Laatste wijziging: 2021-11-29 (technisch), 2021-11-29 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar de zij-ingang [geloof, sex] of het daaraan voorafgaande verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Pronken"

[geloof, sex]

 

Was de zij-ingang je kennismaking met Us Net, dan val je hier dus in aflevering zóveel. Welkom! Ik hoop, dat je het leuk vindt.

 

Pronken - Plassen - Biecht - Elsje - Kroeg - Doekje

Pronken

De sjes hebben hun schoonheidsideaal geformaliseerd tot “gebiedende tieten en een druppelende kut”. Dat druppelen betreft dan uiteraard de mate van vaginale afscheiding: die moet beschrijving met een frequentativum (“druppelen” in plaats van “druppen” of “lekken”) rechtvaardigen. Ze trachten elkaar in die toestand te houden door elkaar tot hulpsinterklaas te zijn, kortweg door elkaar te “hulpen”. Uiteraard ben ik degene die ze in die toestand moet brengen, en dat heet dan “sinten”. Totdusver is dat frequentativum niet bereikt, en volgens mij leent afscheiding zich natuurkundig niet voor druppen.

Stel je dat dagelijkse schouwspel in de westvleugel voor: Wiesje en Elsje die alle onsterfelijken in mensengedaante en alle aanwezige mensen (levend of ondood) onder de indruk willen brengen van hun blote lichamen. En intussen zit Maaike heerlijk bij “sint” op schoot te glanzen. De schoonouders bieden wel weerwerk. Diana is inmiddels zozeer door ondode Mart “gesint”, dat ze volwaardig mee kan doen, maar (nog?) niet kan winnen. Yvonne is door Aart “teruggesint” tot ogend als begin dertig. Kortom, het samen eten in de noordoost-toren is een hormonaal vermoeiend gebeuren.

Sommige onsterfelijken bieden vermaakt de sjes weerwerk. Aphrodite bijvoorbeeld laat zich door wisselende mannengedaanten “sinten” tot geduchte tegenpartij - maar de sjes “hulpen” haar soms ook. Hera is eerder een wederpartij voor Maaike en Yvonne, maar zij weet Wiesje (en dan ook maar Elsje) op de kast te krijgen door onzwanger melk te kunnen geven. Vindt ze dat Wiesje zich moet inhouden, dan kan ze die met een mortierboogje op misschien wel twee meter afstand een mok-vol per borst toespuiten. De müsli voelen zich heel klein bij al dit geweld. Het windt hen wel op, dus Loki’s straf is hen zeer welkom. De girls worden verscheurd door twijfel. Zelfs Karla, toch ooit een evenbeeld van Wiesje, en nog steeds een aantrekkelijke vrouw, kan slechts toekijken. Kortom, ze voelen zich er klein bij, en Thea heeft toch al een lage dunk van zichzelf, maar de aanblik van vooral de sjes en de aanwezigheid van onbeperkt veel lekkere wijn is niet te versmaden.

Plassen

We (Malawiel) vormen steeds wisselende tweetallen. Dat is het organisatorisch mooie aan de komst van Elsje. Ik ben per etmaal eenderde van mijn tijd met elk van Wiesje, Maaike en Elsje, maar bepaald niet in een blok per persoon per etmaal. Of zij onderling ook die verdeling aanhouden, weet ik niet. Tijd die we niet duidelijk met een ander zijn, zoals de maaltijden, gaat van de te verdelen tijd af. Wiesje is nog steeds onze “time keeper”, maar Maaike en Elsje weten de stand eveneens. Ik niet.

