Laatste wijziging: 2022-01-30 (technisch), 2022-01-30 (inhoudelijk). Naar inhoudsopgave. Naar vorig verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).

Larie: "In Amsterdam 2"

[geloof, sex]

 

Op weg - Verhoudingen - Ontvangst - Fort - Grootouders - Nacht - Ochtend - Middag - Avond - Terug

Op weg

Weet je, wie we (Malawiel) al heel lang niet gezien hadden? De schippertjes. Die wonen nog steeds op de “Ha-Ru 1”, afgemeerd in Amsterdam in het Buiten-IJ. Door seizoensflauwte en pandemie zaten ze vooral te zitten, interend op hun spaargeld, terwijl alle lasten dóórliepen. Natúúrlijk waren we welkom, natúúrlijk konden we blijven slapen: “Kies maar een hut uit!” We overwogen nog, de schoonouders mee te nemen, of Sheila’s gang, of beide. Maar wellicht konden die beter zelf een afspraak maken. In overleg ging Sheila’s gang toch met ons mee, trefwoorden "Apenrots" en "modeshow". De schoonouders zouden ons ongeveer aflossen, trefwoorden "Waterland" en "Kinkerbuurt". “Ongeveer aflossen”: eerst wij met de bulli heen en terug, dan zij. Jawel, ondode Mart ging zich in Amsterdam wagen!

Diana en ik maakten een lijst van dingen om mee te nemen, in de zin van verse waren uit onze kas, maar die aanpak bleek verkeerd. De kas is voor “dagelijks een beetje eruit en opnieuw aanplanten” en voor “komkommers genoeg”, maar niet om 9+2 mensen enkele dagen te voorzien. Geen probleem: Tin Roof helpt, en Sheila kocht ook wat bij boeren uit de buurt. Daarnaast kochten we bij Kees en Nora een fust eel en een vat vruchtenwijn. We kondigden trouwens aan de schippertjes aan, dat wij dingen gingen meebrengen, opdat zij niet nodeloos zouden inkopen en interen.

Gelukkig kunnen wij met weinig bagage (lees: kleding) volstaan. Dat eerste stuk was bijna lachwekkend: Maaike aan het stuur van de bulli, ik naast haar, de sjes op de middenbank, onze bagage (grote rugzak en twee weekeindtassen, plus die vaten) achterin. In Eikenrode werd het druk: de jongens stapten ook bij het huis van de neven in. Met de volledige bemanning reden we naar Tin Roof. Aanvullende boodschappen (besteld en afgerekend, ook die van “buiten Tin Roof om”) op de imperiaal. Banden op spanning, ruitenwisservloeistof bijgevuld, volgetankt. Het werd schootzitten, met weinig beenruimte, maar dat wisten we. Sheila aan het stuur, beide neven naast zich. De jongens op de middenbank, met alle mogelijke ruimte (aan bakboord) volgestouwd. Wij (Malawiel) evenzo op de achterbank. Daar gingen we!

Verhoudingen

Misschien is deze rit een geschikte aanleiding om de onderlinge verhoudingen op te frissen.

Laten we beginnen bij de jongens. Dennis heeft de toneelacademie afgerond, en vraagt zich nu af, of hij zijn levensgezel Jean-Luc kan helpen bij diens klussen aan leidingen voor electriciteit, gas en water, en bij wat hij verder aan werk vindt. Dennis is creatief en stil, Jean-Luc praktisch en gezellig. Samen zijn ze méér dan twee mensen.

Sheila heeft nu twee manlijke levensgezellen: de neven. Ze heten Bob en Fred, maar zo heten hun ooms van Tin Roof ook, en een groot deel van de bevolking van Eikenrode. Zij zijn groots in het sleutelen aan machines. Ergens lijken ze trouwens op Aart, ook in hun aard. Sheila is dan wel afgestudeerd psycholoog, maar heeft inmiddels vooral een naam als zakenvrouw, en daarvan afgeleid als organisator. Haar mannen moeten haar snelle pit-stops kunnen bieden, met vooral grondig raggen van haar baarmoedermond. Voor een enkele man zou ze een ramp zijn, maar met deze twee dienstbaar ingestelden vormt ze een ogenschijnlijk gelukkig drietal.
Het ligt ingewikkelder. De neven zijn broers, maar ook wapenbroeders. Ze kunnen blindelings op elkaar bouwen bij het klussen, en als op een hete dag de ene een pak koele melk aangereikt krijgt, dan gaat de helft naar de andere. Het is wellicht de verdienste van Dennis en Jean-Luc, dat de neven inzien dat homo’s niet gehaat hoeven te worden, en wellicht zelfs “echte mannen” kunnen zijn. De neven zien zelfs elkaar liever niet bloot, en willen liever niet bloot gezien worden, zelfs niet door de ander. Ze verlangen beiden naar een vrouw: een kwakjesvat en moeder van hun kinderen. Er zwemt echter weinig vis in de vijver van Eikenrode. Nu hebben ze Sheila, een verdeeld(!) genoegen. Het is geen “erop mogen als je aandrang voelt”, maar “je suf beffen en je prostaat naar de kloten helpen” als het jouw dag is, en de ander als “dief van je meisje” zien op diens dag. Als ze tenminste aanwezig is, en dat bepaalt zij! Het “natuurlijke” tijdstip van “overdracht van de wacht” is dus, als zij na het ontbijt het huis verlaat. En Sheila mag dan geen rommel achterlaten, ze is niet iemand om eerst nog even achterstallige huishoudelijke taken uit te voeren. Anderzijds voelen de neven zich toch wel echte mannen als zij ‘s avonds hun wasmachine uitruimen en ondergoed van háár aantreffen. Dan ruiken ze er besmuikt aan, maar de was is schoon...

Sheila neigt tot bemoederen van Dennis, en betreurt wellicht heimelijk zijn geaardheid. Dat bemoederen zou dan de sleutel kunnen zijn tot haar rol als matriarch van het gehele vijftal.

