Laatste wijziging: 2021-01-09 (technisch), 2021-01-09 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "Week 52 3"

[geloof, sex]

Opname - Tent - Ven - Ver - Live

 

Opname

Weet je nog, die Week 52 met familie te logeren, en met hopen dat je nog plaats vond in de kroeg bij Bills oudejaarsconference? Het gemeenschapsleven van Us Net was toch al verwaterd, en toen kwam de pandemie. Bill en Mina hielden het nauwelijks uit in hun gesloten kroeg. Gelukkig konden ze even vooruit zonder inkomsten, maar wat was die gelagkamer gróót, nu die leeg was!

Geen oudejaarsconference? Zo ja, waarover dan wel? Ze bedachten een alternatief, nog altijd een beetje in overtreding. Ze plaatsten ons (Malawiel) op die bank terzijde op het podium. Bill liep vóór ons heen en weer (eigenlijk dus van voor naar achter en terug op het podium), en Mina bediende de stationaire camera’s. De opname was zonder verder publiek op een middag. Wij zaten er als publiek en als gesprekspartners, een beetje “an Audience with Billy Connolly”. Naast elkaar, maar wel tegen elkaar aan: Maaike, ik, Elsje, Wiesje. In de nieuwe gevechtskleding van spekkies-kilts en nu ook topjes (ik: T-shirt) van spekkies-kleuren, maar met een rondom doorlopende opdruk, ontleend aan “Dag en nacht” van Maurits Escher.

Het grote nieuws van dit jaar was immers Elsjes groei van hummeltje tot grote meid. Van het hummeltje werd een foto ingelast (bloot op de binnenplaats van Fort Rimboe, achtergrond onscherp gemaakt), de grote meid hield een paar tellen haar borstjes ontbloot. Bill was buiten beeld hoorbaar van slag. Zo zo, en hoe groeide ze dan wel zo snel? “IJs! Pannenkoeken. - En melk…” Volgens ons (Malawi) toch vooral die melk (enkele liters per dag), en dan het ijs (gemiddeld nog geen liter per dag): pannenkoeken of poffertjes vinden we veel werk.

Bij de hervatting van dat “grote meid” moest Elsje weer stunten. Je zou het kunnen raden, maar ik leg het uit. Die gevechtskleding heeft (minstens) één nadeel: geen zakken. Dus is er voor ons vieren samen één tasje. Hèt Tasje. Een tasje van het model dat Schotse mannen voor hun kruis dragen (een sobere sporran), maar het onze heeft een schouderriem, en is van kunstleer. Raad eens, wie het draagt… Dat tasje bevat ook al chocola en pleisters, en daaronder vallen ook tampons en een 50 cc grote Fles. Elsje had dan wel die middelgrote tampons besteld, en daarvan enkele in het Tasje gedaan. Inmiddels draagt ze echter dezelfde kleine tampons als Wiesje en Maaike. Terecht, maar ook berekenend. Immers ben ik degene die die dingen aanbrengt en verwijdert, en een kleinere tampon betekent ook: meer van mijn aandacht vereist. Het Tasje wordt door mij iedere vrijdagavond aangevuld tot de hoeveelheid kleine tampons die de eerstvolgende vrouw tot woensdag (of zo) zal verbruiken. Die ene “vrije” vrijdagavond is een “gauw klaar” routine. Maar die middelgrote blijven erin, en Elsje misbruikt ze graag om te tonen, dat ze een grote meid is. Dus toen Bill reutelend de draad hernam met dat “grote meid”, toonde Elsje zo’n middelgrote tampon. Ter herinnering: Mina had ten tijde van de “Flinterdun” verhalen al moeite met het tonen van haar borsten aan de dokter, al is ze onder Wiesjes invloed (en tegenwoordig ook die van Yvonne) losser geworden. Maar een tampon laten bungelen als een set autosleutels, en dan op een officiële leeftijd van vier jaar, dat was ook voor cameravrouw Mina schokkend. Jazeker, Elsje is familie van Wiesje. Die zat al klaar om mee te rellen. Maaike niet: die maakt geen geheim van haar vrouw-zijn, maar zou toch besmuikter met tampons omgaan, en ze dan maar even niet door mij laten verschonen. Volledigheidshalve: Het Tasje bevat ook voldoende inlegkruisjes voor de drie vrouwen voor twee dagen, schat ik. Nee, het is nu ook weer geen boodschappentas.

Nieuwe aanloop. Ja, Elsje was met haar ouders hierheen verhuisd, maar feitelijk woonde ze al maanden bij ons (Malawi). De complicatie van dood en wederopstanding van Mart ontbrak in de eindmontage. Ja, ze woonde bij de konijnen in Fort Rimboe, en ze was zelf ook een konijn. Daar is weer iets uit de opname geknipt… Het is vervangen door een pick-up shot van Bill die aan Wiesje vraagt “Familie van je?” en een milde lach met breed “je ziet ‘t” armgebaar van Wiesje. Verderop moest opnieuw een stuk uit de opname geknipt worden, alweer om Elsje. Wellicht door alle melk en roomijs kan dat kleintje scheten laten, erger dan wij (Malawi) samen. Allerlei scheten, van kleine stinkerdjes tot gasverplaatsingen die ze, indien mogelijk, tracht op te waarderen tot trombone-soli. Wel, dit was zo’n lange. En weer met zo’n stralende lach erbij. Het bracht Bill tezeer van slag.