We zijn vooral ‘s avonds vaak in de westvleugel, zie hiervóór. Dan heb ik dus meestal iemand op schoot. Naar mijn gevoel eerst vooral Maaike, later vooral Elsje. Ik kan dus niet zomaar iets te drinken halen. Elsje is daarin duidelijk: dat ik dan niet zo veel bier zuip. Elsje drinkt verwaarloosbaar weinig alcohol, Maaike drinkt doorgaans niet, maar kan soms met wijn uit de band schieten, Wiesje is een nipper - en drinkt ook daarom meestal geen bier. De gewoonte van schootzitten en samen uit één glas of mok drinken hebben we (Malawiel) in de tweetallen in de westvleugel hersteld. Zodoende drink ik dus vooral nane en vruchtensap. Maar ja, soms moet er toch wat vocht afgegoten worden.

Dan gaan mijn schootzitster en ik naar onze eigen badkamer. Sinds de verbouwing kan ik daar op handen en knieën staan plassen: dat vinden zij (Mawiel) toch wel opwindend. Desgewenst verandert zij de stand van mijn voorhuid, en kijkt aandachtig toe bij mijn plassen. Vervolgens “melkt” zij de laatste druppels uit, slaat ze af, en “wast” mijn pik in een plastic bierglas met water: dan toch handiger dan de knijp-zuigfles. Vervolgens gaat zij daar door de knieën. Wijdbeens, want ik moet het goed kunnen zien. Inmiddels is het gewoonte, dat ik dan haar flapje openvouw, zelfs als dat niet nodig is. Maar Maaike heeft nu eenmaal een grote flap. Zonodig verwijder ik ook een tampon. Dan is het mijn beurt om toe te kijken. Daarna gebruik ik bij haar wèl die fles, en spuit ook uitgebreid rond in haar baarmoeder. Tenzij we dringend naar de westvleugel terug moeten, maken we een nummertje op bed. Zonodig verse tampon inbrengen, terug.

Biecht

Van onze beroemde ochtend- en avondrituelen rest nog slechts de biecht, dag-opening en -sluiting met ons vieren. De sex is ervan losgekoppeld. Uiteraard krijgt elk van mij minstens ‘s ochtends en ‘s avonds een kwakkie met himalaya vooraf. Die hinalaya’s geven ze elkaar ook. Himalaya’s duren trouwens tegenwoordig nog maar kort: de ontvangster is al zo geil, en de gever weet de weg. Bovendien werken mijn sur places ook vaak als himalaya’s. Maar Wiesje verkiest nog steeds pijpen boven sur place, en krijgt dus slechts één sur place per dag.

Elsje

Elsjes vijfde verjaardag nadert. In een avondbiecht opperde ik, dat ze dan wel al een jaar geslachtsrijp is, en een VWO-diploma heeft in vermoedelijk alle mogelijke vakken en met uitsluitend tienen, maar dat ze slechts de levenservaring heeft die ze zelf in Waterland en in Us Net opgedaan heeft. Vandaar haar kinderlijk grote assertiviteit en jegens anderen vaak nodeloos kwetsende humor. Dat waren Wiesje en Maaike met me eens, de schoonouders ‘s anderendaags ook, en Elsje kon beredeneren wat we bedoelden. “Wat gij niet wilt dat u geschiedt…” en zo. Kortom, de avondbiecht kreeg een vast agendapunt “levenservaring”, tot stichting van ons allevier. Wiesje, nog steeds Elsjes voogd, nam de “heet van de naald” gevallen op zich.

Kroeg

De beperkingen van overheidswege (waaraan wij niet te zwaar tilden) en vooral de geneugten van Fort Rimboe maakten, dat wij (vooral Malawiel, maar niet uitsluitend) bijna niet meer in de kroeg kwamen. We geven nu gevolg aan een oproep van Yvonne en Mina, en gaan ‘s zaterdag-avonds met de hele meute naar de kroeg. Nou, dan is dat meteen voor mij een herhalingsoefening van aan- en uitkleed-rituelen. En desgewenst gaan we er muziek maken, nu meer als jam sessies. De schoonouders gaan er zelfs vaker op bezoek. Yvonne en Mina zien elkaar nu eenmaal graag, en behalve Aart gaan ook Diana en Mart “dan maar” mee. Ja, bij nader inzien vertoont ook ondode Mart zich weer in Us Net. Wie zich over zijn aanwezigheid verbaast, die krijgt een besmuikte uitleg dat in Fort Rimboe àlles kan.

