Laatste wijziging: 2020-12-03 (technisch), 2020-09-13 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Zand erover"

[geloof, sex]

 

Elsje - Zonneweide - Zandweg - Stoom - Naschrift

Elsje

Elsje lijkt zich bij ons nu te ontwikkelen op twaalfvoudige snelheid: in een maand in plaats van normaliter een jaar. Als ze zo doorgaat, dan wordt ze rond haar vierde verjaardag een grote meid, en is ze bij ontvangst van haar diploma VWO een evenbeeld van Wiesje. Hoe dat inzake celdeling en botvorming mag zitten…

Ze heeft nu “tuinbonen” op dunne kussentjes, heupen die al haartjes breder worden, en steeds vaker een flapje zichtbaar tussen haar lipjes. Dat flapje toont ook steeds meer drupjes afscheiding. Ik moet steeds, meermalen daags, de toestand opnemen, met veel likken, zuigen, vingeren en neuzen. Wiesje en Maaike zijn haar voorbeelden en vraagbaken, en ik ben degene die hen bevredigd houdt. Nou, dan wil zij mij óók. Gezellig, toch! Oh, en als ze eenmaal een grote meid is, dan wil zij vast (in de zin van: gegarandeerd) twee sur places per dag, net als Maaike. (Wiesje één en een vaste pijpbeurt.) Nou ja… de man in de stofjas is allang een bibberend wrak in een rolstoel in zo’n tehuis van het Leger des Heils.

Nu het “grote meid worden” een zaak van enkele maanden lijkt, heeft alles daaromtrent Elsjes grote aandacht. Ze heeft al eens een tampon gepast, en uiteraard moest ik die bij haar inbrengen en uithalen, met net zulke liefkozingen als bij de katjes.

Met Elsjes aanblik en vragen herbeleeft Wiesje haar eigen puberteit. Voor mij is dit licht op voor mij nog duistere stukken in haar achtergrond. Ook Maaike herbeleeft dier eigen puberteit. Die is Wiesje en mij grotendeels bekend, maar nu komt ook die van Sheila ter sprake, gezien door de ogen van zes jaar jongere Maaike.

Onze belangstelling voor andermans plassen heeft geleid tot een nieuwe figuur. Ondode Mart heeft daarvoor een aanduiding ontleend aan de flower power: "sit-in". In dit geval is het niet “kom erbij zitten”, maar een poging van drie hurkende vrouwen om hormonen in mij op te wekken. Een aanblik en “aangeur” op tast-afstand, en wellicht heeft iemand een hand vrij om mijn afgebeulde lichaamsdelen te betasten, en vooral om dan mijn voorhuid achterwaarts te duwen. Het heeft iets van een nachtmerrie (moeten maar niet kunnen), maar het is onschuldig en positief. Nou ja, eigenlijk is het het “we want more!” na een uitputtend optreden in de podiumkunsten. (Klinkt er ooit “we want more” van de voetbaltribunes?)

Hmm… er zit iets vreemds in. Ze willen mijn mannelijkheid opwekken, maar ik dank mijn geliefdheid aan mijn vaardigheid met handen, mond en neus. Volgens mij heb ik het eerder gemeld, maar ik herhaal dan in gepaste dankbaarheid: ik hoef niemand te verleiden of met een bloemetje of bontjas te bedanken voor sex. Noch hoeven zij (Mawiel) mij te verleiden of te bedanken. Maar Elsje is (zoals gezegd) gegrepen door de uitwerking van aanblikken.

Ik frommel hier iets bij in mijn tekst: Inmiddels is Malawiel goed op elkaar ingespeeld. Ik beschreef de tweetallen al eens. Als iemand met een ander wil praten of knuffelen, dan gaat men letterlijk of slechts figuurlijk op diegene af. Weigert die, dan blijven de tweetallen onveranderd. Stelt die zich open, dan glippen beide anderen naar elkaar. Het is voor buitenstaanders zowat goochelen. Elsje trekt overdag naar mij, Wiesje trekt ‘s nachts naar mij, dus in de schemeringen ziet Maaike haar kans.