Die lach. Elsje lacht voortdurend van oor tot oor (behalve als dat botst met bijvoorbeeld eten of cornet spelen), schatert vaak, slaapt met een glimlach, en is hoogstens eventjes verontwaardigd als zij denkt, iets mis te lopen. Dan hoor je die loei. Wiesje komt zelden verder dan een Mona Lisa glimlach, en Maaike kijkt meestal ernstig. Maar ze zijn gelukkig. Dat laten ze me steeds weer merken.

Nauwelijks waren we weer aan het opnemen, of bij Mina kwam een Skype-aanvraag binnen. Maria: of het schikte? Mina vertelde van de opname, en dat het dus misschien zelfs leuk zou zijn. Goed. Bill en Mina op twee stoelen haaks op de bank, computer, camera en beeldscherm bijgedraaid. Op dat scherm (tweede scherm van de computer) zagen we Josef, Maria en Sveta. En zij zagen ons. Allemaal zwaaien, de nieuwelingen (Maaike en Elsje) even voorstellen. Dat ging weldra van het Nederlands over in het Engels, en moest dan voor Sveta vertaald worden. Elsje groette dan maar in het Pools. Aangename verrassing. Vervolgens verliep het gesprek in het Pools, aan onze kant vertaald door Elsje. Nu was Sveta inmiddels tien jaar oud. Ze herkende in Elsje een generatiegenote (maar schatte haar ouder dan zichzelf), leefde op, en begon te babbelen. Het werd steeds meer een gesprek van die kleintjes onderling, en Elsje vertaalde steeds minder. Maar ook Maaike is een talenwonder. Die zat het een tijdje te volgen, en zei toen verbaasd: “Ze hebben het over vingeren!” Mja, naar de lichaamstaal van Josef en Maria te oordelen was het zeker een lastig onderwerp. Achter Elsje en mij om wisselden Maaike en Wiesje enkele woorden die ik wel verstond maar niet begreep. Ik wendde me tot Maaike, immers naast mij (en Wiesje voorbij Elsje). Die legde uit, dat Mawiel een eigen vaktaaltje had om sexuele dingen te beschrijven: plekken, houdingen, handelingen. Dat taaltje noemden ze “waals”, een afkorting van (jawel…) “kutterwaals”. Nee, ik hoefde het niet te kennen, want het ging om het beschrijven van mijn verrichtingen aan lichaamsdelen die ik niet zelf had, of niet in die mate van ontwikkeling. Maaike ging gebukt staan, haar linkerbeen tussen mijn rechter en het linker van Elsje, haar rechterbeen voor haar eigen zitplaats, en gaf me een bijna moederlijke knuffel met kus. Mijn bewegingsruimte was beperkt. Ik wilde haar kus aannemen en beantwoorden, en deed een mislukte omhelzing, waarbij mijn handen elkaar op het hoogste punt van haar lichaam ontmoetten, ongeveer waar je de achtersluiting van een beha zou verwachten.

Bij Maaike ging een knop om. Ze rukte zich haar topje en kilt af, trok vergeefs aan mijn T-shirt (ingestopt in mijn kilt), trok mij overeind, en ontdeed ook mij van mijn kilt. Ik trok nu zelf snel mijn T-shirt uit. Maaike wist ook nog snel uit haar string te komen (en ik draag niets onder die kilt). We droegen beiden dus slechts sokken en schoenen. Maaike liet zich achterover vallen met mij bovenop zich, volgens mij best eventjes pijnlijk. Maar ze had me meteen op de juiste plek. Nu was ik nog nauwelijks bekomen van de ochtendsex, maar Maaike heeft behalve het “opgooien” nog een troef: wat zij noemt “slurpen”. Even uitleggen.

Spieren kunnen samentrekken, niet uitduwen. Veel spieren hebben dus een tegenhanger (“antagonist”) die met samentrekken kan bereiken wat die andere met duwen zou bereiken. Welnu, de baarmoeder is een spier zonder antagonist: die moet uiteindelijk de boreling naar buiten persen. Maaike heeft de onverklaarbare gave, dat haar baarmoeder zichzelf kan verwijden, dus iets naar binnen kan zuigen. En dan nog willekeurig (dus als keuze)! Zodoende kan zij een slappe pik naar binnen zuigen: dat “slurpen”. Als antagonist gebruikt zij dan niet het samentrekken van de baarmoeder (dat zou niet helpen), maar dat “opgooien”. Elsje kan wellicht ook ooit “slurpen”. Wiesje niet, maar die krijgt mijn slappe altijd stijf, en verkiest bovendien pijpen boven sur place. Nu slurpte Maaike mijn halfstijve naar binnen, en ging dat afwisselen met opgooien.

Twee van ons aan de sex? Dan laten beide anderen zich niet onbetuigd. Elsje zwenkte eigenwijs de camera naar Maaike en mij, en ging zelf met Wiesje in 69. Mina keek wanhopig naar het beeldscherm, zag Josef en Maria ook aanstalten maken, en kleedde zich snel uit. Bill volgde. Volgens Elsje had Sveta zich voor de camera tot bloedens toe zitten vingeren.