Doekje

Eensdaags waren wij achten in de noordoost-toren net klaar met warm eten. Bloot. Vanuit de doorgang naar onze huiskamer in de noordvleugel verschenen twee geklede manspersonen die zwijgend groetten, een vrouwspersoon van achter hen naar voren noodden, en terugliepen met de “druk, druk, druk” houding van nog-aanbedenen. De vrouw oogde als een leeftijdsgenote van Maaike (zoals ook Wiesje en Elsje), maar ouderwets: heur haar in twee vlechten in een knotje, de ietwat slappe huid die mij op oude foto’s steeds opvalt, en zo’n lange jurk met taille net onder de borsten. Ze keek naar Wiesje, Diana en Elsje, en vroeg toen helder aan Wiesje: “Dag Wiesje! Herken je mij?” Wij allen staarden haar verbluft en onderzoekend aan. Toen ging Wiesje een licht op: “mevrouw Hoofddoek”!

Aart rolde ijlings een bureaustoel vanuit onze huiskamer bij, en Diana haastte zich om negen porties roomijs te verdelen. Mevrouw Hoofddoek straalde, ging dankbaar zitten, en nam goedkeurend haar portie ijs. “Ja, meid: ik was benieuwd naar je. Goedenavond allen, trouwens! Destijds heette ik Dienie.” We hingen aan haar lippen (neehee!), maar drongen niet aan. Ze begon kalm haar woorden te kiezen.

“Ja, ik kom uit het hiernamaals. Je wilt weten, hoe dat is. Wel, je weet waar ik woonde. Ik had een prachtig uitzicht over het kanaal. Maar op sommige ochtenden in de herfst kon ik geen hand voor ogen zien door de mist. En dan was het nog doodstil ook. Zó ongeveer voelt dat hiernamaals. Niet prettig, niet onprettig, niet warm, niet koud, niet licht, niet donker. Het voelt vredig, rustig als na gedane arbeid. Ik heb aan vanalles gedacht. Gaandeweg moest ik steeds meer aan jou denken, Wiesje, en ik kreeg lust om je weer te zien. Geleidelijk werd op zekere plek de mist dunner. Ik liep die kant op. Ik kreeg deze gedaante en kleren om mij heen. Opeens stond ik hier, eh… diagonaal over de binnenplaats in één ruimte met God, Jezus en Mohammed. Ik zag mijn leven als een afgelegde weg op een landkaart. Ik weet niet, of iemand iets gezegd heeft, maar ik begreep wat mijn leven betekend had, en ik begreep waar ik was, en wanneer. Ze hebben mij hierheen geleid, langs allerlei andere gedaanten.
Ik ben een eeuw geleden geboren in dat huis hiernaast, waar jullie ook gewoond hebben. Julianaveen was nog betrekkelijk nieuw, maar het was al een mislukking. Dat bleek al bij het graven van het kanaal, toen nog de Julianaveensche Vaart geheten. De turf hier was te slecht om in het Westen voldoende op te brengen. Al vóór de crisis gingen hier de lonen omlaag van de mensen die nog wèl werk hadden. Mijn vader heeft zich letterlijk doodgewerkt, en mijn moeder … Ik heb niet eens de lagere school afgemaakt: ik moest zo gauw mogelijk een man vinden. Het was geen leven - en dan ga je je afvragen, waarom je dan leeft. Zo ben ik nog geloviger geworden dan mijn ouders. Op hogere leeftijd vertelden voorbijgangers me van de islam. Dat sprak mij aan, en ik heb mij bekeerd. De Koran heb ik nooit gelezen, en zelfs de Bijbel was al te moeilijk voor me. Ik was op school te moe om goed te leren lezen en schrijven. Nou ja, ik heb mijn best gedaan, en het is goed zo. Dat is me daarnet duidelijk geworden. - En hoe is het met jullie? Ik ken je niet eens allemaal.”