Zonneweide

Als je goed meedenkt, dan voelde je al wat wij misten: een plek om gevieren buiten in de zon te liggen. Het schijnen van de zon hebben wij niet in de hand, liggen is geweldig in onze slaapkamer, maar de binnenplaats (rand van binnenperk, gaasbanken) schiet tekort. En bij de noordoost-toren helt de heuvel van de zon àf. Eigenlijk had de westvleugel een dergelijke wens. Maaike (immers de architect van Fort Rimboe) had uiteraard de oplossing. Door subtiel schuiven met de begroeiing zijn dak en buitenzijde van de zuidvleugel geschikt gemaakt als zonneweides, zuidwest voor de westvleugel, zuidoost voor de oostvleugel. Je bent zo goed als onwaarneembaar voor buitenstaanders, en je hebt een aardig weitje met wisselende mate van schaduw. Maaike wist ook, beide helften te voorzien van een waterkraantje. Op zich is er dat smalle waterloopje dat subtiel de hele buitenzijde van de heuvel nat genoeg houdt. Maaike acht het geen verstoring van het ecosysteem, als daarin tussen de graswortels door eens wat pis belandt. We hebben er dus ook een fles, in een houder in de grond. Vervolgens hebben we in overleg toch ook de buitenkant en het dak van de noordvleugel zo aangepast, en halverwege (tegenover de poort) een hegje geplaatst om de westvleugel beslotenheid te bieden.

Bovendien heeft Maaike bij beide noordelijke torens een (nu al!) stevige boomtak voorzien van twee bakjes aan touwlussen. Zodoende kunnen desgewenst een bakje drinkwater en een bakje voer (suiker, zaden, maden) opgehesen worden voor dieren die liever niet landen. En dan zodanig, dat die gasten niet in de bakjes zullen schijten.

Aan de zuidkant spreken wij dus van “zonneweide(s)”, aan de noordkant (met de voorspelbare flauwe humor die Us Net bij naamgeving steeds bekruipt) van “maanweide(s)”.

Zandweg

Nee, de corona-pandemie zou nog een tweede golf kunnen krijgen. Het draagvlak voor maatregelen (zoals mondkapjes dragen en anderhalve meter afstand houden) brokkelt echter af. Sans Perail had gerekend op een vrij druk jaar, maar had totdusver alle ritten en zelfs veel onderhoud verhinderd zien worden. Anderzijds wilde men wèl klaar zijn om te rijden, zodra dat zou mogen. Dus werd het onderhoud toch maar hervat. Inmiddels zijn bijna alle actievelingen post-actief (...), dus het werk kon vanuit de weekeinden naar de gehele week uitgebreid worden, met slapen in dat slaaprijtuig, en warm eten in de speeltuin.

Op zekere dag zou zekere stoomlocomotief een proefrit maken, ter beproeving van zichzelf en van de baan. Dat werd een besmuikt weerziensfeestje. Het was zo’n dag waarop alle water uit de heide verdampt. Dennis en Jean-Luc zagen een kans om te netwerken, en liepen in de betrekkelijke ochtendkoelte met Aart, Yvonne en Malawiel naar het station. Jean-Luc en ik liepen weldra te praten over boutjes en moertjes. Niet helemaal letterlijk, wel figuurlijk. Enerzijds om Wiesje een beetje te plagen, anderzijds omdat hij werkelijk zo’n praktisch inzicht heeft als ik nu eenmaal bewonder. Bovendien hoopte ik, dat hij zijn vooroordeel jegens Fort Rimboe vandaag zou herzien. Elsje was opgewonden: ze zou voor het eerst een stoomlocomotief onder stoom zien, en ze kent Wiesjes angst voor locofilie. Die filmpjes van miniatuur stoommachines kent ze ook.

Afijn, het was een mooie ochtend van een dag die in deze omgeving met daverend onweer zou kunnen eindigen, en het was een zaterdag. Inderdaad een ietwat bloederig dagje voor ons, maar bovendien zo’n dag waarop alles met een racefiets al vroeg aan minstens honderd kilometer rijden wil beginnen om vóór de mogelijke bui binnen te zijn.