Maaike heeft, zoals bekend, één man (mijzelf) en twee vrouwen: de sjes Wiesje en Elsje. Ja, zó kun je Malawiel uiteraard ook bekijken. De verhouding tussen Sheila en Maaike is in hun jeugd niet gelijkwaardig geweest. Maaike was thuis en op school de “en dan hebben we tenslotte nog…”, en vandáár dat wij proberen om haar gelijkwaardig te behandelen, desnoods positief te discrimineren. Inmiddels kan het Maaike niet veel meer schelen: zij heeft ons en Fort Rimboe, Sheila heeft geldjacht en pit-stops.

De verbinding tussen deze groepjes is in beginsel de familieband van Sheila, Dennis, Wouter en Maaike. Hun ouders Aart en Yvonne hoef ik niet voor te stellen. Wouter woont met zijn levensgezellin Claudia op hun zeeschip “Clauwou”. Hij ligt op haar achter bij de opleiding tot berger. Een geweldig span!

Ontvangst

Sheila aan het stuur betekent: de snelste weg zo snel mogelijk afleggen. Onderweg konden we minder bijpraten dan verhoopt, want het was plankgas en op de snelweg hoogstens 90 km/h. Maar goed, tegenwoordig màg je immers niet eens hard. Vlak buiten Amsterdam wist Sheila een goedkope pomp. Even bijgevuld, trouwens ook even de benen gestrekt, en de laatste kilometers niet over de snelweg. Aan het begin van de middag waren we op Schellingwoude. Rudy en Hanna stonden ons al op te wachten op de dijk. In een keten van elf man verplaatsten we alle lading van de auto de dijk over naar het schip. Mijn bewondering voor de vaardigheid van de neven met de vaten! En toen was er koffie!

Bijpraten over vanalles. Ik zou gedacht hebben, dat er genoeg werk als opstapper zou zijn voor beide schippertjes, maar dat bleek de halve waarheid: iedereen die ooit uitgeweken was naar de passagiersvaart, was nu node weer beschikbaar voor de vrachtvaart, en iedereen met een eigen vrachtschip was gespitst (woordspeling voor de sector) om de dóórlopende kosten te dekken. Kortom, de storm uitzitten leek de schippertjes het beste. En ja, als zij de “Ha-Ru 2” nog gehad hadden, dan hadden zij moeten meedoen aan de race naar het putje. Leukere dingen, dan. Wij [Malawiel] waren nu met vier??? Wiesje legde het uit. Sheila nam over, met de uitleg over haar twee mannen en over de jongens. Nou, al deze samenlevingsvormen verwachtte je toch niet buiten de Randstad! Tja…

Hadden we eigenlijk plannen? Eigenlijk wel, maar die hadden we nog niet uitgewerkt. “Wij vieren” en “zij vijven” hadden elkaar dan in de aanloop naar de Kerst gezien, maar hadden weinig gelegenheid tot bijpraten gehad.En “zij vijven” bestonden uit een twee- en een drietal, met de verwantschap van Sheila en Dennis als verbinding. Ter herinnering: ook de band tussen “ons vieren” en “hen vijven” was de verwantschap van Maaike, Sheila en Dennis. Gut, ja! - En was er niet nog een vierde, nog een jongen? Ja, Wouter bestond ook nog, op zijn zeeschip met Claudia. (Officieel haar schip, trouwens.) Druk, druk, druk! - Ja hoor, Maaikes telefoon ging: Wouter. Hij had Aart gebeld voor nieuwjaarswensen, en had vernomen dat wij… Of het zou schikken, als Claudia en hij naar Amsterdam kwamen - ja, straks op de thee? - Okee, tot straks!

Oh ja, plannen. Wiesje wilde een sentimental journey langs ons vroegere flatje, de boerderij in Waterland, haar eigen ouderlijke huizen (enkele kraakpanden en in de Kinkerbuurt). Sheila en Dennis wilden naar de Apenrots en naar plaatsen die voor hen iets betekenden. Maaike wilde ook opa en oma bezoeken. Ach, natúúrlijk! Wouter wilde wellicht óók. Konden we met elf man (want zonder de schippertjes) in corona-tijd die bovenwoning in Oost bezoeken? Maaike draaide het om: konden opa en oma wellicht hierheen komen? Sheila zocht al naar de autosleutels, en Dennis ging dan wel mee als bijrijder. Wiesje vroeg de schippertjes om hun instemming. Sheila bloosde, en zei sorry. Vervolgens belde ze oma (bij wie zij en Dennis immers gedurende hun middelbare-schooltijd gewoond hadden). Oh, oeps, gauw een afspraak met de buurvrouw veranderen, en desnoods nam ze de hond mee waarop ze zou oppassen. Sheila en Dennis stormden weg. De neven en Jean-Luc voelden zich plots zichtbaar buitenstaanders. Mij schoot iets te binnen. Ik vroeg hen drieën, of ze bij die vloot van Pierlala wellicht ook aan de “Ha-Ru 2” gewerkt hadden: dat electrische schip met een kraan voorop. Ja, en? Ik wees onder me: we waren nu aan boord van de “Ha-Ru 1” bij Hanna en Rudy… Op slag was Hanna de buitenstaander bij technische praat. (Ze heeft haar schipperspapieren, ze kan een motor repareren, maar ze is niet knutselgek.) Wiesje babbelde haar dan maar bij over de herdertjes, en zo.

