gelukkig is Maaike al lang vertrouwd met hoe Wiesje en ik communiceren). Janneke en Thea keken eens om zich heen, ontwaarden ons vijven meters verderop, en kregen samen de slappe lach om die aanblik, vooral van Afra en Karla: turend op de korte afstand, en onderling zonder huidcontact. Dat gelach verbrak de betovering. (Nee Afra, betovering is geen HTS-er van generaties terug.) Afra en Karla richtten zich op, en smuilden mee. Karla bleek de helderste: “Afra, ga je me dit later uitliggen?” (“Uitliggen”, wie maakte ook weer die woordspeling in de jaren ‘60 - Jasperina de Jong in “Callgirl”?)

De volgende ochtend waren we (Malawi) bij onze schoonouders. (Wiesje en ik blijven lachen om het besef, dat onze vrienden Aart en Yvonne tegenwoordig ook die rol hebben, zelfs voor ons beiden. Maaike heeft een eigen binnenpretje bij het besef, dat zij daarin de verbindende schakel is. Voorts noemt ze tegenover mij graag Mart en Diana onze schoonouders, waarna Wiesje steevast goedmoedig moet schateren om die spiegeling van háár vondst.) We zijn toch al vaak “in zuid” voor onze boodschappen, en dan wippen we even aan. De laatste tijd vaak mèt Maaike, omdat die nog slechts voor enkele examens naar school moet. Touwtjespringen? Even later waren ook Bill en Mina binnen. Sophie nam voor hen de kroeg waar. (Had Mina geen school? Feestdagen, vacanties, weet ik veel.)

Na de koffie gingen we achter de schuur in het ongemaaide gras bloot touwtjespringen. Mina en Yvonne blij en bloot huppend te zien werkte uiteraard in op de hormonen van Aart en Bill. Dat werd dus weer touwtjespringen met “hamertje tik”. Nou ja, Aart had een mooie stijve en nauwelijks een buikje, Bill een gewone stijve en, nou ja, een kasteleinsbuikje. Uiteraard luide lol van Mina en Yvonne. Bill wees Mina erop, dat ook bij haar enkele kilo’s spek hupten. Wij (Malawi) trachtten ons te beperken tot toekijken. Maaike stelde slim voor, dat Mina maar moest wegrennen, en dat Bill haar moest zien te vangen - bij wijze van dagelijkse lichaamsbeweging. Bill en Mina wisselden een blik die ons meteen deed beseffen: dat wordt streaking in Veldzicht, met neuken toe.

Luide lol en bloot huppende mannen? Even later hadden we ook de boys bloot bij ons. Herman had nog nooit touwtjegesprongen, maar hij was meteen een lust voor het manminnende oog. Geert had het niet meer gedaan “sinds hij een lange broek kreeg”, en zijn leeftijd speelt nu eenmaal steeds sterker mee, ook in zijn postuur. Uiteindelijk moesten ook wij drieën tonen wat we in huis hadden. (Nee, Maaike, niet onze boodschappen in je ouderlijke keuken.) Nou ja… de aanblik van Wiesje en Maaike was uiteraard een lust voor het oog van Bill, mijzelf, en (voorzover hij het durfde toe te laten) Aart. Tja, die probeert zijn kuisheid en vaderschap als beperkingen aan zijn hormonen op te leggen. De aanblik van mijzelf als touwtjespringer was weer die van comedy relief. Mina kaatste, dat Wiesje en Maaike dan maar moesten wegrennen (elk een halve afstand), en dat ik hen dan moest zien te vangen. De meesten (en zeker ikzelf) moesten hartelijk lachen, maar Maaike zei ernstig: “Ik loop niet van hem weg.” Wiesje stopte abrupt met lachen, en zei even ernstig: “Ik ook niet.” Wauw! Wat kon ik anders doen, dan hen in mijn armen sluiten? Ik concludeerde wèl droogjes: “Nou, dan hoef ik niet te rennen.” Driehoeksknuffel, dan stootligging. Ja, dat bood dan weer uitzicht op twee paar mooie vrouwenbillen. Nieuwe hormonen voor Aart en Bill.

We waren gekomen voor een bakkie. We hadden zelf iets meegenomen voor erbij: een swiss roll.

Wat wilde ik nog meer vertellen? Inmiddels heb ik het volgende verhaal af…

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).