Ik kwam vrij snel klaar in Maaike. Ietwat schuldbewust, want zonder voorafgaande himalaya, zelfs geen enkeltje. Anderzijds weet ik, dat Maaike in dergelijke gevallen toch wel aan haar gerief komt. Dit was een herinnering aan die keren dat ze vanuit de rimboe even een beurt kwam halen. Dat schuldbesef raak ik pas kwijt na alsnog een himalaya, later op de dag (of nacht). Dat weet ze, dat waardeert ze, maar meestal gaat die nalevering op in de volgende geplande himalaya. Ons kent ons! Even naknuffelen. Voor de verandering was Wiesje Elsje te snel af bij het zoeken (en vinden) van mijn minimale kwakkie. Wij vieren weer aangekleed op de bank. Bill en Mina weer op de stoelen, Josef en Maria weer in beeld achter Sveta. Die wilde nog even haar eerste schaamhaartjes waargenomen hebben. Weer een Pools onderonsje tussen de kleintjes. Maaike en ik vroegen ons af, of we Afra moesten bellen. Vervolgens maakte Mina het gesprek tot iets onder beide paren, onze bank buiten beeld. Na de Skype kwam het interview niet meer op gang. Elsje had lol: “Ze vroeg mij of het normaal was dat ze een flapje kreeg en afscheiding. En vervolgens gaan jullie allemaal sexen.” Kopje thee, en we vertrokken weer.

Tent

Wiesje had zin in kamperen, in buiten overnachten, liefst bij slecht weer. Dat trekje heeft ze al lang: je ziet het in onze eerste verhalen. Ze geniet van Fort Rimboe, maar zelfs zo’n theemuts heeft een avontuurlijk trekje. Van Maaike, de ontwerpster van Fort Rimboe, weet je, hoe verwilderd ze was toen ze haar natuurleven moest opgeven. Elsje is nu eenmaal zoiets als een geest van Maaike in een lichaam van Wiesje, dus die wil wel. Ach, eigenlijk wil ik óók wel, dat is de mislukte zeebonk in mij.

Kamperen, gevieren in dat tweepersoons tentje? We zouden een eind komen: denk aan dat kamperen bij het schuine ven, met Sheila en toen nog kleine Maaike. Voor hen zou je nu grote Maaike en niet-meer-kleine Elsje kunnen invullen. Krap! Maar het hoefde niet. De oostvleugel had zich eendrachtig op het weven gestort. Mart had ideeën geopperd en handjes toegestoken, Diana had de ideeën naar een grof ontwerp vertaald, Aart had de leiding genomen in het tastbare werk (“Dan moet je eerst dit doen, anders zit straks dàt in de weg.”), en Yvonne had zich op het maken van de draden gestort.

Ik herinnerde mij de speelfilms van “Lord of the Rings” en “the Hobbit”. Voor spinrag was een polymeer gebruikt die uit de grondstof ontstond door verhitting in een soort friteuse tot een nauw-luisterende temperatuur. Vervolgens kon je de “spinrag” van de vloeistof af scheppen. Wel, een dergelijke stof kon de oostvleugel nu dan maken in een “pastamachine”, in desgewenst héél dunne draden - en dan natuurlijk die draden opwikkelen tot garen. Spinnen was niet nodig. Die draden waren poreus, en konden door een verfbad geleid worden. Ze werden voor de tent eerst zwart geverfd, en vervolgens langs een rij spuitmondjes geleid die piepkleine kwakjes (ja, die grap was snel gevonden) van verschillende andere kleuren daaroverheen spoten. Zodoende hadden deze draden zoiets als camouflage-kleuren.

Er was een nieuw weefraam, nu weer een star, maar wel twee meter breed, en geschikt voor de dunste draad die ze uit de “pasta-machine” konden trekken. Uiteraard was de grote kunst om de schering zó in te spannen (of hoe dat ook hete), dat de “even” en de “oneven” draden afwisselend boven de spoel met de inslag konden hangen. Daarop hadden Diana en Aart iets geniaals gevonden, maar mijn inzicht schiet tekort voor navertellen. Uiteindelijk was er dus een twee meter brede baan van veelkleurig en best wel dun weefsel. Weefsel, dat wel lucht doorliet, maar geen water. Daar had weer iemand een aanval van praktisch inzicht.

Onze tent zou oorspronkelijk gaan bestaan uit een lage slaaptent en een hogere voortent. Uiteindelijk werd het een soort Romney-loods van twee banen, dus bruto vier meter “lang” of “diep”, met een “gevelbreedte” van ook ongeveer vier meter (twee bedden…) en een hoogte van “in het midden” twee meter. De stof werd dubbel genomen, met beide lagen op misschien wel een centimeter van elkaar. Op enkele plekken werden naden gelast (in de zin van “vulcaniseren”), zodanig dat daartussen aldus “buizen” gevormd werden met die centimeter als doorsnede. Vervolgens kreeg het weefsel van die “buizen” een laag “lak” opgespoten, zodanig dat die “buizen” luchtdicht werden. En ze kregen ventielen.

Kortom, uiteindelijk bestond onze tent uit één geheel van een opblaasbaar grondzeil, twee banen wanden/dak met drie opblaasbare ribben, een blinde achterwand, en een voorwand met toegang. Overal waterdicht, niet luchtdicht. Het weefsel en de dubbele wand waren echter zodanig berekend, dat de lucht in de dubbele wand nauwelijks zou bewegen, zelfs bij storm, en dat de tent dus wel zou “ademen”, maar niet “tochten”. De toegang was zo’n dubbelwandige lap tussen twee plastic “ritssluitingen” (zonder tandjes, denk aan hersluitbare diepvrieszakken), en bevatte dan toch maar een doorzichtig venster met een “gordijntje” met klittenband-sluiting. Voor de stevigheid in de “diepte” zorgden enerzijds dat grondzeil en anderzijds een opblaasbare buis die als nokbalk aan de uiteinden vastgelast was, met (terwille van de opvouwbaarheid van de tent) gelaste plastic drukknopen daartussenin. Bij stevige wind kon die matige “stevigheid in de diepte” vergroot worden door scheerlijnen. De toegang kon als luifel gebruikt worden, met tentstokken van elders of met scheerlijnen naar bomen. Uiteraard waren er ogen voor haringen. Aart had zich uitgeleefd in schroefharingen van verschillende soorten en maten, waaronder type “keilbout”: bij vastschroeven wordt het ding dikker, en zet zich dus klem. Jazeker, uiteraard wilde de oostvleugel ook voor zichzelf tenten bouwen, wellicht twee van half oppervlak die wel aan elkaar bevestigd konden worden, maar de jeugd mocht eerst, en dan meteen verbetervoorstellen aandragen.