Fort

Plotseling bleek, dat de schippertjes nog niet wisten van Fort Rimboe. Hoe leg je dat uit? Dat vindt Wiesje nog steeds een taak voor mij. Ik stak van wal (nee, figuurlijk): “Gaan jullie nog steeds naar de kerk? - Hier op Schellingwoude? Goed. Volgens mij is een kerk een plek waar je gezamenlijk contact zoekt met God, nog afgezien van wat je in je dagelijks leven belijdt. Je kent ook de verhalen van verschijningen en zo. Je weet ook, dat we hier tweeduizend jaar geleden aan andere goden geloofden, en (grof gezegd) na Bonifatius niet meer. - Wel, wij zijn verhuisd naar nieuwbouw naast ons vroegere huis, en in dat nieuwe huis bieden wij plaats aan (zoals ik dat noem) de nog-aanbedenen èn aan de niet-meer-aanbedenen. Het komt erop neer, dat wij dagelijks omgaan met vooral die andere goden, voorzover die zich in mensen-gedaante willen vertonen, maar ook met bijvoorbeeld Jezus, als die zich tussen alle gebeden door even in mensen-gedaante wil terugtrekken. Hij heeft het druk, dus we zien Hem weinig, maar Hij weet zich welkom. Die niet-meer-aanbedenen hebben niets meer te doen, en die vinden het gezellig om in mensen-gedaante met ons om te gaan. En met Hem, als Hij wil. Heel plat gezegd: wij vragen Hem niet om ons dagelijks brood, maar Hij kan bij die anderen of bij ons een vorkje mee prikken. - Wil dat erin? Mooi! - Ons nieuwe huis noemen we “Fort Rimboe”. Maaike heeft het ontworpen: ze wilde zo graag een zwembad, een gróót zwembad. Dus hebben we nu een groot zwembad, en daarboven in een vierkant een soort vesting met een binnenplaats, in een heuvel. Zoals je bij Muiden in het groot kunt zien. Dat vierkant heeft dus vier vleugels. De zuidvleugel heeft geen woningen, wel de toegangspoort. In de noordvleugel wonen wij vieren. In de oostvleugel wonen hùn ouders: Mart en Diana, en Aart en Yvonne. De westvleugel is voor de onsterfelijken. Daar zijn wij ‘s avonds meestal ook, want het is er gezellig.”

Inmiddels waren de boutjes en moertjes stilgevallen, want Rudy begreep, dat wij over godsdienst praatten. Maaike verbeterde: niet over godsdienst, maar over samenleven met Hogeren, zelfs in meervoud! Rudy keek vragend naar de neven en de jongens. Jean-Luc getuigde, dat hij eerst heel wantrouwig geweest was, maar dat wij hem erin-geluisd hadden, gelukkig, en dat hij stiekem hoopte om ooit iets dergelijks te volbrengen. Maaike gaf haar zwager een klapzoen.

Grootouders

Voetstappen op het steigertje. Sheila, Dennis, opa en oma. Gelukkig is de salon van de “Ha-Ru 1” groot genoeg. (Ik heb die vroeger “huiskamer” genoemd, maar de schippertjes hebben voor zichzelf de oorspronkelijke “woonkamer” achteruit. Deze salon bevindt zich in het voormalige vrachtruim.) Opa en oma hebben uiteraard namen, maar als “aangetrouwd” kleinkind sluit ik me altijd bij deze aanduiding en aanspreekvorm aan. Ze zijn iets ouder dan ik, trekken uitdrukkelijk van Drees, en zijn doordrenkt van verheffing en solidariteit. Oma lijkt in uiterlijk en gedrag vrij sterk op Yvonne (en uiterlijk dus ook op Sheila), opa lijkt model gestaan te hebben voor wat Yvonne in Aart zocht. Opa is daadwerkelijk brandweerman geweest, maar is later bankwerker geworden. (“Maar soms ben ik hele dagen niet aan mijn eigen werk toegekomen.”) Geweldige mensen, en ze werden vandaag voelbaar als een soort extra ouders door Rudy en Hanna aangenomen.

Opa en oma hadden trouwens ook twee grote taarten meegebracht. Nou ja, ik zie Sheila ervoor aan om even bij de haar bekende banketbakker dit moois gekocht te hebben, en die bij het aan boord gaan oma op de armen gelegd te hebben. - Taart of lunch? Zonder hoofdelijke stemming werden de taarten naar theetijd verschoven. Lunch - hadden we voldoende brood en beleg voor dertien personen? En voor het ontbijt van elf mensen? Wiesje en Elsje gingen toch maar aanvulling halen bij de boeren-supermarkt aan de andere zijde van de dijk. Wiesje met een oog voor wat nodig is, Elsje met een oog voor wat lekker lijkt. Zelfs ik kon aan de voetstappen op de steiger horen, dat ze veel meer gekocht hadden dan bedoeld. Wiesje liet alle schampere gelach over zich heen komen. Elsje verklaarde, dat zij dit alles lekker vond. En desnoods namen we het toch mee terug? Mijzelf leek de overdaad mee te vallen, en ik opperde, dat de schoonouders dat spul na ons ook wel graag zouden lusten. Bij oma viel een kwartje: kwamen eerdaags ook Yvonne, Aart, Diana en eh… (Die was toch dood?) Mart? Maaike verklaarde het wonder van de wederopstanding, de schippertjes wisten niet wat ze hoorden, en oma vroeg, of opa en zij dan opnieuw mochten langskomen. Uiteraard!

Het werd een gezellige en smakelijke lunch, die zich tot theetijd voortsleepte. Wouter en Claudia kregen bij aankomst óók maar een bord voorgeschoteld. Maaike en ik haalden “aan de overkant” ook voor hen nog wat snoeptomaatjes. Elsje vroeg, of dat nou àlles was, en Wiesje miste eigenlijk komkommers. Ik herinnerde aan de taarten. Elsje telde de neuzen, schouwde de taarten in geopende verpakking, en herinnerde zich hard-op de taarten in de winkel. Hanna herinnerde aan het naderende avondmaal. Elsje krabbelde moeizaam terug.

Tijd om bij te praten. Maaike bracht er als een schooljuf structuur in (met haar dwangmatige afkortingen): “Zullen we zorgen, dat iedereen met iedereen kan praten? - Goed zo! Als we dan even met z’n allen langs déze wand gaan staan, mobieltjes en handtasjes mee. - Kijk, we hebben vier tafels met vier stoelen, en we zijn met vijftien. - She, pak dat stoelkussen es? Dat is zogenaamd nummer zestien. - Nu gaan wij elk aan een ander tafeltje zitten, in de buitenbocht. (Ja, zometeen maken we de binnenruimte groter.) She met kussen, Den met Jean, Wou met Clau, ik met El. - Zo! Wij zijn nu zogenaamd de feestvarkens, jullie de gasten. Nu komen jullie naar het midden. Hou je partner maar vast. Bob en Fred, doe maar éven alsof. Nu gaan jullie met je partner aan een tafeltje zitten bij een stel feestvarkens. - Nu kunnen we babbelen! - Elk kwartier roep ik “Changez!”, en dan schuiven de gasten een tafeltje op, met de klok mee. - Over een uur doen we het anders: dan schuiven de feestvarkens bij elkaar door, en de gasten ook. Na drie kwartier heeft dan iedereen met iedereen kunnen bijpraten. - Ja?”