Wij achten liepen dus bijvoorbaat over de berm van de Digitale Zandweg aan de hei-zijde. En ja hoor, het was weer raak. Twee wielerploegen zagen kans om elkaar op de schelpjes heelhuids voorbij te gaan, maar beide hadden iemand die achteropgeraakt was, en nu beheerst werd door de gedachte aan hervinden van de aansluiting. Deze twee knalden zowat naast ons frontaal op elkaar, met misschien 40 km/h elk. Niet met de gehelmde koppen, wel met de bakboord-helften van de sturen, zodat ze de laatste milliseconden koersten naar de bakboord-vleugelmoer van andermans achteras. Ze draaiden samen ietwat rond als een dronken robot-stofzuiger, raakten een paaltje (tussen schelpjes en zandweg), en kaatsten tegen een boom op de rand van de hoge rimboe.

Aart was in enkele sprongen op de open hei, en belde het alarmnummer. Daarna sprong hij terug naar de gevallenen, maakte snel een overzichtsfoto (video), en deed samen met Yvonne pogingen om mensen en fietsdelen van elkaar te scheiden. Dennis en Jean-Luc deden iets heel verstandigs: ze liepen elk in tegengestelde richting enkele tientallen meters van de puinhoop af, langs de schelpjes, om ander verkeer te waarschuwen. Maaike betoonde zich ook een waardig kind van Aart en Yvonne, en wenkte Lawiel (raad es…) onder de bomen vandaan naar waar Aart had staan bellen. De meiden waren in topjes en rokjes, ik in spijkerbroek en wit T-shirt. (En rugzak met chocola en pleisters, maar die hebben geen rol gespeeld.) Maaike gebaarde me om dat shirt gereed te houden als vlag.

Zodoende hadden we snel een politiehelicopter bij ons aan de grond. Nog geen ambulance-helicopter, want die werd al ingezet. Met een nood-oproep werd een heli van Defensie ingeroepen. En een ambulance-auto zonder zwaailicht. Inmiddels hadden de jongens elk al een fietser of tien tegengehouden. Dat werden nu nieuwsgierige omstanders, die zich verdrongen voor de gruwelijkste videobeelden. Wiesje en Maaike probeerder tevergeefs, de mensen uit die kluwen op anderhalve meter van elkaar te krijgen.

Inmiddels hadden beide wielerploegen hun gemis bespeurd, hadden geen reactie gekregen op hun mobiele contactpogingen, en waren omgekeerd. Snel, uit ongerustheid en om de vertraging te beperken. Ze kwamen zeer snel van beide kanten, hadden geen boodschap aan een oploopje, en reden op de kluwen in. Gelukkig zagen Elsje en ik de tweede helicopter naderen, en ik zwaaide me uit de naad met mijn T-shirt. Het bleek zo’n grote heli, met twee rotoren. Ik wachtte op de uitstapper met minder haast en meer strepen, en riep dat de puinhoop groter was geworden. Hij riep (naar later bleek) meer politie op. We hadden nu dus dertig tot veertig gewonde fietsers, gewonde agenten, ergens Aart en Yvonne, en dus een dode. De katjes liepen buiten de kluwen, hielden vooral de schelpjes in het oog, en brachten zich tijdig in veiligheid. Ik had ook zelf een inval, belde met het station en met de speeltuin. Zowel om onze vertraging of afwezigheid te verklaren als om eventuele bijstand te kunnen verlenen.

Inmiddels werden de wielerploegen vechtlustig, en de aanblik van het lijk en van de zwaargewonde waren olie op het vuur. De politie droeg het reddingswerk over aan de militairen, arresteerde alle teruggekeerde leden van beide wielerploegen, sloeg ze in de tie-ribs, en liet ze op de hei zitten. De omstanders werden vermaand om door te lopen, strompelden naar hun inderhaast geparkeerde fietsen, en trokken wezenloos af. Wiesje belde Mina. We hadden nu enkele niet al te zwaar gewonde agenten, een dode en een zwaargewonde fietser, en Aart en Yvonne. Die waren bebloed, maar bij nader inzien zelf slechts licht gewond, en eigenlijk vooral boos op al die eigengereide jakkeraars.