Ven

Goed, we wilden en konden kamperen. Waar? Wiesje en ik denken dan toch in de eerste plaats aan dat vennetje in het bos, en met Sveta (die daar geboren was) nog vers in onze gedachten, werd dat ons doel. Voor één nacht. Nieuw was, dat ook de westvleugel wel eens als stervelingen wilde kamperen, en al helemaal bij dat ven. Wel, dat tentje van Wiesje en mij was nu beschikbaar… Het was vermakelijk, de sterfelijke gedaanten van de onsterfelijken in verhit gesprek te zien. Uiteindelijk bleken uitverkoren Thor en Artemis. Nou, gezellig! Wanneer?

Daar toonden zich weer de verschillen tussen mijn lieverds. Kamperen? Dan liefst zonder knoeiboel. Wiesje zocht dus hard-op denkend de witte (niet-rode) week. Maaike is wellicht zo goed in cyclus-rekenen door in gedachten een maandkalender te zien. Die wees Wiesje er dus op, dat donderdag en vrijdag altijd wit zijn. Kortom, van donderdag op vrijdag. Nou, dan kun je zelf de datum erbij zoeken, en dus ook het weer. We zitten hier een eind van de kust, dus wind en regen waren minder dan in de Randstad, maar de temperatuur was ook lager. We hadden hier zelfs lichte nachtvorst. Kortom, uitgerekend bij miezerig weer gingen wij kamperen.

De nieuwe tent kreeg algauw een naam van Mart en mij: de Kameleon, naar die boot uit de jongensboeken van Hoatse de Roos. Hij laat zich heel klein opvouwen: tot de grootte van een tweepersoons slaapzak. Dus hadden wij die tent plus twee echte tweepersoons slaapzakken. We aarzelden over luchtbedden op dat opblaas-grondzeil, maar hebben gelukkig ook twee tweepersoons luchtbedden meegenomen. Lompe matrassen, want Artemis en Thor hadden in de kleine tent die dingen die je tot stoelen kunt vouwen. Voorts (hopelijk) genoeg mondvoorraad, waaronder (koude) pannenkoeken en (slechts enkele literpakken) melk. En liters water voor “van alles”. En warme kleding, ook nog eens laarzen en regenpakken. Wiesje en ik konden ons niet herinneren, dat we beide eerdere keren in verhouding evenveel gesjouwd hadden. En ik word ouder, hè… Met pijn in het hart hebben we toch ook maar een steekwagentje gebruikt - op de schelpjes, en het laatste stuk over natte zandwegen. Met slim gebruik van een touw konden we als (wisselend) tweetal omarmd lopen en de steekwagen (onder een eigenlijk vermoeiende hoek) achter ons aan trekken. Gelukkig waren er weinig fietsers.

Thor en Artemis weerstonden de verleiding om hun bagage even door Hermes te laten overflitsen, en zwoegden onder hoog opgetaste rugzakken (zoals Wiesje en ik destijds). Wat me eraan herinnert, dat Wiesje nu weer een aanval had van de humor van haar duistere kant: sjouwen op mij afwentelen. Gewoon even dreigen met “te moe voor sex vanavond”, en ze was weer dienstbaar, zoals gewoonlijk. Dat verhaal van rugzakken en borsten ga ik voorleggen aan Aart en Yvonne. En aan Ton en Saar (waar we langs kwamen)  want die hebben lang door India gezworven.

Het lukte ons (Malawiel) niet om nog in het donker te vertrekken, dus kwamen we in de vroege avondschemering bij het ven aan. Toch een beetje hoog waterpeil, leek Wiesje en mij. Eigenlijk waren we bek-af, maar onze vrienden waren onderweg beurtelings sterke verhalen van vroeger gaan vertellen, en Elsje bleek bijna letterlijk te stralen van blijmoedigheid. Ze stelde ook leuke vragen bij die verhalen.

We hielpen elkaar bij het opzetten van de tenten, op dezelfde plaats waar Wiesje en ik die eerste keer gestaan hadden, en groeven een schijtkuil. Een kuil bijvoorbaat, en in de tent een zwemring bij de hand als WC-bril - de onsterfelijken zagen het met verbazing aan. De tenten stonden aan elkaar grenzend, maar onder een ongeveer rechte hoek met elkaar (zoals bij dat kamperen in de sneeuw met Bill en Mina, Ab en Sophie), met ongeveer op het snijpunt van de hartlijnen een flauwe kuil voor een vuur.