Prachtig om nu eens Maaike de leiding te zien nemen. Iedereen vond het idee goed, en voegde zich blij. Na krap twee uur waren we rond. Intussen had een ander changement plaatsgevonden: het was in de salon best warm geworden, gelukkig niet benauwd, en te beginnen bij Wiesje en mij verdwenen de logeerders naar de hutten met hun bagage om zich luchtiger te kleden. Voor ons (Malawiel) dus in gevechtskleding, wel met een string eronder. Snel omkleden, zonder ritueel…  - Ja, die kilt van mij dééd het ‘m. De aanblik herinnerde opa aan de tekenfilm “Fantasia”, aan dat nijlpaard in tutu. Zo voel ik me er altijd in, maar dan zonder dansvaardigheid. Ik kon de opmerking dus bèst hebben, sloeg opa op de schouder, en de stemming steeg nog verder. Sheila, eerder een zoeker dan een maker van gezelligheid, schonk zelfs een sapje in voor het zitkussen. Ook de neven kwamen los, en wisten samen leuke voorvallen over te brengen. Maar dat verhaal van dat domme blondje (iets met een Fiat Panda en een lege benzinetank) deed Sheila (de witte leeuwin) het kussen omhooghouden: “Jongens, ik slaap vannacht bij mijn kussen.” Wiesje zette een applaus in: in de strijd tegen sexisme staan Sheila en Wiesje naast elkaar op de barricade. (Enkelvoud: op barricadeN moet je wel héél wijdbeens staan.) Ook Rudy en Hanna deelden in de gezelligheid. Weliswaar was een toch al vage logeerpartij uitgemond in een familiereünie van hun gasten, maar vooral dat doorschuiven deed hen deel worden van deze familie.

Het werd toch echt etenstijd. Inmiddels sprak vanzelf, dat iedereen bleef eten. Wouter en Claudia voelden zich geroepen om óók die supermarkt te bezichtigen, draagtas mee. Vervolgens hielpen zij de schippertjes in de kombuis. - Ja, varensgasten begrijpen elkaar. Intussen werd ik door Elsje bijgepraat over haar ervaringen in de gesprekskring. De maaltijd werd een voortzetting van de gezelligheid, bij een fenomenale prestatie (zulke taal bezig ik zelden!) van smakelijkheid, aanblik en hoeveelheid. Tot Elsjes innige vreugde was er veel lekker ijs gehaald, te veel om in een vriesvak of -kast te bewaren. Nu iedereen haar ware leeftijd kende, genoot ze de voordelen van “de jongste zijn”. Daarna ging Malawiel aan de afwas. Hanna bediende de grote koffiemachine en voor thee de waterkoker.

Gaande de avond werden de fusten aangeslagen. Pas laat besefte men, dat opa en oma nog teruggereden moesten worden, en dat er geen BOB afgesproken was. - Gelukkig bleken Wouter en Claudia amper gedronken te hebben, uit hun aard en omdat zij nog terugmoesten naar hun schip. Nou, dan brachten zij toch ook opa en oma thuis! Ze vertrokken om 23:55, en Elsje vroeg nog, of er geen muiltjes vergeten werden. Bob (DE Bob, niet de BOB) probeerde hardop, zich te herinneren hoe het contactslot van een kalebas ook weer werkt. Na vertrek kwam oma nog even melden, dat ze op de dijk Assepoes gezien hadden, met een muisje in de bek.

Nacht

Uiteindelijk werd het ook eens bedtijd. Eh, juist ja… De “Ha-Ru 1” is (schat ik) ooit een spits geweest, dus met buitenmaten van hoogstens 38,5m lengte, 5,05m breedte, 2,5m diepgang, en geschikt voor een doorvaarthoogte van 3,5m. De hutten liggen te weerszijden van een middengang, en meten dus ongeveer 2m in de breedte van het schip. Ze krijgen daglicht door een raam net boven het gangboord. Tegen het voor-schot van zo’n hut past dus net een krappe tweepersoons kooi (bed met bergladen eronder, en in dit geval met een uitneembare plank (beddenplank) om wegglijden van de matras te voorkomen. Verder bevat een hut hier een opklapbaar schrijftafeltje en twee klapstoelen. Van dat type waarop we de hele dag gezeten hadden, eigenlijk slechts aanvaardbaar voor wie zelf zitvlees meebrengt. Maar die stoelen en de ronde klaptafels uit de salon kun je gemakkelijk naar het dek verplaatsen. Kortom, voor Malawiel geen andere keus dan splitsen in een tweetal per hut.

We hadden bij aankomst onze bagage neergeworpen in de (vanuit huiskamer en natte ruimtes gerekend) eerste twee hutten aan stuurboord. De neven hadden de tegenoverliggende hutten (aan bakboord dus) bezet, de jongens de eerstvolgende aan bakboord.

Goed, splitsen dus, voor een hele nacht (van een uur of vijf). Elsje verkoos de vertrouwdheid van Wiesje boven mijn manlijkheid. Maaike schikte zich dus stralend in haar lot. De natte ruimtes (WCs en douches) waren beslist éénpersoons, maar in dit opzicht zijn wij handig. Uitkleedritueel in onze hut, nog even bloot buurten bij de sjes, af naar kooi. Maaike ging erop liggen als in de huwelijksnacht van zo’n braaf stel als Rudy en Hanna hadden willen zijn. Hmm, deze kooien hadden nòg een nadeel: beffen en neuzen bleken zowat onmogelijk. Gelukkig kan ik aardig vingeren, en ondanks alle bier lukte ook een sur place.