Konden wij nog iets doen voor de hulpverleners? Nou, flesjes water, en liefst even op adem komen. Ik belde het station. Even later kwam de bus van Sans Perail met flessen water, bekertjes, en het aanbod om in het stationsgebouw douche en wasmachine te gebruiken. Van de kant van het viaduct naderde die ambulance. Maar ondertussen lag die zwaargewonde nog steeds te bloeden. Een minimale bezetting militairen vloog met hem weg. De vechtlustige wielrenners kregen een dagvaarding tussen hun kleding geschoven, werden per ploeg van hun tie-ribs ontdaan, mochten even hun blaas legen, en moesten onverwijld met de resten van hun fiets wegwezen. Aart en Yvonne wilden naar huis: douchen en bijkomen. De jongens wilden nog steeds netwerken. Elsje wilde toch wel eens stoom zien. Weldra was de plek des onheils verlaten. De extra agenten hebben wij niet bespeurd.

Ik gaf de jongens (wegens corona slechts) een schouderklop van verdienste, maar Wiesje en Maaike uiteraard wèl elk een knuffel van verdienste voor hun inzet. Elsje keek bedrukt naar mij op, en vroeg wat zij had kunnen bijdragen. Ik tilde haar op (schrijlings voor mijn borst op mijn buik), zei “Jij hebt op mij gepast”, en gaf ook haar een knuffel van verdienste. Zo gelukkig had ik haar nog nooit gezien! Daarna kreeg ze dergelijke knuffels ook van Wiesje en Maaike.

Stoom

Stoom dus. We hadden vroeg willen komen, maar waren nu te laat. Bij het station werden we opgevangen, zeg maar tegengehouden, door een ons nog onbekend bestuurslid van Sans Perail. Toegang uitsluitend voor donateurs. Deze oudere man probeerde het tweetal jonge mannen en het drie-generaties viertal in zijn denkwerk te passen: twee stellen, met één nazaat en één voorzaat. We moesten hem uit de droom helpen. Eerst de jongens maar: Dennis van Aart en diens man Jean-Luc. Misschien stond Dennis nog bij Aart en Yvonne ingeschreven. Helaas! Dennis wisselde een blik met Jean-Luc, en verklaarde, dat beiden wel donateurs wilden worden, en dat ze nu voor Pierlala klusten, in afwachting van het zich vestigen. Goed, een gezinsdonateurschap? Homo’s waren niet zijn wereldje, maar hij deed zijn best. Een nieuw gezinsdonateurschap, met incasso-machtiging. Mooi zo! Wie volgt? Wiesje en ik stonden nog te boek met adres konijnenflat. Goed, op het laptopje aangepast naar het huisnummer van Fort Rimboe. Maaike stond nog ingeschreven bij Aart en Yvonne. Omgezet naar Larie en Wiesje, wel met een argwanende blik. En dat kleintje? Zus en pupil van Wiesje, zelfde adres, graag bijschrijven. Wiesje waagde zich aan voor haar boutjes en moertjes: waren haar ouders niet ook donateurs? Eens zien… Mart en Diana uit Waterland? Juist! Mart was overleden, en Diana woonde nu op hetzelfde adres als wij. De man begreep het, dacht hij… Goed. De trein was weg naar het westen, maar kon nu ieder ogenblik langskomen (“doorkomen”, zei hij) naar het oosten. Dan konden wij opstappen. Goede reis! Niks te vroeg: de bel en knipperlichten die Sans Perail onlangs bij de overweg aangebracht had gingen al af.