Vuur bij het kamperen is nieuw (en licht zorgwekkend) voor ons stervelingen, bewust van de brandbaarheid van onze omgeving, maar Artemis had ervaring met het dorre kreupelhout in Griekenland. Zij vroeg ons ook, of wij bezwaar hadden als zij eten zou schieten. Ach, beleefdheidsvraag. Terwijl Thor het vuur voorbereidde, schoot Artemis met één pijl twee duiven. Stadsduiven, wees ze: van die patatratten. Thor ontstak het vuur, en samen bereidden ze de duiven aan een spit. Wij mochten nemen, als we wilden. Desnoods werd er een wild zwijn gedood. Maaike keek het vuurtje met iets van weemoed aan: “Ik ben met vlees opgegroeid, en ik heb zelf gejaagd, maar nooit vuur gemaakt. En nu ben ik één van hèn.” Ze wees op Wiesje en mij. Elsje had nog geen levenshouding: “Ik heb medelijden met dieren, maar ik moet zelf groeien en gezond blijven.” Ze aanvaardde een aangeboden bout, maar gaf die toch meteen weer terug: “Nee, dan smaak ik onrein, of zo.” Groepsknuffel van Malawiel. Wij deelden onze koude pannenkoeken met Thor en Artemis. Elsje maande hen wel om eerst de duiven netjes helemáál op te eten.

Het was zo’n sfeer waaraan Wiesje behoefte had: dat kleine plekje van letterlijke en figuurlijke warmte in de wijde koude natuur. Elsje staarde naar het vennetje, nu wellicht vijftien meter in middellijn, stil, donker, spiegelend: “Jullie hebben me verteld, dat jullie hier twee keer geweest zijn om iets te aanschouwen en daarmee in te grijpen. Die eerste keer was dus niet genoeg, en eigenlijk voel ik er nu óók een dreiging bij.” Thor knikte bedachtzaam: “Dat voel jij heel goed. Op deze plek zijn vroeger nare dingen gebeurd, ook in mijn naam, maar de oorsprong ligt veel verder terug. Vóór de jongste IJstijd. Blijkbaar zit hier nog steeds iets in de grond wat eruit moet: energie, gas - ik weet het evenmin…” Artemis porde met een takje in het langzaam minderende vuurtje: “Ja… Misschien gebeurt er iets… vannacht zelfs… maar in de tenten en zelfs bij jullie eh… schijtkuil ben je veilig. Dit raakt jullie niet, Thor en mij waarschijnlijk ook niet. Maar misschien moeten wij ingrijpen. Als dat zo is, maak je dan geen zorgen. In het ergste geval moeten we een nieuwe gedaante aannemen…”

Toen het vuur gestorven was, gooide Thor “genoeg” zand erover. We trokken ons gezessen terug in onze nieuwe tent, onze gasten in de voortent, wij deels in de slaaptent. Een klein LED-lampje met warm licht verving het vuur als brandpunt van onze blikken. Thor had een flesje whisky. Een zakflesje, maar het bleek onuitputtelijk. De whisky was zacht en gerijpt, gelijkwaardig aan uitstekende cognac. Ik sloot me graag bij Artemis en hem aan. Wiesje en Maaike deelden een bekertje aangelengd met water. Elsje nipte van mijn pure whisky, maar trok een pak melk open. Ook in de tent bleef de sfeer die van bij een kampvuur. (Voor de zekerheid: niet ieder kampvuur is meteen een vreugdevuur of zo. Ons vuur van vanavond was niet groter dan nodig voor die duiven, te klein om ons zelfs van voren te verwarmen.) Thor en Artemis vertelden beurtelings verhalen, en soms verstoutte ik mij om ook iets te vertellen. De jongedames droomden geleidelijk weg, en de whisky deed mij geleidelijk doezelen.

Uiteindelijk gingen Thor en Artemis naar hun tentje. Wij stervelingen gingen nog even samen plassen (met het lampje en de Fles). Elsje had het hele pak melk op, en blijkbaar kan haar blaas een liter bevatten. Tjonge! Als slaapkamer was de tent zeker niet slecht: ruim genoeg voor onze rituelen, warm genoeg (na al ons binnenzitten) om pas ná die rituelen de slaapzakken om ons te sluiten. Elsje wist zich bij mij te voegen: “Het is mijn eerste keer kamperen. Dan moet ik toch houvast hebben!” Anderzijds walgde zij van mijn whisky-adem, en ik van haar melk-adem. Heel gewoon.

Toen ik naar mijn gevoel nèt sliep, wekte Elsje mij en de anderen. We kropen naar de voortent, en deden de flap kwart. (Deze voortent is veel hoger dan ons andere tentje, dus die ene rits deden we veel minder dan half open. Voor Wiesje en mij blijft het “flap kwart”.) Vier personen, dus even later ook de andere rits een stuk open. Ja hoor, boven het ven was weer iets te zien. Wat precies, dat bleef onduidelijk, als hologrammen, of als achter een doek (wajang-poppen, Bakshi’s tekenfilm van “Lord of the Rings”), maar er vielen beslist doden, mensen en grote dieren. Er was geluid bij, maar alsof de versterker amper open stond. Elsje stak haar hoofd naar buiten, en gluurde opzij. Ook de onsterfelijken hadden de flap kwart.

Het bleef dus onduidelijk, wat we zagen. Bovendien was de buitentemperatuur rond het vriespunt. We sloten ons weldra weer op, de vrouwen met stijve tepels. (Ja, ik moest in het donker alle drie paren bevoelen en liefkozen.) Maar… Elsje moest weer een scheet laten, stak dan maar haar achterste naar buiten, en gaf zo’n trombone-solo. Toeval of niet, de gebeurtenissen boven het ven waren op slag over. Proestend schoten we de slaapzakken in. Ik vond nu Wiesje bij mij. Kijk, die twee luchtbedden in elkaars verlengde sporen uiteraard met onze bedden thuis (A3/A4 en B3/B4), en de voortent met toegang werkt “dus” als perron. “Dus” is links de plek waar men mij verwacht. Daaraan hebben we geen woord verspild.