Ochtend

Tja, we wilden dingen doen, dus we hadden met de schippertjes het ontbijt bepaald op 08:00. Het opstaan viel tegen. - Dan moet ik eerst weer iets uitleggen.

De salon bevindt zich in het achterste deel van het voormalige vrachtruim. Van daar loopt dus die gang naar voren, met te weerszijden eerst de natte ruimtes, dan de hutten, en bij de laatste hutten leidt een ladder omhoog naar een noodluik. Die natte ruimtes liggen ingesloten door waterdichte schotten (dus in een voormalige cofferdam?) met waterdichte deuren. (Denk om de drempel! En om je hoofd…) Ze liggen aan een dwarsgangetje met tegenover elkaar eerst twee toiletten en dan twee douches.

Maaike en ik hadden dus overnacht in de eerste hut aan stuurboord voorbij de natte ruimten. We hadden een wekker gezet om eerst te kunnen plassen en daarna tijd te hebben voor wat sex. Wel, blijkbaar hadden we allen dezelfde inval gehad, want we kwamen tegelijk uit onze hutten. Sheila was als eerste in de gang geweest, maar stond nu bloot op handen en knieën in een toilet aan bakboord “uitdrukking te geven aan haar diepste gevoelens” [uitdrukking van Marten Toonder, meen ik]. De neven stonden ietwat onthutst in boxers het gangpad te blokkeren. Allereerst dus voor Maaike en mij, dan de sjes, dan de jongens, allen bloot. Erlangs? Oh, eh… ja… De neven wisten even niet, waarheen ze moesten kijken: naar kotsende Sheila of naar die drie stralende vrouwen. Nou ja, met een stapje opzij verdwenen Maaike en ouwe bierbuik uit beeld naar een toilet aan stuurboord, en hadden ze enkele ogenblikken (proef dat woord!) uitzicht op de sjes, op weg naar het andere stuurboord toilet. Daarna op de jongens, eigenlijk evenmin blootlopers als de neven, bloot en één voor één onderweg naar het andere bakboord toilet. Oh, eh… ja… De jongens waren snel weer klaar, en verdwenen naar hun hut. Vervolgens waren de sjes uitgeplast, en wilden erlangs naar hùn hut. Oh, eh… ja… Uiteindelijk ook Maaike en ik, want de fles geven is bij ons (Malawiel) toch vooral een hetero-zaak. Zo te horen was Sheila klaar met kotsen (wel krampen, geen lading meer), maar ook zij had het toilet gewóón willen gebruiken. Ze moest door haar man-van-dienst onder de armen genomen worden, kon zelf de WC-bril met ‘n klap doen neerkomen, maar kon haar sluitspieren vóór en achter een tel te kort in bedwang houden. Dat kreeg ik nog net mee, voordat ik na Maaike onze hut weer in ging. Wij haalden de beddenplank van de kooi, en ik ging op mijn knieën aan het werk. Net na mijn sur place kwam een kort klopje op de deur. Met de deur op een kier vroeg Wiesje, of we een ei beliefden. (Ja, dat is een verwijzing naar Diana in oude verhalen van ons.) Vervolgens trippelden de sjes binnen. Gescheiden slapen is één ding, maar een dag zonder sur place is een dag niet geleefd. (Vindt eigenlijk zelfs Wiesje.) Dus: ijlings met Maaike naast me de sjes een himalaya geven, Elsje een sur place, Wiesje een sur place, toen rap twee aan twee naar de stuurboord douches. Van bakboord kwam een sterke lucht van schoonmaken. Voor ons dagprogramma toch weer de nasi-pakken aan (en wandelschoenen).

In de salon zaten de schippertjes en Sheila’s gang achter borden met kruimels aan laatste slokken thee danwel koffie. Sheila oogde nog lichtgroen. Ik gaf haar een vage knuffel, en wenste haar beterschap. Maaike had de viezigheid gemist, kreeg die van mij verklaard, en herinnerde zich hard-op dat zieke konijn (dat een einde gemaakt had aan haar pogen om een natuurmens te worden). Sheila voelde een oprisping komen, spuugde een halve slok thee op de grond, rukte de (zware) deur naar de gang open, en vergat de hoge drempel. Ze ging languit, met haar linker slaap net tegen de verre linker hoek van de gangenkruising. De gaande en de komende neef (wisseling van de wacht…) snelden toe, hielpen haar overeind, en brachten haar terug naar haar stoel in de salon om het letsel op te nemen. Er groeide een blauwe buil. Rudy snelde naar privé voor een bak koud water en een washandje. De neven keken elkaar aan, en wisten de schoonmaakmiddelen nog te vinden. Maaike liep van ons tafeltje naar Sheila, streelde haar over de rechter wang, en zei luid en oprecht “sorry!”

Veel trek in een ontbijt hadden wij (Malawiel) nu niet meer. We werkten althans iets naar binnen, ruimden af, en waren tegelijk met de neven klaar voor krijgsraad. Wat wilden we doen?

Malawiel wilde kijken bij het geboortehuis van Elsje, dan ook maar bij de gewezen boerderij van de herdertjes, en bij ons (Malawi) gewezen flatje. Voorts bij de veranderingen in bebouwing in het algemeen - niet te missen bij onze nadering. Daarnaast wilden we ook wel naar de huurwoning en voordien kraakpanden waar Wiesje opgegroeid was. De schippertjes wilden het Noordse deel ook graag mee. Sheila en Dennis wilden naar de Apenrots, en wellicht naar plekken die samenhingen met haar modeshows. Ja, dat wilde Malawiel ook wel. Misschien eten halen bij Chinees of Turk nabij de Apenrots? - Die dingen stad-inwaarts konden de schippertjes niet boeien. Eten was wèl een punt van aandacht: aten we vanavond aan boord warm? Hoe lang wilden we überhaupt blijven? Sheila’s gang had vier stemmen en een onthouding voor morgen teruggaan. Malawiel kon zich erin vinden. Aldus besloten. Maaike belde Yvonne, meldde Sheila’s letsel (voorzover bekend, er zou bijvoorbeeld een hersenschudding kunnen blijken), en onze voorgenomen terugkeer de volgende dag - ja, eind van de middag. Maaike gaf de telefoon aan Hanna. Goed, dan kwamen de schoonouders overmorgen vóór de lunch hier. "Tot dan!"