Wiesje nam het woord. “Dienie, wat ontzettend leuk om je weer te zien! Hier vlak voor je zitten mijn ouders, Diana en Mart. Zij wonen ook hier. Mart is trouwens ook gestorven, en teruggekomen. Tegenover mij zit mijn zusje, Elsje. Zij is nu bijna vijf jaar oud, maar evengoed volwassen. Naast Elsje zie je Larie, en tegenover hem Maaike. Wij vieren zijn samen gelukkig. Naast Maaike zie je haar moeder Yvonne, daartegenover haar vader Aart. Ook zij wonen hier. Vroeger woonde dat gezin aan de andere kant van het dorp, tegenover de winkel van Ab en (heb jij die nog gekend?) Sophie. Maaike heeft dit gebouw, Fort Rimboe, bedacht, inclusief die westvleugel voor onsterfelijken. Daar wonen dus vooral de vroegere Griekse en Noorse goden. Zij hebben niets meer omhanden, en ze vinden het leuk om in mensengedaante onder ons te zijn. We hebben slechts een klein plekje voor (zoals wij dat noemen) de nog-aanbedenen, want die hebben bijna geen tijd om zich te ontspannen. Maar ze zijn niet minder welkom.” Dienie beaamde: “Ik voelde vanaf mijn binnenkomst de blijdschap die zij allen hebben om zich hier te verpozen.”

Elsje wilde ook iets zeggen: “Dit huis is zo groot, omdat we er een groot zwembad onder hebben. Wil je het zien?” Dienie glimlachte: “Je mag het me laten zien, maar ik kan niet zwemmen.” Elsje en Wiesje gingen haar voor. Maaike en ik haastten ons om althans nog iets van onze corvee te doen, maar Mart en Diana hadden ons inmiddels bijna alle werk uit handen genomen. Knuffels! - Verder waren wij zessen sprakeloos van dit bezoek. We bleven aan de keukentafel naar woorden zoeken. Uiteindelijk vroeg Diana aan Mart wat wij gek genoeg nog nooit gevraagd hadden: “Die mist, voelde jij dat ook zo?” Mart was bedachtzaam: “Ik ben maar heel even in de onderwereld geweest: bij mij was het immers een medische truc. Maar ik denk, dat ik het anders ook zo gevoeld en omschreven zou hebben.” We zwegen weer.

De rondleiding was via de noordwest-toren naar de kas gegaan, en van daar hier in de noordoost-toren weer naar beneden. Nu was Dienie zowat sprakeloos: “Wat veel en heerlijk eten! Wat een rijkdom!” Ze wendde zich tactvol naar Elsje: “En wat lijkt me dat een heerlijk zwembad!” Haar aandacht voor mij was voorspelbaar: “Wat een werk: drie vrouwen…” Mij leek oprechtheid gepast: “Ik ben dankbaar, dat het mij gegeven is om aan het geluk van hen drieën bij te dragen.” Elsje deed zich gelden: “Nou je er zelf over begint…”

We babbelden nog even door. Ook bij Doekje in VCR hadden de gesprekken doorgaans aan de keukentafel plaatsgevonden. Ze wilde nog weten, wie nu in haar geboortehuis woonde (de overbuufs dus), en in VCR (Sheila’s tweede huis). Maar haar zelfgekozen afzondering destijds deed nu weinig lichtjes bij haar branden. Weldra nam ze afscheid met een knuffel voor Wiesje en een warme zwaai naar de overige zeven, en liep door onze huiskamer heen terug, alsof ze toe was aan een volgend punt op een lijstje. Wij (Malawiel) gingen naar onze bedkamer.

Elsje meldde: “Ze heeft op onze plek zitten plassen. Ze had niets aan onder die jurk, tilde hem op, en ging op haar hurken.” Nee, dat wond mij niet op: ik ben verwend. We gingen zelf ook maar, en dat gaf mij de kracht om Elsje aan een drupje krachtvoer te helpen.

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).