De trein bestond uit bedoelde middelgrote stoomloc en drie lokaaltreinrijtuigjes plus materiaalwagen. Voor de zekerheid werd bij dit stationnement de watervoorraad opgetopt. Op vertoon van onze kaartjes (garderobe-nummertjes met stempel) waren we welkom. Wegens corona konden we niet bijeen zitten. Malawiel in de achterste wagen, de jongens liepen over het kippenbruggetje (voorloper van de harmonica) naar voren. Elsje wilde eigenlijk die locomotief beter bekijken. Ik zei, dat we straks vast alle kans zouden hebben, te beginnen bij de terugweg: dan zou de loc bij ons aankoppelen. Elsje leefde op. Ze zou ook wel iets willen eten. Ai! Gemis in onze voorbereiding, maar we hadden chocola en water (naast pleisters en dè fles). Maaike opperde, dat we wellicht na afloop naar de speeltuin zouden kunnen gaan voor een pannenkoek. Oh… Elsje was weer eens assertief: konden die niet in de trein langskomen? Op dat ogenblik gebeurden twee dingen. De stoomfluit weerklonk voor vertrek, en vanaf het achterbalkon verscheen iemand van de speeltuin, met voor haar buik een dienblad wraps. Ja, dat was inbegrepen bij het feestje. Elsje had even geen aandacht voor haar eerste treinrit überhaupt, maar maakte aanstalten in de geest van “en geef die andere mensen óók wat”. Wiesje vermaande ons om nu elk één wrap te nemen, en verklaarde aan de speeltuin-medewerkster, dat vegetarische wraps wel òp zouden komen. Elsje propte haar wrap naar binnen, en probeerde bezorgd, te zien hoeveel mede-reizigers we hadden. Hun aantal bleek gering: de meeste medewerkers waren na de voorbereidingen gaan douchen. Mocht de trein op dit afgezaagde ritje pech krijgen, dan waren zij tenminste fris om in te grijpen.

Ons rijtuigje had houten banken, twee zitplaatsen breed aan de ene kant van een gangpaadje, drie aan de andere. Voorts hoge raampjes die bijna helemaal omlaag konden. En dat waren ze. Uiteraard zaten wij aan een brede kant, de zonzijde. Elsje wilde op schoot “om beter door het raam te kunnen kijken”. En reken maar, dat ik haar moest vasthouden! Inderdaad, familie van Wiesje. Wiesje en Maaike zaten tegenover elkaar in de schaduw, en probeerden tegelijkertijd hun voeten op de dijen van de ander te hebben. Het blad met wraps kwam nog aardig gevuld terug, en werd met een knipoog bij ons achtergelaten. Wiesje en Maaike namen een tweede wrap, Elsje gaf “beurtelings” mij en haarzelf een hap.

Oh ja. We puften over de heide, in klaarblijkelijke tweestrijd tussen snelheid maken (voor de test en om spoedig te kunnen douchen) en beperken van het kolen scheppen. Wiesje wees Maaike plekjes met herinneringen. Het fietspad. De zandweg een eind ten oosten van het fietspad. Verder een lang stuk door loofbos. Dan (toch al vrij spoedig) de aansluiting op het nog gebruikte spoor. Tegenwoordig heeft deze museumlijn aan beide uiteinden een zelf-aangelegd omloopspoor, en zowel daar als bij het station een keerdriehoekje. De loc had ons getrokken met de voorkant naar het oosten. Nu liep de loc zonder keren om, en koppelde met de voorkant aan onze wagon.

Elsje zat vol, het dienblad was bijna leeg (en zowaar waren de meeste wraps vegetarisch. Hoera!). Ze kreeg nu aandacht voor de buitenwereld. In de eerste plaats voor aanwijzingen dat er iets lekkerders te drinken was dan water, in de tweede plaats voor waar we waren (in zo’n berkenbos dat ontstaat als je een rangeerterrein lang niet gebruikt), in de derde plaats voor de stoomlocomotief die met een heel beschaafd schokje tegen ons wagonnetje aan reed om aan te koppelen. We liepen het balkonnetje op, keken de rangeerder (tevens stoker) op zijn handen bij het koppelen, en wierpen een blik op de rookkastdeur van de loc. Nee, we moesten aan boord blijven. De stoker liep om de trein (drie rijtuigjes en de materiaalwagen) heen, deed aan het verste einde de “kleine remproef”, en riep al lopende om, dat we zonder stoppen zouden doorrijden naar het andere uiteinde, en van daar terug naar het station. Leuk!