Dennis gaf de schippertjes een toelichting op dat “eten halen”: dat dat terugging op de geile pizzaboertjes en op de woordspelingen bij de chinees. Wiesje had nog wat voorbeelden van Afra en mij paraat - en de schippertjes hadden alle begrip. Sheila vertelde moeizaam en kreunend van de room service die zij genoten had.

Terzake. Malawiel en de schippertjes gingen even een rondje Noord en Waterland doen. Sheila ging eventjes plat, begeleid door de neven. Jean-Luc zag voor zichzelf en Dennis wat schoonmaakwerk, in dank aanvaard.

Wij zessen de bulli in. Uiteraard nu Maaike aan het stuur, daarnaast ik om de weg te wijzen en dan Elsje om te zien of ze iets herkende. Op de middenbank Wiesje en de schippertjes. Ja, ik wéés de weg, maar ik bleek alle beperkingen voor auto-verkeer als fietser en wandelaar niet te kennen. Soms wisten de schippertjes tijdig te waarschuwen. Maaike bleef doodkalm onder de vergissingen, en stuurde de bulli behoedzaam over de gouwtjes (veendijkjes, soms nauwelijks boven water).

We bereikten eerst de boerderij waar de herdertjes geboerd hadden. De grond-eigenaar had blijkbaar pachters gevonden, ook schapenboeren (omdat de grond te drassig is voor koeien, weet je nog), maar alles oogde vervallen. Door naar het geboortehuis van Elsje. Hmm… waren dit krakers of anti-krakers? Ze keken wantrouwend naar de auto, en nog wantrouwender naar ons toen we uitstapten. Elsje kon zich weinig herinneren: plekjes, geen structuren. Wiesje en ik herinnerden ons méér. Terug naar Noord, nu naar het flatje. Niet te missen: het nieuwe hotel, schuin aan de overkant. Was die Foodmarkt er al lang? Reed de metro eigenlijk al? We ontdekten station Noorderpark, en volgden met de auto het spoor naar station Noord. Oh, in deze omgeving was wèl veel veranderd. We reden terug naar Schellingwoude, en gingen weer aan boord.

Sheila lag nog te kooi, met nu slechts de dienstdoende neef naast zich, hutdeur open. De jongens en de andere neef hadden de televisie in de salon aan gezet, smart bevonden, en bekeken nu op YouTube films van scheepsbergingen. Nee, Wouter en Claudia waren nog niet toe aan dit grote werk.

Middag

Eerst lunchen? Iets kleins. Er was kant-en-klare erwtensoep, maar met voor minstens Wiesje en mij teveel worst. Er was nog wat taart. Afijn, ieder vond wel iets. Sheila hield het op een mok bouillon en een geroosterde boterham.

Wat gingen we nu doen? Malawiel en Sheila’s gang namen de auto. Eerst naar de Apenrots, en dan zien hoe alles zich ontwikkelde - Sheila’s hoofdpijn inbegrepen. Dennis kroop achter het stuur, Sheila en “wachtsman” (volgens boekenwurm Elsje) ernaast, andere neef en Jean-Luc op de middenbank, zo ver mogelijk van elkaar (Wiesje en ik moesten denken aan ons bezoek aan de goten), Malawiel gevieren op de achterbank. In een schuifpuzzel konden we zelfs schootzitten afwisselen. Dennis kan heus autorijden, en veel meer. Hij wist nog aardig de weg in Amsterdam, maar bevond de stad onvriendelijker geworden jegens auto’s. Dat was, waar Sheila hem moest waarschuwen voor eenrichtingsverkeer en zo.

Eigenlijk best spoedig stonden we bij de Apenrots voor de deur. In een parkeervak, terwijl Sheila de naambordjes bestudeerde. Ze kwam licht slingerend terug: “Ik herken twee namen. Zullen we het proberen? - Mondkapjes mee!” Oh ja, betaald parkeren!

De eerste naam was raak. We werden (alle negen!) binnengelaten door… hoe heet ze ook weer? Één van die “snuitjes”. Met pijpenkrullen en ook nu oorhangers die ik destijds al onzinnig (want meestentijds onzichtbaar) vond, en bovendien te langgerekt. Oh ja, Tanja! Maar ze geleidde ons naar een keuken, en ging er kruidenthee voor ons zetten. Ja, Dennis kende ze ook nog, zelfs Wiesje en mij. Ze moest het allemaal even verwerken: Sheila nu met twee potige mannen, Dennis met een andere poot, en die ouwe nu met Wiesje, een zusje van Wiesje en een zusje van Sheila. Ja, ze had zelf een vriend - in het buitenland, en met alle beperkingen konden ze elkaar al een tijd niet zien. Oh, en Matras was nu...? Ze barstte plots in schateren uit: “Die Jeroen was ooit een vacantievriendje van me.” Waarop Sheila droogjes meldde: “Ze heeft hem van mij overgenomen.” Wiesje proestte. Sheila haalde haar schouders op: “Hoe moet je het ànders zeggen?”

Dennis boog zich naar Sheila: “Je had nòg een bekende naam gezien.” Sheila noemde die. Tanja knikte: “Toevallig hebben we het laatst nog over jullie [Sheila en Dennis] gehad. Ik dènk, dat hij niet thuis is, maar ik zal even kijken.” Ze naderde even later hoorbaar: dat trappenhuis galmt zo. Ze had dus toch beet: een zachte bleke jongen met rasta-vlechtjes. Knuffel met Sheila, knuffel met Dennis, warme kennismaking met Jean-Luc, voor de rest van ons: “Hoi, ik ben Kevin.” De neven wilden er duidelijk niet bij horen. (Inderdaad, de neven zijn geen nichten.)