We werden min of meer gewekt door de vraag aan de tentflap, of we al wakker waren. Vier grompjes. Er was daglicht. Maaike schoof naar de flap, en ritste die naar flap kwart. Ah, onze reisgenoten. Ze liet hen binnen. Artemis en Thor bloot in ochtendjassen, met twee thermoskannen. Ja, die ochtendjassen hadden ze voor dit bezoekje nog even opgehaald, en meteen warme koffie en thee meegenomen. Oh, en zelfs gevulde koeken! We vormden een kring, en zaten weldra aan de warme drank met een koek. Elsje had haar bodempje gelukkig hete koffie aangelengd met best koude melk. De ochtendjassen gingen uit. We namen elkaar de maat.

Artemis leek zoiets als “Maaike over twintig jaar” - Wiesjes huidige leeftijd dus, maar die oogt ja zo oud als Maaike nu. Wiesje voelde zich zichtbaar het opperkonijn. Thor had wel iets van Aart met 35: een goedgebouwde man met meer spieren dan spek. Hij leek besneden. Elsje wond zich op: “La, kijk nou zelf! Hij heeft een oogstrelende pik, en jij hebt een kleuter-plassertje. Hou die voorhuid nou naar achter!” Ik veinsde gram, en vroeg dreigend: “Moet ik jou vandaag dan maar overslaan?” Ze bond uiteraard schielijk in. Zo te zien hadden die onsterfelijken vanmorgen ook al een nummertje gemaakt, al was het maar omdat Thor anders wel een stijve zou hebben bij de geboden aanblik.

Hoe we ons het verdere verloop van de dag voorstelden? Ochtendritueel, inpakken, terugsjouwen. Was het al elf uur??? Nou, gelukkig hadden die koeken ons een brunch bespaard. Maar, voordat we verdergingen, wat dachten zij van vannacht? Thor peinsde: “Er is iets geks, ook voor ons. Je kent vulkanisme: magma zoekt een uitweg omhoog. Je kent geologie: de vorming van een bodem-archief. Op deze plek lijkt woede uit het bodem-archief een weg omhoog te zoeken. Deze plek is tienduizenden jaren lang belangrijk geweest, om veranderende redenen. Er is flink om gevochten, door mensen tegen elkaar, door dieren tegen elkaar, door mensen tegen dieren, nog afgezien van gewone jacht. Alle emotie heeft zich opgehoopt in het bodem-archief, en zoekt een uitweg. Zo gek als dat ook voor ons klinkt. Ergens zou je dit onschuldig ogende ven kunnen vergelijken met de krater van een actieve vulkaan.” Verbaasde stilte. Wiesje meende: “Dus die geboorte van Sveta dáár [ze wees] komt óók in de lucht?” Elsje hervond haar blijmoed: “La, ik neem het terug. We gaan hier even wat positieve energie pompen.” Ze sjorde mij naar B4. De onsterfelijken verlieten de tent: “We horen het wel, als jullie zover zijn!”

Sex onder tijdsdruk is niets voor ons. Bovendien is mijn oplaadtijd nu eenmaal een gegeven. Wiesje deed een afhandelingsvoorstel. Ja, dat woord had Elsje ergens opgezogen. We stemden in. Elsje kreeg het beoogde enige kwakkie, allen hun himalaya. Wassen is bij het kamperen altijd moeilijk. Liefst hebben we oppervlaktewater bij de hand. Wiesje en ik hebben ooit in dit ven gebaad, maar het stond ons nu tegen. Bovendien waren lucht en water koud. Aankleden dan maar (snelle uitvoering van het ritueel), tent uitruimen, laten leeglopen, beetje schoonvegen, inpakken. Thor en Artemis zaten tegen hun rugzakken geleund te kouten.

Dit was zo’n dag waarop de ochtendschemer overgaat in de avondschemer. Het was al echt donker, toen we de spoorlijn kruisten. De stemming was goed: het steekwagentje was lichter, de nieuwe tent was ons goed bevallen, Artemis en Thor waren genoeglijk gezelschap, bovendien blij met hun moderne kampeer-ervaring, en Elsje zag uit naar het zwembad en naar roomijs. Eigenlijk blijkt Elsjes houding steeds weer bepalend voor ook die van Wiesje, Maaike en mij: ze is niet de aanvoerder, wel de gangmaker. Onder het lopen had ze bovendien ecologische gein met Maaike, voortbouwend op “ik zie wat jij niet ziet”. We kwamen trouwens inderdaad een kudde mammoeten tegen, maar ik heb niet meegekregen welke.

Bij de frituur namen we met knuffels afscheid van onze reisgenoten. Ons tentje zouden zij nog even schoonmaken en laten drogen. Oh ja, dat moesten wij met de Kameleon. Geen punt voor Elsje en Maaike: ze gingen toch al zwemmen. Wiesje en ik verkozen het zitbad. De oostvleugel wilde graag zelf deze tent proberen, alvorens eigen tentjes te maken. Uiteraard mocht dat, maar zij wilden wel wachten op behaaglijkere temperaturen.