We gingen dus weer. Voorbij het fietspad gingen de katjes aan de schaduwzijde bij het raam zitten, kijkend of ze het schuine ven konden plaatsen. Uiteraard wilde Elsje vernemen wat er te zien zou zijn. Maaike vertelde van het schuine ven en dat andere er dichtbij, en van het kamperen met Sheila. Zelfs van de tuinbonen. Elsje toonde belangstelling. Maaike vermaande: “Ze [de vennen] zullen nu wel bijna droog staan. En ons zwembad is veel mooier en dieper.” Elsje toonde haar inzicht: “Dan gaan we er toch heen als het flink geregend heeft! Kamperen lijkt me óók leuk.”

Inmiddels reden we zo hard als deze locomotief achteruit mag. en dat is bescheiden: ongeveer de helft van wat hij vooruit mag, in een tijd dat sneltreinen nog niet snel waren. We rolden uit langs loods en station, en ik bespeurde de bel van de overweg door het Doppler-effect. We maakten weer vaart. De katjes zaten weer aan de zonzijde, en keken voor Elsje en mij langs naar de hoge rimboe en later de verre weide. We kregen zin om weer bij Botje te gaan logeren, en om die van een café overgebleven kelder te bezoeken. En misschien vielen er nog vruchten te plukken in die verlaten boomgaarden, nu de Trojaanse paarden weg waren. Elsje hoopte op achtergebleven koeien voor melk en vooral slagroom. Wiesje en ik konden ons geen koeien herinneren.

Deze spoorweg sluit in het westen weer aan op het gewone spoornet, maar de brug over het grote kanaal staat open voor de scheepvaart, tenzij er een trein overheen moet. De museumtreinen eindigen dus daar, met een omloopspoor en een keerdriehoek. Het “haakse” deel van die keerdriehoek is meteen de loswal, waar steenkool uit die duwbakken van Pierlala overgeslagen wordt naar kolenwagons. Er staat ook een waterkraan (voor de locomotieven). Onze loc werd losgekoppeld, liep weer om, en de remproef geschiedde nu aan ons uiteinde.

Prachtig, allemaal, maar Elsje wilde toch wel eens plassen. Ons rijtuigje had geen toilet. Elsje kreeg de fles aangereikt. Ze ging mij voor naar het naaste rijtuig. Daar zaten de jongens gezellig samen, verder niemand. Inderdaad, dit rijtuig had een toilet. We gingen samen naar binnen. Dat paste nèt. Verrassing: geen van onderen open kakstoel, maar een chemisch toiletje zo als in caravans. Elsje leegde haar blaas, ik gaf haar de fles, ik ging ook maar, zij gaf mij de fles. Ah, een ouderwets wasbekken, aangesloten op een afvoertank. Handjes wassen, vergeefs geprobeerd de fles bij te vullen. Toen we weer op onze plaats zaten, rolde de trein alweer uit. We hoorden de bellen van de overweg weer naderen.

Opeens twee kinderschreeuwen, en we remden ongewoon. Vervolgens kwam de trein tot stilstand met onze wagon nog vóór de overweg. We stapten haastig uit, aan de zon- en stationszijde. Inmiddels weerklonken luide verwensingen. Geleidelijk ontvouwde zich aan ons een deerniswekkende aanblik. De wederzijdse verwensingen van een slungelige jongeman met baard, die inmiddels door de jongens in toom gehouden werd, en van het locomotiefpersoneel begonnen ons duidelijk te maken, wat er gebeurd was.

De baardaap kampeerde bij het natuurvriendenhuis, met vrouw en zoontje. Naast hen kampeerde een jong stel met een dochtertje. Gezamenlijk waren ze bij de speeltuin poffertjes gaan eten. De baardaap was benieuwd naar het station, en was even daarheen gereden op zijn bakfiets (zo een met ruimte voor twee peuters tegenover elkaar), mèt de kleintjes. Oorspronkelijk had hij op het erf (“stationsplein”) willen keren, maar hij had de trein bespeurd. Foto!!!