Ook hier even krijgsraad. Sheila en Dennis wilden duidelijk nog wat babbelen, de neven niet, en wij (Malawiel) wilden andere plaatsen bezoeken. De neven waren merkbaar aan het overwegen om dan maar met ons mee te gaan. Wiesje verklaarde, dat hen dat nog minder interesseren zou. Wij (Malawiel en jongens) wisten zo gauw ook niets te bedenken dat hen zou kunnen boeien (en toegankelijk was). Maaike kreeg de auto-sleutels. Wij zouden hierheen terugkomen, maar zelf niet weer binnengaan. We namen afscheid, en stapten in. Gelukkig hadden we ergens in de bulli een iPad verstopt liggen. We prikten daarmee wat punten op de kaart, en lieten ons een route voorschotelen. Die voerde ons eerst langs verschillende toenmalige kraakpanden in Centrum, Zuid en West, en daarna naar de huurwoning vanwaaruit Mart en Diana naar Waterland verhuisd waren. Er viel niets bijzonders te zien, maar Maaike en Elsje hadden nu tenminste een beeld. Vervolgens reden we naar Nieuw-West: naar de school waarvan ik Mart en Diana kende, hun ouderlijke huizen, en naar de twee plekken waar ikzelf opgegroeid ben. Als toegift een rondje om de Sloterplas.

Elsje herinnerde zich uit onze beraadslagingen twee eettenten nabij de Apenrots. Maaike belde Sheila: om te zeggen dat wij nu van nabij de Sloterplas teruggingen, en om te vragen naar die eettenten. Sheila had haar telefoon blijkbaar op luidspreken gezet, en Tanja antwoordde: ja, beide tenten waren er nog, maar wegens de beperkingen alleen voor afhalen, en beide hadden nu andere mensen. Sheila hakte de knoop door: "Kom ons maar ophalen." Ik liet de iPad de route plannen, en Maaike gaf door, hoe lang onze reis zou duren. Elsje verklaarde, dat ze in de Apenrots naar de WC wilde. Uiteindelijk zijn we daar allevier geweest, één voor één, om niet weer betaald te hoeven parkeren. Dennis reed weer. De neven leken murw van het aanwezig zijn. Wiesje belde Hanna, dat we in aantocht waren. Het was donker, toen we uitstapten. Sheila had een inval voor de neven: “Jullie hebben je zo lief zitten opofferen. De supermarkt is nog open. Zullen wij drieën nog even kijken, of ze daar iets hebben wat jullie graag lusten, een flinke biefstuk of zo? Lusten zij [de jongens] en zij [de schippertjes] vast ook wel.” Ze wendde zich naar ons [Malawiel]: “Zijn jullie inmiddels allevier vegetarisch? - Voor jullie een vegetarisch lapje? - Tot zo!” Tja, was dit nu invoelend, neerbuigend, of beide? We volgden de jongens naar het schip.

Avond

De boodschappen lieten verrassend lang op zich wachten. Niet echt lang, maar Sheila is geen slenteraar. En van die val leek ze bekomen. Maaike sprak het uit: “Ze gaan uitelkaar.” Even later gaf de lichaamstaal haar gelijk. De boodschappen gingen de kombuis in. Sheila plofte neer, arm klapstoeltje, en vroeg Hanna om een hut voor zichzelf. De neven bleven zwijgen, met donkere blik. Sheila voelde ons aller ogen op zich gericht, ging recht zitten, en verklaarde: “We zijn het erover eens, dat Bob en Fred enerzijds en ik anderzijds onvoldoende bij elkaar passen. Wel in elkaar, niet bij elkaar. Daarom pak ik morgen mijn spullen bij hen, en ga maar weer naar mijn huisje.” Dennis en Jean-Luc keken elkaar aan: “Je kunt ook bij ons logeren, als jou dat beter uitkomt.” Sheila stond op, en gaf hen van achteren een knuffel. “Dank je wel, lieverds! Ik houd het even in beraad.”

De neven volgden de schippertjes naar de kombuis, om dan maar te helpen bij de maaltijd. Sheila zuchtte: “Het was altijd al meer wederzijds gerief dan liefde. Vandaag voelden ze zich behandeld als honden, als een soort waakhonden die in bed mogen. En mij steekt, dat ze jullie [Dennis en Jean-Luc] niet kunnen aanvaarden zo als jullie zijn, en vanmiddag ook Kevin. Als je zó bekrompen doet jegens zulke schatten, dan pas je niet bij mij.” Groepsknuffel van Sheila, de jongens en Malawiel. Sheila bracht haar spullen uit de hutten van de neven naar de eerstvolgende vrije aan stuurboord.

Maaike vroeg Sheila naar haar letsel, het lichamelijke. Sheila lachte dun: “Het deed flink pijn, maar het is gelukkig snel gezakt. Ik zou nu zelfs weer durven autorijden. Maar vanavond lust ik toch wel een flinke slok wijn. Minder dan gisteren, dat wel. - Maaike, wil jij morgen de BOB zijn? Of drink jij tegenwoordig ook veel?” Ook Maaike lachte dun: “Ik laat me tegenwoordig vaker gaan, maar Hanna heeft lekkere kruidenthee. Ik rijd morgen wel.”

De etensgeuren werden sterker. Elsje en ik gingen de tafels dekken. (Even tellen: Malawiel 4, Sheila’s gang 5, schippertjes 2, maakt 11.) We zetten drie tafels in een driehoek, een vierde in het midden. Borden en bestek op de drie, onderzetters, zout en zo op de ene. Ja, we dekten als voor de sjabbat. Wel zonder kaarsen (op een schip…), en ook zonder sjabbat. We wilden domweg niet een tafel voor drie personen dekken. Wiesje betoonde inzicht: Malawiel moest maar splitsen.