Ver

Dacht ik dit verhaal te kunnen afsluiten, kwam er nog een mooie stuip. De muzen wilden ook wel eens kamperen! Dat vergde overleg in de westvleugel, en inmiddels is Elsje gek op gevulde koeken, kano’s, rondo’s, glacé koeken, gevulde speculaas, en zo. Er zijn negen muzen. Als je ook de voortent als slaapplaats gebruikt, kan de Kameleon er acht bergen. Het kleine tentje is bedoeld voor twee. Je voelt ‘m al aankomen: Apollo in het tentje met een gelukkige, en ze kunnen afwisselen. Ja, dat schot voor open doel liet Wiesje zich niet nemen. Waar dan wel? Zeus mag weten hoe ze erbij kwamen, maar het werd de verre weide. Hoe ze er kwamen? “Das Wandern ist der Musen Lust” De bagage? Die kon Hermes toch wel even flitsen! Eten en drinken? Kwam wel goed! Hoe lang? Vier nachten. Wiesje: “Dat wordt één zware nacht, Ap!” Ze mochten onze slaapspullen lenen (plus de zwemring en een schepje), maar dan waren er slaapzakken te weinig voor vier personen. Ah, beschikbaar gesteld door Ab en Sophie, Bill en Mina.

Dus, in het donker van een ochtend in week 53 ging “Apkes Tiental” (kreet van Diana, ontleend aan oud jeugdboek “Afke’s tiental”) op pad. Dat moesten wij zien! Wekker gezet, ochtendritueel onderbroken… Warm aangekleed hebben wij (Malawiel) hen uitgeleide gedaan tot voorbij Kees en Nora, waar de dijk het kanaal treft. De muzen hadden zich nu eens vermomd als Engelse schoolmeisjes, en Apollo dan maar als hun leraar (type zoals John Cleese in “the Meaning of Life”). We hadden hen best een stukje verder willen vergezellen, maar onze lachstuipen beletten dat. Die uniformpjes en schoenen op deze drassige dijk, in deze kou en omstreeks een flinke storm… Wel was nog ijlings vóór vertrek een partij “bijpassende” (dus niet) manteltjes gebracht, met voor Apollo een pandjesjas, een bolhoed en een paraplu.

Bij thuiskomst wilden we ons ochtendritueel hervatten, maar bij de frituur wenkte Thor ons de westvleugel in. Wat denk je - er vloog een bovennatuurlijke webcam mee, en de beelden waren hier metersgroot te zien. Oh ja: Sheila waarschuwen voor de stoet langs VCR. Even later streamde Sheila een selfie-video van hoe ze op bed een lachstuip had. En de stoet was haar huisje niet stilletjes voorbijgeschreden, maar had uitbundig gezongen “When the saints go marching in”. We taaiden af: dit was slechts liggend te verwerken. Maar we waren zo spoedig mogelijk weer terug. Nu met ook de oostvleugel.

Afijn, ze zijn aanbeland op de beoogde plek (Hoofdvaart hoek Westerweg), en hebben daar de tenten opgezet - al heeft Aeolus drie keer moeten ingrijpen om onze spullen ter plaatse te houden. En al die opwaaiende rokjes toonden steeds degelijke witte slips. De aanblik herinnerde ons sterk aan huppende konijnen. Opperkonijn Wiesje belde Afra: nú hier komen kijken. Janneke is wellicht de enige van de girls met praktisch inzicht, maar ook de anderen hebben zich bescheurd. En wellicht verlekkerd. Daarna had het team (aanduiding van Maaike) schaft (aanduiding van Wiesje), in de Kameleon uit twee picnicmanden: één met sandwiches en thermoskannen, de andere met kopjes, bordjes en bestek. Oh dear! Na het eten verdwenen de manden hierheen.

Wat gingen ze nú doen? Een vollybal-net opstellen! Bij windkracht minstens 6 tussen de buien door bij bijna vriezend weer een volleybal-net opstellen (palen de grond in drijven, net ertussen spannen). Nog steeds in die uniformen, op schoenen waarop minstens elke minuut iemand uitgleed op het natte gras… Ze stelden zich zelfs op in twee teams van vijf, maar na de eerste opslag (tegen de wind in) en het tegenhouden van de wegwaaiende bal zagen ze ervan af.

En nu? De tent in. Ja? Strippoker! (Tien personen en twee spellen kaarten, dus niet helemáál een kansspel.) Apollo was als eerste bloot. We kregen argwaan: die wilde bloot! En die camera, hoe zat dat eigenlijk? Wiesje had dat al door, en wees subtiel: in een hoek zat Loki met zijn ogen dicht, en een hand aan zijn stijve. Inmiddels was ook de eerste muze bloot, en die verdween inderdaad met Apollo naar het tentje. Straf of beloning, dat was de kwestie. Na één ronde strippoker was men erop uitgekeken. Er werd een beetje aan elkaar gefrunnikt, maar te weinig om de aandacht van de girls vast te houden. En nu? Ah, nog een ronde (met acht muzen), maar nu juist aankleden. De speelsnelheid was enorm gedaald. Elsje opperde, dat misschien Kassa 6 open kon.