Maar ja, hij had de fiets even op de standaard (zo’n beugel) willen zetten. De overweg is een zanderige plek, afgezien van de schelpjes en van de uitgediende dwarsliggers tussen de spoorstaven ten gerieve van het kruisende verkeer. De baardaap had de bakfiets dan maar op dat hout gezet, tussen de spoorstaven, terwijl de lampen al knipperden en de bellen al rinkelden. Hij had vlug vanaf de zuidzijde (met het zonlicht mooi op de rook) een foto willen nemen, bevond zijn smartphone nog op video, en had enkele seconden gefilmd.

De trein was weliswaar aan het afremmen, maar machinist en stoker hadden hun aandacht gericht op mogelijke roekeloze wielrenners, niet op een bakfiets in het spoor (die ze langs de ketel heen moeilijk hadden kunnen zien). De bakfiets was dus door de trein in de flank gegrepen, en was gekanteld meegesleurd tot het hartstuk van het wissel naar het passeerspoor. “Kinderen” was dus teruggebracht tot losse letters, en de bakfiets was nu een restje buizen en plankjes tussen de voorste wielen van de locomotief en de delen van het wissel. Tozover was het deerniswekkend. De baardaap bestond het echter, het locomotiefpersoneel te verwijten dat ze niet uitkeken, en hij leek geneigd om over te gaan tot geweld jegens dat personeel, het materieel, en eigenlijk iedereen. Vandaar de houdgreep door vooral Jean-Luc.

De speeltuin had bemerkt dat op de overweg iets gebeurd was. De drie andere ouders haastten zich erheen op hun gewone fietsen (waarvan één met kinderzitje achterop). Ze zagen de trein op de overweg stilstaan, en ontwaarden de gruwelijke waarheid. Ze hoorden hun makker wild razen, waagden zich gruwelend langs de resten van hun nageslacht, verstonden het getier, en kozen partij voor hun makker. De vrouw van de wraps beet hen toe, dat hij de fiets voor de naderende trein neergezet had, en vervolgens belaagden zij hèm. Vanuit het station kwam iemand aanrennen (in de hitte, door het stof van het erf), en meldde luide aan het locomotiefpersoneel, dat de politie in aantocht was. Aantocht is hier een woord met berusting.

De trein blokkeerde de overweg, de zon brandde, de kans op onweer nam sneller toe dan de lading van mijn oudere smartphone bij gebruik van GPS àf, kortom: de wielrenners die om die laatste wagon heen moesten klunen, werden per groep verbetener. Uiteraard wilden allen geen centimeter méér omlopen dan nodig, dus achter dat rijtuigje botste men op elkaar, en kreeg meteen vieze kleren van de buffers en koppeling. Voor de trein langs was evenmin een goed idee, want inmiddels had Sans Pareil (met medewerking van Malawi, aangemoedigd door Elsje) dranghekken geïmproviseerd rond de slachtoffers, en die hekken raakten net het perron.

Toevallig tegelijk kwam van beide zijden een politiewagen, Range Rover of zo, met zwaailicht. De boodschap was blijkbaar verkeerd doorgekomen, want beide bestuurders wensten de trein opzij. Wiesje en Maaike haastten zich hand in hand naar de noordzijde, ik liep met Elsje naar de politiewagen aan de zuidzijde. Aha-erlebnis… De baardaap werd door ons (omstanders) aangewezen als verdachte, en de zuidelijke politiewagen in geleid. De agenten filmden en fotografeerden wat ze konden, lieten ons de dranghekken weghalen, en wilden de trein enkele meters achteruit hebben om de slachtoffers te kunnen bergen.

Het langzamerhand doodmoede locomotiefpersoneel wees beide politieploegen op de nu gestage stromen wielrenners die achter de trein langs kluunden, maar een oververhitte agent gaf bevel om “nu metéén” enkele meters achteruit te rijden. Dat veroorzaakte wonderwel slechts lichtgewonden, maar veel zware schade aan lichte fietsen. Veel fietsers kwamen dus na deze beproeving verhaal halen bij de locomotief, werden verwezen naar de oververhitte agent, en belaagden die.