Dat bleek een gewaardeerde zet: de neven kwamen bij Elsje en mij zitten. Bij Elsje als Augenweide (hoewel we nog in nasi-pak waren) en mij als niet zo partijdig geachte man. Ik begon dan maar een gesprek over (figuurlijke) boutjes en moertjes: hun “home turf”, en Elsje heeft eerder belangstelling dan afkeer. Even kijken: de jongens zaten bij de schippertjes, Sheila bij de katjes. (Die aanduiding voor Wiesje en Maaike is in onbruik geraakt.) Praten over techniek monterde de neven snel en flink op. Ze komen dan wel uit de voertuigtechniek, maar raken steeds meer betrokken bij de automatisering van broeikassen: luchtbehandeling, lichtregeling, water- en mesttoevoer. Een volgende stap zou ongediertebestrijding kunnen zijn: met drones sluipwesp-eitjes verspreiden, of zo. En misschien waren er leuke door-ontwikkelingen mogelijk van Pegasus. Elsje concludeerde parmantig, dat ze eigenlijk niet eens tijd hadden voor een vrouw. Ze monsterden Elsje, en zeiden eenstemmig: “nou-ou-ou…” Ik deed ook een duit in het zakje: “Daarentegen heb ik geen tijd voor techniek.” Oh, dat had iedereen gehoord. Er klaterde gelach.

Malawiel ging weer afruimen, afwassen en opruimen. Hanna zette weer koffie en thee. De mannen gingen daarna aan het bier. Van dit gezelschap zijn Jean-Luc en ik de niet-kleinste drinkers, maar vanavond waren de neven aan het zuipen. Elsje vermaande mij om niet teveel te drinken. Juist, ja… De vrouwen gingen aan de wijn, maar Elsje hielp Maaike bij het verwerken van de kruidenthee. Het werd ook zo’n avond van de mannen bijelkaar met mannenpraat en de vrouwen bijelkaar met vrouwenpraat, waarbij Elsje en ik het raakpunt van de kringen vormden.

Ja, zoals Elsje de eerste nacht doorgebracht had in de geborgenheid van “mama” Wiesje, zo wilde ze de tweede nacht de geborgenheid van “papa” Larie. Zodoende betoonde ze haar gebrek aan levenservaring. Immers, deze kooien lenen zich dus slecht voor mijn specialiteit “neusbeffen”, maar wèl voor zandbanken, zoals Wiesje graag heeft. Uiteraard komt Elsje wel aan haar gerief, maar volgens mij had ze beter een nachtje geduld kunnen oefenen. (Ja lief, ik zag het aankomen!) We gingen niet eens erg laat naar kooi, slaperig door de alcohol (of de bloedsuikerspiegel?). Elsje had mijn halfvolle laatste glas bier achterovergeslagen: “Dan hebben we dezelfde adem.”

Terug

We werden ongeveer bij dageraad wakker. Ik zei niet “zonsopgang”, want deze winter biedt amper zon. Met ons voorspelbare gedrag wekte stuurboord ook bakboord. Wij (Malawiel) lieten Sheila vóórgaan bij het gebruik van de douches aan stuurboord, en hernamen intussen onze vier-eenheid. Oh, inmiddels was bakboord ook opgestaan.

Ietwat afwezig hielpen we bij het voorbereiden, verorberen en afruimen van het ontbijt. Vervolgens maakten we ons klaar voor vertrek, en zorgden dat we het schip niet viezer aantroffen dan bij aankomst. De vaten bier en wijn waren nog niet leeg, en nog iets van wat wij aan voedsel meegebracht hadden was nog over. Die vaten moesten de schoonouders maar mee terug nemen, en dat voedsel moest maar meetellen bij het opstellen van een boodschappenlijstje door bijvoorbeeld Hanna en Diana - en als het vandaag op ging, dan dus niet…

Nog even een gezamenlijk bakkie koffie, en mijn vraag aan de schippertjes, of er volgens hen iets te verrekenen viel. Nee hoor, ze waren juist dankbaar! Dat leek me overdreven, maar wèl een goed teken. Met knuffels namen we bij de bulli afscheid. Oh, wacht: schuifpuzzel. De neven wilden niet nevens Sheila zitten (wederzijds), niet naast de jongens, en je kent het klitten van Malawiel. Maaike zou rijden, dus die achter het stuur. Ze wilde mij naast me. Wel, mijn schoonzus (Sheila) dan rechts van mij. De neven op het kortere middenbankje, en dan dus de jongens en de sjes op de achterbank. Twee breedgeheupte vrouwen en twee middelgrote mannen op drie zitplaatsen, maar aan die vier kun je dat overlaten. Alle bagage (zonder die vaten en wat we meegebracht hadden) op de imperiaal. Aan het eind van de ochtend werden we uitgewuifd.

In de kleine uurtjes na noen bereikten we Eikenrode. Eerst de neven thuisbrengen met hun bagage, en dan de rest alvast van de imperiaal af. Sheila nam zakelijk afscheid van de neven, en vroeg of ze haar spullen wilden verzamelen, opdat de schoonouders die morgen naar de jongens konden brengen. Afgesproken!

Sheila wendde zich tot de jongens: stond haar Solex nou bij hen? We reden nu daarheen, en laadden hun bagage uit. Dennis toonde Sheila haar rijwiel met hulpmotor in de schuur. Sheila dacht een ogenblik na, en zei: “Dan blijf ik graag even bij jullie. Even nadenken. Misschien blijf ik graag een tijdje logeren, misschien tuf ik straks naar mijn huisje of naar mijn boot (bij Aazicht), misschien regel ik vandaag nog een auto, en huur ik een optrekje in de Randstad. Nadenken, dus.” Wij (Malawiel) namen met knuffels afscheid, en reden huiswaarts. De bulli woont nog steeds, samen met het stoomwezen, in een schuur bij het huis waar nu de herdertjes wonen, maar hij kon vannacht wel in de poort blijven staan. Blijde gezichten bij onze terugkeer, maar begrip voor ons snelle vertrek naar onze slaapkamer. Ik mailde Kees over de uitgestelde terugkeer van de vaten. En dat de inhoud in de smaak gevallen was.

Die avond vernamen we bij het avondeten, dat morgen ook Bill en Mina meegingen.

 

Naar inhoudsopgave. Naar volgend verhaal (ongeacht waarschuwingen, in leesvolgorde).