Apollo en de ontbrekende muze kwamen weer bloot binnen, in de inmiddels weer geklede kring. En nu? Ja… wat nu? Elsje doorzag het: “Ze gaan inpakken!” Onze lol was zo groot, dat Loki zijn ogen opende, en dat ik Maaike op schoot moest nemen om het schudden van haar borsten tegen te gaan. Uiteraard wond dat de girls dan weer op. Loki leek zijn oren als een hond overeind te zetten, hopend op lol om de girls. Die bleven echter in de kleren. (In de westvleugel blijven de girls gekleed totdat ze aangeschoten raken. Malawiel is er meestal bloot, op handdoeken. Oostvleugel en westvleugel zelf zijn er soms gekleed, soms bloot. Heel ontspannen.) Elsje vond in een hoek een volleybal (die van daarnet?), en speelde die onderhands laag naar Wiesje. De sjes bloot aan het volleyballen? De girls wendden zich erheen. Maar Wiesje speelde de bal onderhands en slapjes terug. Maaike bedankte mij met een knuffel voor de geboden steun. Graag gedaan, liefste!

Zie! Apkes Tiental aanvaardde de terugtocht. De bagage verscheen hier in de noordwest-toren. Maaike belde Sheila. Die had even later weer een stuip: de stoet was bij het zingen nu aan het derde couplet van de Moorsoldaten: “Doch für uns gibt es kein Klagen: ewig kann ‘s nicht Winter sein.” Van “wanting to be in that number” naar een lied van dwangarbeiders in luttele uren…

Diana wenkte Yvonne mee naar de noordoost-toren. Toen de stoet onderkoelde snoetjes de westvleugel binnen slofte, droegen de schoonmoeders een pan erwtensoep naar binnen. Wiesje had opeens een mondharmonica in handen, en speelde de melodie van de Unox-reclames. Negen stuks Miss Wet Uniform plus (uitdrukking van Maaike) een Goudgerande Waterroofkever. Doornat. Ze kregen van Hera droge handdoeken uitgereikt,  ontkleedden zich in de noordwest-toren (met vloer van niet-koude tegels), droogden zich er af, en kwamen “met hangende tieten” (uitdrukking van Elsje) bloot terug naar de erwtensoep. Loki hoopte maar, dat hij niet te laat was geweest bij het uitschakelen van de webcam. Afra probeerde maar weer eens aan de praat te raken - alsof de verkleumde hetero muzen belangstelling zouden hebben voor geklede lesbo’s. Apollo ging ergens terzijde zitten, en leek na te kaarten.

Wiesje had een inval. Waren onze muziekinstrumenten hier? Mooi zo! Dan gingen wij nu spelen (uit het repertoire van de Hijbezems) de jazzy Mayim. Majem betekent water… Twee muzen keken vermoeid en verstoord, maar Elsje riep: “Jullie inspireren ons!”

Live

Wat denk je - krijgen we toch nog een live oudejaarsconference! Niet in de kroeg, maar in de westvleugel. Met als conferancier Loki! In allerijl bouwden buizenkunstenaar Diana, handige Aart en smid Hephaistos in de noord-westvleugel een tribune, en Yvonne wist die met hulp van Mart ietwat te stofferen. Elsje was bereid om Demeter en Hera te helpen bij het maken van hapjes, en Wiesje sloot zich aan. Ikzelf was bereid om Dionysos te helpen met de drank, en Maaike sloot zich aan. De pandemie en lockdown speelden in zoverre, dat de girls, Sheila, Kees en Nora hierheen kwamen, en dat Bill en Mina, Ab en Sophie en wellicht anderen bij de boys (en nog steeds de jongens) iets organiseerden. Wellicht was er ook iets bij de Bittenbrug, maar dat bleef ons onbekend. Die tribune was geen legbatterij van klapstoeltjes, maar een sawa van kleine zitjes.

We hadden de hele avond ervoor uitgetrokken, vanaf de middagschemer. Tot een uur of elf was het open podium, met nadrukkelijke uitnodiging aan de girls om iets ten gehore te brengen. Voor muziekinstrumenten werd gezorgd. Afra begon dan maar met haar favorieten van Chopin. Geleidelijk groeide dat tot een gezamenlijke Ode an die Freude, begeleid door een strijkkwartet.

Kees en Nora deden een setje blues samen, met als overgang naar de Topjes een gezamenlijke Empty womb blues. Sheila was diep ontroerd. Daarna gingen de Topjes verder met, nee niet meteen I’ve found a new baby, maar een nummer dat onszelf diep ontroert: de Canon van Pachelbel - en dan ben je meteen in de stemming voor het Air van Bach. Van daar kom je mooi op I’ve found a new baby, mits met het clavecimbel-voorspel van Dutch Swing College. De muzen, nu eens bloot, overtroffen zichzelf in kittige Roaring 20s dans. Ze vroegen en kregen Sheila mee om een vijfde paar te kunnen vormen. De girls waren zowaar ook bloot, en hadden de handdoeken hard nodig. Echte schootzitters zijn ze trouwens niet, gek genoeg.

Om half elf begon bij ons het afspelen van die opname uit de kroeg, rond kwart over elf het optreden van Loki. Die kwam achterstevoren op, met een Janus-masker en “een terugblik op het afgelopen jaar”. Mooi gevonden! Achteraf was Loki de vanzelfsprekende keuze voor een oudejaarsconference: scherpe waarnemingen en veel humor door vertekening. Als hoogtepunt bracht hij een samenvatting van de opnames van de kamperende muzen. Ze konden er zelf ook hartelijk om lachen, maar volgens mij ontging hen de geringschatting.

Te middernacht kregen we een nieuwjaarstoespraakje van Chronos, een opwekkende vermaning om fouten uit het verleden te vermijden. Daarna een dronk op het nieuwe jaar met glühwein. Vervolgens weer open podium. Heel geslaagd.

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).