Inmiddels was er aan de zuidzijde ook een ambulance zonder zwaailicht. Er waren ook minstens twee drones in de lucht. De politie wenste hen naar de Mokerheide, een eind van Spamerica. De drones bleken toe te behoren aan een free-lance journalist mèt en een loondienst-journalist zònder drone-brevet, die elkaar de sappigste (bloederigste) beelden misgunden. De drones botsten boven degenen die (geestelijk en lichamelijk oververhit) de body bags vulden. Één verpleegkundige (of zo) kreeg een stuk drone op zijn hoofd. Een agent werd aan de toch al zwakke sterkte onttrokken als bestuurder, en de ambulance reed nu mèt zwaailicht zuidwaarts. De body bags bleven liggen, en moesten bewaakt worden. Ook al aan de zuidzijde klom de machinist uit de locomotief, ving de wankelende stoker op, en strompelde met die gearmd uitgeput naar het station. De vrouw van de wraps haastte zich bezorgd achter hen aan.

De journalisten zaten bij de baardaap in de zuidelijke politiewagen. Die stond weliswaar met een agent achter het stuur in de schaduw, maar met alle opwinding was men daar flauwvallen nabij. De noordelijke politiewagen stond zowat tegenover het stationserf als een ijsberg in de zon, met drie nabestaanden en ook een agent. Een vrouwlijke nabestaande en de agent (ook een vrouw, dus) waren zwanger, met bijbehorende moeilijkheden.

We hadden dus: een overweg, geblokkeerd door een trein. Vóór die trein tussen de rails de body bags (waarvan één in gebruik voor de resten van de bakfiets), achter de trein (deels onder de wielen) stukken racefiets, voorts twee politiewagens met elk vier inzittenden, de jongens, Malawiel, drie in de hitte ijsberende agenten, in het station of de loods minstens machinist, stoker en wrapske, en bij de overweg nog steeds twee stromen geërgerde en gehaaste wielrenners (en uiteraard ook enkele gewone fietsers, wandelaars, en bij het zien van een politiewagen tersluiks omkerende berijders van motorvoertuigen op twee wielen). Plus een langzaam groeiende schare nieuwsgierigen, afkomstig van de speeltuin.

Weldra verscheen uit het zuiden een ambulance met vervangende verpleegkundigen en enkele trays flesjes drinkwater. Malawiel nam het uitdelen van dat water op zich. Uit het noorden verscheen een politiewagen met drie agenten. De eerdere noordelijke politiewagen reed weg, te beginnen naar de speeltuin. Daarna was zuid weer aan slag. Een verse politiewagen, een busje. Alle arrestanten overstappen, busje weg, één verse agente bleef. Met de verse noordelijke agenten en de ijsberen waren er nu zeven agenten. Één ijsbeer schatte de afstanden tot station en speeltuin, en ging beide anderen voor bij het zoeken naar de ingang van het station. Rest vier. Daarvan gingen eindelijk twee het verkeer achter de trein langs regelen. Beide anderen ijsbeerden ongeveer halverwege tussen body bags en overweg. De nieuwsgierigen uit de speeltuin hielden zich koest.

Inmiddels kroop de tijd voort. Elsje wist inmiddels “alles” van stoomlocomotieven. Ze was eerder vermaakt dan onder de indruk. Maar het besef van de nodeloze dood van twee ongeveer-leeftijdgenoten raakte haar flink. Maaike opperde: “Wat doen we hier eigenlijk nog?” Geen idee. We (Malawiel en jongens) gingen het station in, zagen vrijwilligers en politie uitgeblust puffen, meldden ons af, en aanvaardden de terugtocht. Toen we (Malawiel) de poort van Fort Rimboe door gingen, was de zon verdwenen achter zeer donkere wolken.

Aart en Yvonne zaten aan het theezitje, inmiddels weer bijgekomen. Ze betrokken bij het vernemen van ons verhaal. Mart en Diana ook.

We (Malawiel) aten samen twee pizza’s, en daalden af naar ons zwembad.

Naschrift

Mocht je denken, dat wij altijd de wielrenners zwartmaken - tijdens het schrijven van dit verhaal plaatste de Fietsersbond een stuk op de eigen website waaruit blijke, dat wij niet zwartmaken of zeuren.

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).